Alsjeblieft Dankjewel

Laat ik met een optimistische visie beginnen. We schijnen in een machtig interessante tijd te leven. Geëmancipeerde burgers hebben voor het eerst in de geschiedenis de mogelijkheid om individueel zin aan hun bestaan geven. Zij kunnen kiezen uit talloze opties, uit alle mogelijke levensstijlen. Dat brengt weliswaar een embarras de choix met zich mee, maar dat is eenmaal de prijs voor de vrijheid die wij ons in de laat-moderniteit hebben veroverd.

Wat blijkt nu? Er wordt niet meer getrouwd en voortgeplant op grond van sociale en economische overwegingen, maar terwille van de emotionele bevrediging die een relatie en kinderen kunnen bieden. De geëmancipeerde burgers willen alleen nog maar een gezin dat als bron van emotionele en affectieve rijkdom dient.

Zoals bekend willen de meeste vrouwen een baan buitenshuis. Minder bekend is echter dat vrouwen het op hun werk veel leuker vinden dan thuis. De emotionele bevrediging die het werk biedt blijkt groter te zijn dan de bevrediging die in het gezin is te vinden. Er is bij vrouwen dus niet zo zeer sprake van een pijnlijke keuze tussen loonarbeid en zorgarbeid, als wel van een duidelijke voorkeur voor dat eerste. Net zoals mannen zich vaak op hun werk meer thuis voelen dan in het gezin, schijnt dat in toenemende mate voor vrouwen te gelden.

Volgens de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild zijn steeds meer mensen liever op het werk dan thuis. Thuis is het chaos, rennen, regelen en ruzie over de verdeling van de taken. Met name vrouwen voelen zich thuis onzeker, opgejaagd en ongelukkig. Op het werk daarentegen ziet de wereld er overzichtelijk uit. Zoals een door Hochschild geinterviewde vrouw het zei: “op het werk kan ik me pas ontspannen.”

Hochschild deed onderzoek binnen een bedrijf dat model staat als uitermate gezinsvriendelijk en dat zijn werknemers gunstige arbeidsomstandigheden en -voorwaarden biedt. Dit bedrijf doet er alles aan om zijn werknemers te laten vergeten dat zij nog kinderen hebben. Zo beschrijft Hochschild een vouchersysteem waarmee werknemers niet alleen kinderopvang bij het bedrijf kunnen regelen, maar ook juristen, medici, psychologen en maatschappelijk werkers kunnen inhuren om hun gezinsproblemen op te lossen, terwijl de ouders zelf doorwerken. Het bedrijf biedt weliswaar de mogelijkheid om verloven op te nemen, waaronder een ouderschapsverlof, maar daar wordt - ook door vrouwen - nauwelijks gebruik van gemaakt.

Waarom zouden ze ook? Zoveel is er thuis niet meer te doen. Er is een omvangrijke industrie van persoonlijke dienstverlening tot bloei gekomen. Schoonmaken, tuinieren en kinderopvang aan huis kennen we hier ook, maar in Amerika wordt zelfs het inplakken van foto's in het familiealbum uitbesteed, of het kopen van cadeautjes voor kinderen, familieleden en vrienden. Er bestaat een veelvuldig gebelde telefoonlijn 'Grandma Please', waar kinderen een zogenaamde oma kunnen bellen om te vragen of zij hen met het huiswerk komt helpen of een spelletje komt spelen.

De ontwikkeling die Hochschild in Amerika signaleert, zal zich ongetwijfeld ook in Nederland voordoen, als dat niet al, zeker voor hoogopgeleide vrouwen, het geval is. Er zijn voldoende factoren die in deze richting wijzen. De Nederlandse vrouwen die nu op de arbeidsmarkt aantreden zijn gemiddeld beter opgeleid dan mannen. Zij nemen enthousiast deel aan de loonarbeid en doen het daar uitstekend. De arbeidsvreugde is kennelijk zo groot dat het krijgen van kinderen wordt uitgesteld. In Nederland krijgen vrouwen hun eerste kind pas op de gemiddelde leeftijd van 29 jaar. Van de hoogopgeleide vrouwen ziet 25 procent zelfs helemaal van kinderen af.

Wat zijn de maatschappelijke gevolgen van deze kennelijk intense arbeidsvreugde van vrouwen en hun afnemende belangstelling voor moederschap en zorgarbeid?

Op korte termijn gezien is het emancipatiebeleid van minister Melkert en zijn voorgangers uiterst succesvol geweest. De eenzijdige fixatie van dat beleid op “werk, werk en nog eens werk” heeft er toe geleid dat vrouwen in razend tempo binnenstromen op de arbeidsmarkt. Geen middel werd geschuwd om vrouwen uit het gezin te halen. Er werd een alsmaar omvangrijker systeem van kinderopvang ontwikkeld. Alimentatie werd gelimiteerd, bijstandsvrouwen werden verplicht te gaan werken zodra hun jongste kind vijf jaar is geworden. Het onderwijs aan meisjes werd gestimuleerd met het oog op deelname aan betaalde arbeid. Hoezeer vrouwen ook klaagden over de overbelasting die van hun dubbele taken het gevolg was, hoezeer zij de overheid ook verzochten een beleid te voeren dat mannen zou stimuleren de zorgarbeid met vrouwen te delen, de overheid liet elke serieuze maatregel achterwege om mannen naar huis te krijgen. Werk, werk, en nog eens werk, voor mannen en vrouwen, ten behoeve van economische groei op korte termijn. In Nederland is emancipatiepolitiek werkgelegenheidspolitiek.

Nu heeft Melkert inens voorgesteld om mannen te stimuleren om ouderschapsverlof op te nemen. Zij krijgen daarvoor zeshonderd gulden per maand van overheidwege en een aanvulling tot duizend gulden via de werkgever. Met dit voorstel hoopt de minister ook langetermijnbelangen veilig te stellen. En dat zijn de demografische belangen.

Met het oog op de komende massale vergrijzing moeten er voldoende nieuwe arbeidskrachten worden geleverd. Maar ook wanneer de grijze golf is weggeëbd zullen er nieuwe arbeidskrachten nodig zijn. Vrouwen moeten dus tot baren worden aangezet. Maar hoe doe je dat wanneer vrouwen steeds duidelijker maken dat zij daarin geen zin hebben, omdat zij het buitenshuis veel leuker vinden? Dat doe je door de zorg voor kinderen minder belastend te maken, dus door mannen te verleiden tot het delen van de zorgtaken. Het is echter de vraag of mannen aan die verleiding zullen toegeven.

Wat gaat er verloren wanneer het zwaartepunt in het leven van mannen en vrouwen bij de loonarbeid komt te liggen? Wat gaat er verloren wanneer als gevolg daarvan het gezin niet langer een eigen, min of meer autonome omgeving van hoogstpersoonlijke betrekkingen is, maar functioneel en rationeel op de loonarbeid wordt ingericht?

Wat verloren dreigt te gaan is het vermogen tot wederkerigheid. In het dagelijkse spraakgebruik wordt wederkerigheid vaak gelijkgesteld aan wederzijdsheid. Maar tussen wederkerigheid en wederzijdsheid bestaat een verschil dat beter tot uitdrukking komt in de synoniemen: reciprociteit en mutualiteit .

Reciprociteit, wederkerigheid dus, kan worden opgevat als: het via de ander wederkeren van het eigene. Pas wanneer mensen elkaar herkennen - dat wil zeggen: in de ander zichzelf zien - kunnen zij elkaar erkennen. En erkennen wil zeggen: rekening houden met de ander op een wijze zoals jij zou willen dat die ander rekening houdt met jou. Herkenning en erkenning zijn de bron van empathie, sympathie en solidariteit.

Deze bron is in de eerste plaats te vinden in het gezin of de familie. Familiegelijkenissen, familiegeschiedenissen, familieverhalen, familievetes, familie-albums: het zijn even zovele mogelijkheden van herkenning voor de familieleden. Kinderen worden bij hun geboorte ingevoegd in dit identificatiesysteem. Ik ben een dochter of een zoon, een neef of een nicht, een kleinkind van. Mijn grote neus zit in de familie, want opa en ooms en tantes hebben ook zo'n grote neus.

Kenmerkend voor wederkerigheidsverhoudingen is dat over en weer zonder berekening, althans zonder openlijke berekening, wordt gegeven en genomen. Men staat elkaar bij wanneer dat nodig is en men geeft wat nodig is. Partijen vertrouwen erop dat de prestaties op termijn uiteindelijk wel verevend zullen worden.

Bij mutualiteit of wederzijdsheid daarentegen is er geen sprake van duurzame, persoonlijke betrekkingen waarin onbepaalde prestaties worden geleverd. Partijen vinden elkaar in dit geval ad hoc, met het oog op een gemeenschappelijk voordeel. De prestaties die over en weer worden verricht zijn meestal nauw omschreven en wanneer tegenprestaties te lang uitblijven ontstaat wantrouwen. Mutuele verhoudingen zijn vooral zakelijke en contractuele verhoudingen. In de praktijk komen overigens ook mengvormen van reciproke en mutuele verhoudingen voor.

Mijn stelling luidt dat wij in het gezin - dat traditionele bastion van reciprociteit - een tendens naar mutualiteit kunnen waarnemen. Ter verdediging van deze stelling moet ik eerst de familiale wederkerigheid nog wat nader toelichten en scherper van wederzijdsheid, of mutualiteit, onderscheiden. Waaruit bestaat die familiale wederkerigheid precies? En is deze wel zo vanzelfsprekend als ik hierboven suggereerde?

De familiale wederkerigheid is een giftwederkerigheid. Nu denken wij bij het woord 'gift' aan een eenzijdige handeling. Je krijgt een geschenk, zegt beleefd dank je wel, en dat is het dan. Niets is echter minder waar. Als iets verplicht, meer dan wel contract ook, dan is het wel een geschenk. Toch erkennen wij dat niet graag, integendeel.

Om de subtiliteit van de giftwederkerigheid duidelijk te maken, wijs ik op een dialoog die wij allen ontelbare malen hebben gevoerd op het moment dat we een geschenk ontvingen. “Dank je wel, dat had je nou echt niet moeten doen. Ik heb dat niet verdiend.” “Wel nee, het stelt helemaal niets voor. Het is maar een kleinigheidje. Het gaat om de geste.”

Ondertussen weten beide partijen beter. Het geschenk wordt gegeven en ontvangen in een bestaande relatie waarin geschenken, attenties en gestes impliciet worden verwacht. Beide partijen weten bovendien dat het geschenk wel wat voorstelt. Het is meestal met zorg uitgezocht, afgestemd op de persoon van de ontvanger en waarschijnlijk van minstens gelijke waarde als het geschenk dat de gever indertijd zelf ontving.

Is het dan een en al hypocrisie, deze geschenkdialoog? Nee, het is eerder een blijk van intelligentie. Indien expliciet zou worden verwoord dat het geschenk het nakomen van een verplichting is, en zelf op zijn beurt weer tot een ander geschenk verplicht, verliest het geven van een geschenk de schijn van vrijwilligheid. Het expliciteren van de plicht tot wederkerigheid zou de uitwisseling het karakter van een contract geven en dat willen gever en ontvanger juist voorkomen. Bij de gift gaat het immers allereerst om een persoonlijke verhouding, niet om een zakelijke.

Het verschil tussen een gift en contract, tussen reciprociteit en mutualiteit, is hopelijk duidelijk. Gift en contract verplichten beide, maar bij de gift staat de persoon centraal. Het geschenk staat in dienst van de persoonlijke relatie. Wanneer de gever om welke reden dan ook tekortschiet in het teruggeven, ontstaan vaak gevoelens van schuld en schaamte, zo verplichtend wordt het teruggeven kennelijk ervaren. Hetzelfde geldt voor immateriële geschenken. Wie aandacht, hulp en steun ontvangt, voelt zich verplicht om op zijn of haar beurt aandacht, hulp en steun te verschaffen. Het niet nakomen van deze morele verplichting roept eveneens schuld en schaamtegevoel op.

Bij een contract daarentegen staat de zaak centraal. De onderlinge prestaties zijn zo scherp mogelijk omschreven. Onzekerheid moet waar mogelijk worden voorkomen. Wanneer een van de partijen van zijn kant niet presteert, is er sprake van wanprestatie. Dat kan juridisch vervelend zijn, maar schuld- en schaamtegevoelens blijven vaak uit.

Het spraakgebruik met betrekking tot het gezin wemelt van gift-noties. De vader geeft zijn dochter ten huwelijk, de vrouw geeft zich in de liefdesdaad, aan kinderen wordt het leven gegeven, kinderen zijn zelf een geschenk, ouders zouden hun leven willen geven voor hun kind. Kortom, de verplichtende giftrelaties binnen gezins-en familieverhoudingen komen in de taal tot uitdrukking.

De vraag is nu of ouders en kinderen zich nog steeds vanzelfsprekend verplicht voelen elkaar bij te staan en hulp en steun te geven zonder daarvoor meteen een rekening te presenteren. En roept het achterwege laten van zorg nog steeds schuldgevoelens op ?

In het gezin kan het wederkerigheidsevenwicht worden verstoord. Wanneer slechts één persoon stelselmatig geeft en er ook op termijn geen uitzicht is op verevening, ontstaan er in het gezin ongelijke verhoudingen.

De man-vrouwverhoudingen zijn hier het klassieke voorbeeld. De wederkerigheid is in het hart van het gezin, namelijk tussen man en vrouw, vaak afwezig. De vrouw die zich uitsluitend aan de zorgarbeid wijdt, wordt daarvoor bij eventuele echtscheiding stevig afgestraft. Het gebrek aan wederkerigheid tussen mannen en vrouwen wordt op dat moment pijnlijk zichtbaar.

Het gevolg van dit gebrek aan wederkerigheid tussen mannen en vrouwen is bekend: het gezin is een onderhandelingshuishouding geworden. Er wordt niet meer op vertrouwd dat de geleverde prestaties ten behoeve van het gezin op termijn wel verevend zullen worden. Er wordt boter bij de vis geëist. De man-vrouwverhoudingen zijn niet wederkerig, maar mutueel en hebben het karakter van een contract gekregen. In hoeveel gezinnen worden de uren besteed aan zorgarbeid niet angstvallig gelijkelijk verdeeld? Hoeveel ruzie is er niet het gevolg van wanneer de ene partij te weinig doet? Hoeveel rancune ontstaat er niet wanneer de man wel carrière maakt en de vrouw niet? Hoeveel echtscheidingen zijn niet het gevolg van deze nieuwe oorlog tussen de sexen?

Vooral voor kinderen zijn de gevolgen ingrijpend. Zij krijgen geen tijd, aandacht en zorg meer geschonken, maar moeten deze veroveren op hun drukbezette ouders. Aandacht en ouderlijke zorg zijn niet meer vanzelfsprekend, maar lijken een gunst te worden, voor speciale dagen, bijvoorbeeld wanneer het kind ziek is.

Het streven van de overheid om de private zorgarbeid te commercialiseren in het kader van de werkgelegenheid, bevordert dit proces van mutualisering van de gezinsverhoudingen. Aan het kind wordt niet meer gegeven, maar gedoneerd. Het kind hoeft alleen maar te ontvangen, maar niet meer terug te geven of door te geven. Het wordt uit de wederkerigheidsketen ontslagen, omdat wat het kind ontvangt ter plekke wordt afgerekend. Het kind wordt daardoor in economische ruilverhoudingen opgevoed in plaats van in affectieve en sociale wederkerigheid.

Wat kunnen we op grond van dit alles concluderen? Als het zwaartepunt in het leven van mannen en vrouwen inderdaad bij het werk buitenshuis komt te liggen, dreigen de reciproke betrekkingen in het gezin te worden vervangen door mutuele betrekkingen. In de affectieve en emotionele eenheid die het gezin wordt genoemd, is dan steeds minder ruimte voor daadwerkelijke affectie. Het gezin verliest in dat geval mede daardoor zijn belangrijke functie als voornaamste bron van wederkerige verhoudingen. Wanneer kinderen de ervaring met deze verhoudingen niet meer van huis uit meekrijgen, zullen zij buiten het gezin ook minder tot sympathie en solidariteit in staat zijn.

Oplossingen heb ik niet, al was het maar omdat de ontwikkelingen zelf zo moeilijk te duiden zijn.

Er is in ieder geval een aspect dat ik wil benadrukken, en dat is het klasse-aspect. Voor vrouwen in de onderste inkomensgroepen betekenen moederschap en zorgarbeid heel wat anders dan voor vrouwen in de bovenste inkomensklasse. Het zou niet voor het eerst in de geschiedenis zijn dat de hogere middenklasse haar normen oplegt aan de lagere klasse.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden