Alsof hij nieuwe ogen had

Jan van Eyck schilderde zoveel beter dan zijn voorgangers dat kunsthistorici zich afvragen waar hij zijn nieuwe inzichten vandaan haalde. Vanaf vandaag is in Museum Boijmans Van Beuningen een spectaculaire tentoonstelling te zien die deze vraag probeert te beantwoorden.

Kijk, dat lijken wel bosaardbeitjes, daar voor het graf op het schilderij. En die boom achter het graf, dat lijkt wel een kastanje. En helemaal in de verte, achter die stad die sprekend lijkt op Jeruzalem, zie je zelfs de Alpen.

Het lijkt wel echt, was de verzuchting van tijdgenoten van Jan van Eyck. Niet alleen bij 'De drie Maria's aan het graf' lijkt het of je de aardbeitjes kunt plukken, ook de jurk van zijn vrouw Margaretha die hij portretteerde, wil je aaien, zo zacht, warm en pluizig ziet die eruit. En de pagina's in het boek van Maria op de 'Annunciatie' hoor je bijna knisperen.

Met Jan van Eyck (?-1441) maakte de schilderkunst een reuzensprong. Hij verfijnde de olieverftechniek, wist figuren zo te schilderen dat ze driedimensionaal leken, kon de fijnste details weergeven en ontdekte het effect van licht. Zelfs de Italianen, die rond 1425 het centraalperspectief uitvonden en al vele meesterwerken hadden voortgebracht, wisten niet wat ze zagen. De eerste Nederlandse schrijver over kunst, Karel van Mander, concludeerde in 1604: bij Van Eyck begon de schilderkunst.

Dat is natuurlijk niet zo. Ook vóór Van Eyck werd er in de Nederlanden geschilderd. Sterker nog, Van Eyck maakte zijn meesterwerken in een tijd waarin de Vlaamse schilderkunst opbloeide. Vanaf 1384 werd Vlaanderen onderdeel van het Bourgondische Rijk. De achtereenvolgende hertogen, die langzamerhand de Nederlanden in bezit namen, hadden grote belangstelling voor kunstvoorwerpen. Edelsmeden, tapijtwevers, boekverluchters, schilders, beeldsnijders: ze kregen vele opdrachten, waarmee ze hun vakmanschap konden ontwikkelen. Ook kerken lieten van oudsher veel kunstvoorwerpen maken, zoals reliekhouders, beelden en altaarstukken.

Maar niet alleen de adel en de kerk bestelden kunstvoorwerpen, ook de burgerij deed dat. Economisch ging het Vlaanderen voor de wind; handel en nijverheid kwamen op. Brugge was met 55.000 inwoners na Parijs de grootste stad van West-Europa. Het krioelde daar van de binnenlandse en buitenlandse kooplieden, handelaren en bankiers. En die vormden een interessante afzetmarkt voor kunstenaars. Zo werden steden als Brugge, Doornik, Brussel en Gent productiecentra van kunst. Tot in Zuid- en Oost-Europa werd de Vlaamse kunst geëxporteerd.

Toen Jan van Eyck zich in 1425 in Brugge vestigde, was er dus al een bloeiend kunstklimaat. Maar jammer genoeg is daar heel weinig meer van terug te vinden. De belangstelling voor laat-Middeleeuwse kunst ontstond pas weer in de negentiende eeuw. Toen was al veel vernietigd, onder andere tijdens de Beeldenstorm.

Wat er over is, is moeilijk te dateren of aan een kunstenaar toe te schrijven. Kunstenaars waren maar zelden zo belangrijk dat hun naam bleef voortbestaan. Zelfs het werk van Van Eyck is omgeven door raadsels. Pas vanaf 1432, als Van Eyck schilderijen gaat signeren en dateren, kunnen werken met grote zekerheid aan hem worden toegeschreven.

Kunsthistorici van nu tasten dus vrijwel in het duister over de vraag hoe Van Eyck dat hoge niveau kon halen. "Hoe kon één man die grote stap zetten?", verwoordt conservator Friso Lammertse van Museum Boijmans Van Beuningen dit belangrijke vraagstuk van de kunstgeschiedenis. Daaraan wijdt Boijmans nu een tentoonstelling, waarop vrijwel alle nog bestaande schilderijen van rond 1400 uit de Nederlanden te zien zijn. Want misschien werpt het samenbrengen van deze overgebleven schilderijen uit de tijd vóór Van Eyck een nieuw licht op de vroege Van Eyck en de schilders die aan hem vooraf gingen.

Wat we wel weten, is dat de kunstwereld in die tijd al behoorlijk internationaal was. Invloeden uit Italië, Frankrijk en Bohemen mengden gemakkelijk met die uit Vlaanderen of Duitsland. Motieven, composities en technieken werden van elkaar overgenomen.

We weten ook dat er al een grote behoefte was om de wereld uit te beelden zoals die eruit zag. In de vroege Middeleeuwen waren er vrijwel alleen christelijke voorstellingen en die werden symbolisch weergegeven. De hemel was een gouden achtergrond, voor Maria en het Christuskind bestonden speciale formules.

Dat verandert langzamerhand, vertelt Friso Lammertse. "Als Van Eyck in beeld komt, is er al een grote aandacht voor de natuur, voor de wereld om de mensen heen. Dat hele gedetailleerde zie je bijvoorbeeld al in het Paradijstuintje uit 1410, dat ook naar Rotterdam komt. Ook het realisme - de behoefte om iets 'net echt' te laten lijken - is er al. Maar het blijft nog wat schematisch. Men stoffeert de achtergrond met vaste patronen. Zo zie je regelmatig een drinkend boertje onder een boom op de achtergrond van een schilderij."

Het zijn allemaal kleine aanzetten tot de grote sprong die Van Eyck uiteindelijk maakt. Bij Van Eyck wordt voor het eerst de illusie van de werkelijkheid belangrijker dan het afgebeelde verhaal. De schematische drinkebroertjes maken plaats voor een realistische achtergrond tot en met 'echte' Alpen aan toe. Materialen als water, stof, hout, worden 'echter' dan ooit weergegeven.

Maar de grootste sprong die Van Eyck maakte, bestaat uit het 'zien' van het licht. Lammertse: "Van Eyck ziet wat het licht teweeg brengt. Door het licht ziet hij hoe je met schaduwen volume aan een persoon kan geven, hoe je het op een tweedimensionaal vlak in een ruimte neer kunt zetten. Hij ziet de reflectie op blinkend materiaal, hij ziet dat water doorzichtig is. En hij begrijpt dat bijvoorbeeld de kleur bruin uit honderd verschillende kleuren bestaat."

Die grote sprong blijft een raadsel, zegt Lammertse. "Zelfs nu we negentig werken van voor Van Eyck en van tijdens zijn beginfase bijeen hebben gebracht, is het niveauverschil onverklaarbaar groot. Hoe heeft hij dat licht kunnen zien? Het lijkt wel of hij nieuwe ogen had. We zijn alleen maar meer onder de indruk van Van Eyck gekomen."

Een ander raadsel is het leven van Van Eyck zelf. Vanaf 1432 - het jaar van zijn beroemdste werk, 'het Lam Gods' - signeerde en dateerde hij de meeste van zijn werken. Van de periode daarvoor weten we dat hij eerst in Den Haag in dienst was bij Jan van Beieren, graaf van Holland en Zeeland en vanaf 1425 bij de Bourgondische hertog Filips de Goede voor wie hij lange geheime reizen maakte. (Vandaar dat hij de Alpen waarschijnlijk met eigen ogen had gezien.)

Over wat Van Eyck vóór 1432 schilderde, verschillen de meningen. Friso Lammertse beschouwt 'De drie Maria's aan het graf' uit zijn eigen museum als een echte Jan van Eyck. Maar niet alle kunstkenners delen zijn mening. Dezelfde onduidelijkheid bestaat rond enkele miniaturen uit het Turijns-Milanese getijdenboek, ook te zien op de tentoonstelling. De landschappen en de interieurs zijn zo mooi gedaan, dat de naam Van Eyck daarbij lijkt te horen. Zeker gezien het feit dat op een van de miniaturen zijn broodheer Jan van Beieren staat afgebeeld.

Nog een interessant werk dat mogelijk uit de beginperiode van Van Eyck stamt, is de tekening van De Kruisiging die onlangs is opgedoken. Ook die komt op de tentoonstelling te hangen, evenals een tekening uit het Louvre van een Vispartij.

Lammertse hoopt dat het naast elkaar tentoonstellen van deze - mogelijk - vroege werken van Van Eyck de discussie erover een nieuwe impuls zal geven. "Als iets moeilijks te onderzoeken is, dan is het dit tijdperk. Het enige waardoor we meer kennis kunnen krijgen, is door kijken en vergelijken. Het zou mooi zijn als de tentoonstelling een nieuw licht werpt op het vroege oeuvre van Van Eyck."

'De weg naar Van Eyck' is te zien tot en met 10 februari 2013 in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. www.boijmans.nl

Samenwerking met Berlijn
Vier jaar geleden begon Friso Lammertse aan het samenstellen van de tentoonstelling 'De weg naar Van Eyck'. Twee stukken had hij alvast in Boijmans: 'De drie Maria's aan het graf' en het Norfolk-triptiek van een onbekende meester. Maar een tentoonstelling van deze kwetsbare en over de hele wereld verspreide werken maken, is voor één museum moeilijk. Lammertse: "Daarom zijn we gaan samenwerken met de Gemäldegalerie in Berlijn, zodat de tentoonstelling door zou reizen naar Berlijn. Zij hebben de mooiste verzameling vroeg-Nederlandse kunst. Wel zeven stukken krijgen we voor de tentoonstelling van ze. Samen heb je ook een betere onderhandelingspositie bij andere musea. Want als je nu een stuk in bruikleen vraagt, moet je erop rekenen dat een keer iets teruggevraagd wordt."

Lammertse zocht niet naar de bekende Van Eycks, maar naar zijn beginperiode en naar andere werken uit die tijd. "Het belangrijkste is misschien wel het 'Turijns-Milanese Getijdenboek'. Het werk is nog maar zelden uitgeleend. En het is het vroegste werk waar Van Eyck al zijn kunnen toont. Doordat dit deel uit ging maken van de tentoonstelling, kregen we makkelijker medewerking van andere musea."

Tegenvallers waren er ook. De Gemäldegalerie kreeg de financiering niet rond, waarna Boijmans alle kosten alleen moest dragen. Met een extra sponsoractie lukte dat. Voordeel was wel dat de 'Annunciatie' van Van Eyck nu uit the National Gallery of Art van Washington kon komen. Voor vier maanden uitlenen was minder een probleem dan voor acht maanden. Van Eycks diptiek uit New York mocht uiteindelijk niet komen, omdat hij in te slechte staat was om te reizen. En datzelfde zei de restaurator van de Gemäldegalerie op het laatste moment over zijn 'Madonna in de kerk'. Lammertse: "Dan houdt het op. De werken mogen geen gevaar lopen."

Al met al is Lammertse meer dan tevreden. "Ons doel was Van Eyck tussen zijn voorlopers te laten zien, en dat is volgens mij lukt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden