Als verbittering de overhand houdt, stort alles in

Hoe kouder een land, des te inniger omhelzen de inwoners die kou. In Nederland doen we het met een massale zeeduik op nieuwjaarsdag nog tamelijk rustig aan. In het noorden en het oosten hakken mensen een wak in het ijs om te baden in het vrieskoude water. Heerlijk is dat, zeggen ze, en vooral ook zo goed voor je gestel.

'Vinden mensen dat nu echt zo lekker?' vroeg ik ooit aan een vriend uit Noorwegen. 'Helemaal niet,' ze hij. 'Maar als ze zouden toegeven hoe vreselijk ze het vinden, storten ze van ellende in elkaar. Om het vol te houden móet je jezelf inprenten hoe fantastisch het is.'

Nu, tientallen jaren later, zie ik de film 'Ordet' (Het woord) van de Deense cineast Carl Theodor Dreyer uit 1955. Denemarken is Noorwegen niet, maar het Scandinavische verbindt hen. Trait d'union zou de Zweedse regisseur Ingmar Bergman kunnen zijn, die met de religieuze en existentialistische gekweldheid van Dreyers film wel raad had geweten.

Geen sneeuw en ijs in Ordet, die speelt in de lente van 1925, op een welvarende boerderij waarin drie generaties samenleven. Ieder familielid heeft zijn eigen sores, maar stralend middelpunt is de schoondochter die het leven gaande houdt. Uitgerekend zij sterft tijdens de geboorte van haar derde kind. Dan zinkt de grootvader neer op zijn stoel, en momelt wezenloos: 'De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen. Geprezen zij de naam van de Here.'

Dat zijn bekende woorden, waarover nogal eens de staf gebroken wordt. Wat is dat toch voor God, die naar believen geeft en neemt en om zijn wispelturigheid dan ook nog geprezen moet worden? Drukt zo'n formule niet het failliet uit van een religie die menselijkheid opoffert aan blind geloof en elke emotie smoort?

Ik geloof niet zo in dat soort kritiek. Alsof het de grootvader in Dreyers film er om te doen was een soort hemelse boekhouding op te maken, waarvoor de Hoogste Baas ter verantwoording zou kunnen worden geroepen.

Net als alle rituelen drukken die woorden niet uit wat ze zeggen, maar worden ze gezegd om wat ze doen. En om een ritueel gaat het hier. Keer op keer herhaalt de grootvader zijn woorden, als een soort magische bezwering waarvan de letterlijke betekenis onbelangrijk geworden is.

Wie deze woorden in de mond neemt, kun je geen groter onrecht aandoen dan te denken dat daaruit een kil gebrek aan liefde spreekt. Alsof een veeleisende en jaloerse God belangrijker zou zijn dan de pijn om wie zojuist gestorven is. Ik denk dat het precies andersom is. Dat die woorden de laatste strohalm zijn waaraan de grootvader (en allen die gedaan hebben zoals hij) zich vastklampt om niet te bezwijken. Het wurgende verdriet kan alleen in bedwang worden gehouden door woorden die op dat ogenblik niet eens iets hoeven te betekenen.

Waar hij op dat ogenblik wel het minste behoefte aan heeft is aan theologische spitsvondigheden of een rechtsgang tegen God. De verbijstering zoekt een uitweg, en strikt genomen maakt het weinig uit of ze die vindt in beaming of in de ogenschijnlijk zoveel logischer weg van de vervloeking. Uiteindelijk getuigen ze allebei van dezelfde onmacht.

Aanvaarding zal ervoor in de plaats moeten komen, mèt of zonder God. Want als verbittering en ontzetting de overhand houden, stort alles in. Daarbij slaat ons denkvermogen een nogal bleek figuur, naast het bezwerende woord waarmee wij onze illusies schragen. We dwingen ons te geloven dat de dode in Gods hand is, of opgenomen in de rust van de natuur, of wat voor troostends dan ook. En op een oneindig frivolere maar niet wezenlijk andere manier, dat het ondraaglijke ijswater het lekkerste is wat ons ooit zou kunnen overkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden