Als we onszelf spuugzat zijn

In het literaire magazine The Paris Review verscheen onlangs een interview met de Amerikaanse schrijfster Joy Williams. Erboven was een prikkelend citaat afgedrukt. "Misschien", zei de schrijfster, "zal de roman uitsterven en ook het korte verhaal, omdat we het spuugzat zullen worden om over onszelf te praten".

Het citaat, dat me om de een of andere reden onmiddellijk pakte, komt uit een langer antwoord op de vraag naar de definitie van een roman. Williams haalt het monumentale nonfictie-werk aan van Andrew Solomon - 'Far From The Tree' - waarin hij het ongekende menselijk vermogen onderzoekt om als ouder ruimte te maken voor een kind - dat wil zeggen voor een moeilijk, 'afwijkend' kind.

Dat werk werd geprezen als een hymne aan de verscheidenheid, het baadt in de gouden glans van het humanisme, maar Williams ziet er ook iets claustrofobisch in, een blik die vernauwd is tot alleen maar het menselijke.

"We zijn allemaal zo speciaal en bijzonder en verschillend en sommigen zijn nog meer verschillend dan anderen en dat verschil moet gekoesterd en gevierd worden." Maar, zegt ze, die boom uit Solomons titel is een alles overschaduwende metafoor. "Culturele diversiteit kan nooit biodiversiteit vervangen." Daarover zou een echte avant-garderoman naar haar mening moeten gaan: over hoe we de wereld en zijn schoonheid verwoesten.

Is dat niet al te somber? En is dat mogelijk, om op te houden om over onszelf te praten? Of om naar onszelf te kijken?

Ik had de verering van de mens juist nog beleefd in Museum de Fundatie in Zwolle, bij de tentoonstelling 'Dutch Identity'- over hedendaagse portretfotografie, waar de mens de bezoeker tegemoet glansde vanaf de wanden, soms meer dan levensgroot.

We stonden er in stille bewondering naar te kijken, naar de volmaakte torso's van Erwin Olaf, naar de porseleinen lijven van Carla van de Puttelaar, naar de lege, afgematte gezichten van popsterren van Daniëlle van Ark, naar de ernstige blikken in de portretten van Ringel Goslinga.

En nog meer gezichten waren er, in het Centraal Museum in Utrecht, dat een tentoonstelling wijdde aan de portretkunst van de Utrechtse schilder Pieter Christoffel Wonder (1777-1852). Ook toen al konden mensen moeilijk genoeg van zichzelf krijgen, ze lieten zich in olieverf reproduceren, omvat door een vergulde lijst. Wonder deed zijn ambachtelijke best zonder een echt grote meester te worden.

Je loopt ook iets gereserveerder langs die bleke negentiende eeuwse koppen, boven hoog gesloten en stijve kostuums, ze zijn zo ver van ons weg. Maar op die zondagmiddag konden liefhebbers zich in het museum nog met krijt, pen en potlood uitleven op levende modellen, waarvoor zich de dichter Ingmar Heytze en de zanger, componist Erik de Jong - alias Spinvis - leenden. Portretsessies in gewijde omgeving. Je hoorde het krassen en vegen op papier, zo stil was het.

Nee, we zijn nog lang niet uitgekeken op onszelf, zelfverliefd en van onszelf bezeten, in dit absolute middelpunt van het heelal, dat alleen dankzij ons bestaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden