Alsof de wereld niet bestaat

De denker van Rodin wankelt op zijn sokkel, na een halve eeuw van psychologische experimenten. Daar komt hij uit als een eenzijdige observator: hij keurt en betreurt altijd weer andermans karakter, moppert over hem of bejubelt hem soms. Onze eigen flaters begrijpen we, maar we zijn blind voor wat de medemens tot zijn gedrag bewoog.

Een nobel karakter: vader rijdt met zijn zoon in een wak en weet in een laatste krachtsinspanning het ventje op het ijs te duwen, ten koste van zijn eigen kansen.

Een brute inborst: vader liegt tegen zijn zoon dat diens hond is aangereden, terwijl hij hem zelf die dag in woede heeft dood geknuppeld.

Hier aarzelt ons oordeel niet. Maar een buitenaardse passant heeft toevallig iets gezien: vader A moet voor hij gaat schaatsen heftige verwijten van zijn vrienden slikken, over zijn egoïsme en eeuwige onverschilligheid tegenover zijn zoon. En vader B krijgt de dagelijkse tirade van zijn vrouw over zich heen, van „lapzwans en nietsnut”. Hij wil haar te lijf, maar*, en dan wordt het de hond.

„Nobel, bruut?” vraagt de observator van buiten zich af. „Of allebei ernstig getergd? Zie dan hoe diezelfde omstandigheid in extreem altruïsme én in wreedheid kan verkeren.” Natuurlijk denkt de mens ook: „Tja, als je dat allemaal weet, dan oordeel je anders!”

Misschien, maar misschien ook niet. We rekenen andermans gedrag bij voorkeur aan ’s mans karakter toe en falen daarbij voortdurend om de situatie mee te wegen. Zelfs als het juk van de omstandigheden overduidelijk is. Wij vinden, schreef sociaal psycholoog Daniel Gilbert eens, een basketballer die alsmaar vrije worpen mist door het zichtbaar belabberde licht rond de basket uiteindelijk toch een knoeierd.

Zijn collega Gordon Moskowitz verwijst in Social Cogniton naar het gruwelijke optreden van Amerikanen in de Abu Ghraib gevangenis in Irak. De narigheid in hun karakter wil hij niet ontkennen, maar in de meeste commentaren later in de media was de sociale druk op die ontspoorde militairen geheel vervlogen. We oordelen over gedrag van de ander alsof de situatie, ja alsof de wereld niet bestaat, en hangen diens daden op aan onveranderlijke kenmerken en nukken van de man. Aan de persoonlijkheid van de ’gedrager’ dus.

De sociaal psycholoog vond daar een deftig begrip voor uit, een gedrocht: de fundamentele attributiefout. We schrijven alles aan karakters toe. Enkele klassieke experimenten illustreren dat. In 1965 lieten psychologen (Jones en Harris) proefpersonen een praatje houden waarin zij Fidel Castro aanvielen of verdedigden. Sommigen kregen de vrije keus, anderen werden tot een pro- of anti-lezing verplicht.

Daarna moesten toehoorders aangeven hoe zij de echte houding van de sprekers tegenover Castro inschatten. Die oordeelden dat de vrije sprekers natuurlijk gewoon voor hun mening waren opgekomen, vóór of tegen.

De psychologen namen aan dat de toehoorders anders zouden beslissen over de verplichte Castro-aanhangers, vooral gezien de anti-Fidel-sentimenten toen. Dat gebeurde niet: ook al wisten de toehoorders van het keurslijf, ze ervoeren de pro-speech toch als de ware houding van de spreker.

Talloze experimenten daarna bevestigden dat we met open ogen over dwingende omstandigheden heen kijken en gedrag geheel op conto van gedragers eigenschappen schrijven. In een vermaard experiment (Ross) mochten proefpersonen als quizmaster de rottigste vragen voor hun kandidaten verzinnen, waarop ze alleen zelf het antwoord wisten. Toeschouwers stelden dat al gauw vast, maar de onmogelijke vragen ten spijt, sloegen die kijkers achteraf de intelligentie van de quizmasters toch hoger aan dan die van de kansloze kandidaten.

Kortom, we gaan er bij voorkeur vanuit dat het gedrag van de ander zijn bovenkamer weerspiegelt, tenzij de krachten van buiten er te dik bovenop liggen. We beoordelen mensen die schaterend uit een lachfilm komen niet zonder meer als vrolijke karakters, stelde psycholoog Douglas Krull vast. Maar die basketballer in het donker is een stumperd, herhaalt Daniel Gilbert. Hij verbaasde zich erover dat psychologen dertig jaar lang deze dwaling in ons denken kennen, zonder er een fatsoenlijke verklaring voor te geven.

Er zijn er wel een paar, vermoedt Gilbert. Gedrag kun je zien, maar dat wat aan mensen trekt dikwijls niet. Je hoort hoe ze zich door een speech heen stamelen, maar de druk van het immense gehoor in de zaal kun je niet proeven of ruiken. En in het gebeuren van alledag zijn omstandigheden ook vaak te subtiel om zichtbaar te worden.

Daarbij blinken we niet uit in het inschatten van wat situaties met ons doen. In de patiënt die zojuist zijn ongeneeslijke kwaal heeft vernomen, kunnen we ons wel verplaatsen. Maar als hij na langdurige behandeling weer wat opknapt, gaan we ons afvragen waar de oorspronkelijke luchtigheid van ’die ouwe chagrijn’ is gebleven.

Komt bij dat we erg onrealistisch zijn in het voorspellen van gedrag, van anderen én van onszelf. Veel Amerikanen hielden stug vol dat ze ook onder druk zelf nooit een anti-Amerikaans standpunt zouden innemen. Nou, ho maar. En iedereen kent de gehoorzaamheidsproeven van Stanley Milgram: hij liet zijn proefpersonen elektrische schokken toedienen aan medeproefpersonen die fouten maakten bij een leertaak. Velen gingen tot stroomstoten die, waren ze echt toegediend, fataal zouden zijn. En toch: „Zou ik nooit doen”, beweren we van onszelf.

Gilbert somt nog enkele onvolkomenheden in de waarneming van gedrag op. Hebben we eenmaal een karakter vastgepind, dan wordt de waarneming een selffulfilling prophecy. Ook in een keurige sliding van ijzeren Rinus Israel konden we ooit niets anders meer zien dan een halve doodschop.

En hebben we wél goed zicht op iemands situatie, en kúnnen we wikken en wegen, dan nog slagen we er vaak niet in omdat we het te druk hebben in ons hoofd. Zo liet Gilbert mensen naar een stille video kijken van een vrouw die zich in een gesprek met een vreemde angstig gedroeg. Sommigen kregen te horen dat ze haar seksuele fantasieën opbiechtte, anderen dat ze haar hobby’s toelichtte. In hun oordeel over de angst van de vrouw hielden de kijkers aanvankelijk rekening met de gênante aard van het gesprek. Maar als ze tegelijkertijd een rekensom moesten oplossen, verdween het begrip: ze zagen alleen nog maar een angsthaas.

Het schijnt dat we alleen van onszelf doorhebben dat we vaak de gevangene van de omstandigheden zijn, en niet altijd op voorhand weten hoe we reageren. We kunnen onszelf verbazen, ons verwonderen over onze eigen angst of moed. Maar ieder ander beschouwen we blijkbaar wél als kapitein op zijn eigen schip.

We maken de klassieke blunder, schrijft Anthony Pratkanis in The Science of social inluence. De onnozelheid van een ander rekenen we hemzelf aan, het kleine mannetje ergens in het hoofd van die kapitein. Neurologen hameren er al langer op dat zo’n homunculus niet bestaat. En ook psychologen gaan er meer en meer vanuit dat onze geest is opgetrokken uit talrijke modules, zonder echte hoofdregisseur, en daardoor wisselend reageert op wisselende situaties.

Maar wij lekenpsychologen ontkomen er blijkbaar niet aan om andermans gedrag toe te schrijven aan de nukken van zo’n centrale dirigent. Terwijl die ander net zo goed meedeint op de variërende omstandigheden, en zijn daden ook afhankelijk zijn van de variërende reacties van de vele afdelingen in zijn hoofd.

Ons gedrag lijkt op te borrelen uit een cerebrale kakofonie van motieven, soms harmonieus maar vaak ook tegenstrijdig. Dat blijkt duidelijk bij mensen met een afgezet ledemaat: de verstandige voorhoofdskwab zegt dat het been weg is, een ander hersendeel houdt stug vol dat ie er nog zit.

Van onszelf kennen we dat mentale touwtrekken heel goed, maakt Robert Kurzban duidelijk in Evolution and social psychology. Aan de borreltafel wil Meneer Bravoure in ons brein zich soms als een leeuwentemmer presenteren, maar in de dierentuin verbiedt onze amandelkern ons om de kooi in te gaan. En tijdens sollicitaties overschreeuwt de trots de meer bescheiden stem in ons hoofd.

Dat heeft zijn nut, weet Kurzban. En daarom begrijpen en accepteren we ook vaak dat ons eigen gedrag door de situatie werd gestuurd. Maar gedrag van een ander? De proefpersonen van Milgram die tot in het absurde stroomstoten toedienden, moeten nog bruter zijn geweest dan de man die de hond van zijn zoon neersabelde. Achteraf vertelden de slachtoffers van Milgram dat ze gruwelden van hun gehoorzaamheid, dat er een enorm kabaal klonk in hun brein. Maar dat het uiteindelijk zwichtte voor het gedram van de experimentator. Ja, van henzelf wisten ze dat wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden