Als scherf geboren

Hij was de grootste schrijver van zijn generatie - en omstreden was hij ook. Leren we Frans Kellendonk door zijn brieven beter kennen ?

JAAP GOEDEGEBUURE

Jaap Goedegebuure (1947) is emeritus hoogleraar letterkunde. Voor Letter&Geest recenseert hij Nederlandse literatuur.

Van Frans Kellendonk (1951-1990), bij leven de meest spraakmakende auteur van zijn generatie, bleven zoveel brieven bewaard dat er met gemak een boek van bijna vijfhonderd bladzijden uit viel samen te stellen.

Ik beleefde de afgelopen jaren het genoegen om die brieven samen met Oek de Jong uit de verstrooiing bijeen te brengen, ze over te typen, te annoteren en te bezorgen. Heb ik Kellendonk nu ook beter leren kennen dan toen ik alleen nog maar kon beschikken over zijn romans, verhalen en essays? Schrijver-criticus E. du Perron zou daarvan zonder meer zijn uitgegaan. In 'de minder opgesmukte, minder literaire mens van de correspondentie' zag deze kampioen van de onverhuld autobiografische literatuur karaktertrekken onthuld die voor het publiek doorgaans verborgen bleven.

Zelf weet ik dat zo net nog niet. In zogenaamd persoonlijke brieven valt even gemakkelijk een maskerade op te voeren als in fictie. Niet zelden kun je over een schrijver meer te weten komen aan de hand van zijn romans of gedichten dan met zijn correspondentie onder handbereik.

Natuurlijk, de afgelopen jaren heb ik Kellendonk wel degelijk van een andere kant leren kennen, bijvoorbeeld als de opgroeiende oudste zoon in een zeskoppig Nijmeegs, goed katholiek middenstandsgezin. Tijdens zijn puberteit ervaart die zoon een immense kloof ten opzichte van zijn vader. Maar op werkvakantie in Frankrijk, waar hij meehelpt aan het opknappen van een kerk, deelt hij zelfverzekerd in de bouwkundige expertise van Kellendonk senior, aannemer van beroep. Hij laat het thuisfront weten "dat ze die kerk beter gelijk kunnen afbreken, want de zandsteen, waarvan ze gebouwd is, in de 18e eeuw!, is helemaal verweerd en brokkelt bij de minste aanraking al af".

In zijn brieven naar huis richt de jonge Frans Kellendonk zich voornamelijk tot zijn moeder. Daarnaast heeft hij ook altijd wel een paar woorden paraat waaruit blijkt dat hij het beste voorheeft met zijn drie zussen, ook wanneer die daar zelf niet zo van gediend zijn. Hij voelt zich voor alles en nog wat verantwoordelijk, soms op het neurotische af, maar wanneer hij voor studie, wetenschappelijk onderzoek of onderwijsverplichtingen op reis moet en voor een tijd gescheiden is van zijn vaste partner, leeft hij allerminst celibatair. Herhaaldelijk noemt hij zichzelf een moralist, maar met de huis-, tuin- en keukenmoraal neemt hij het niet al te nauw.

Het markantste detail uit zijn puberjaren, door Kellendonk prijsgegeven toen hij in 1983 op aandrang van uitgever Jeroen Koolbergen over zijn godsbeeld schreef, kom je nu uitgerekend in zijn brieven niet tegen, ook niet in de meest openhartige. In een confessie die heel bijbels 'Beeld en gelijkenis' heet, vertelt hij hoe hij als elfjarige verpletterd werd door schaamte. "Ik schaamde me voor mijn moeder, die altijd de verkeerde kleren droeg. Voor mijn vader, die zo gruwelijk 'd'r neven' kon zwetsen, en voor zijn duitendieverij. Voor de neuzen van mijn schoenen. Voor mijn oren en mijn stem en het meest van al en eigenlijk voor het blote feit dat ik was wie ik was."

Schaamte en het daaraan ten grondslag liggende schuldgevoel zouden Kellendonk blijven kwellen, ook toen hij de groeipijnen van de puberteit al lang te boven was.

Die schaamte- en schuldgevoelens kunnen rustig aanspraak maken op het etiket 'existentieel'. Kellendonk had er permanent mee te kampen. Maar hij was ook de eerste om iets positiefs te zien in "het feit dat de mens een onaangepast schepsel is en dat er tussen zijn binnenwereld en de buitenwereld zonder ophouden een strijd woedt die diepe ellende voortbrengt". De bijvangst van de door hem als reëel ervaren erfzonde was immers ook een 'wonderbaarlijke kunst', die kon dienen om het menselijk bestaan en al het 'gedoe' daaromheen te rechtvaardigen met behulp van 'een transcendent verband'.

Zo'n directe relatie tussen het schrijverschap en de schrijversbiografie, zoals ik hierboven suggereerde, is natuurlijk een constructie achteraf, wat niet wil zeggen dat die daarmee ook minder waar en minder waard is. Nu we in Kellendonks brieven niet alleen zijn ontwikkeling van puber tot volwassene, maar ook de verhouding tussen levensfeiten en literaire werk kunnen nagaan, is duidelijk dat hij het schrijverschap al in een vroeg stadium als een missie opvatte.

Dat het transcendente verband, of liever gezegd het ontbreken daarvan, hem een zorg was, blijkt wanneer hij werkt aan het lange verhaal waarmee hij in 1977 debuteerde. 'Bouwval', dat zich afspeelt op de dag van Allerzielen en in zijn opbouw is geënt op de dodenmis, handelt over een desintegrerende familie die aan het begin van de jaren zestig model staat voor de snel veranderende Nederlandse samenleving. In een brief van 10 februari 1975 definieert hij zijn thema als 'continuïteit'. In 'Bouwval' spitst dat thema zich naar zijn zeggen toe op "de moeilijkheden die een jongetje, dat in 1961 tien jaar is, ondervindt bij het aansluiting vinden bij een familietraditie (en impliciet een maatschappelijke traditie)".

'Bouwval' was oorspronkelijk gepland als de eerste in een reeks 'Nijmeegse fabels'. Het werden er uiteindelijk niet meer dan twee, behalve 'Bouwval' ook het groteske verhaal 'Achter het licht', dat Kellendonk noemt als Fabel III in een brief van 6 maart 1974: "Een fabel is een knusse moralistische vertelling en ik heb nu aantekeningen voor een serie van vijf of zes van deze verhalen. Al zijn ze ieder op zich episodisch van aard, tesamen vertellen ze hoe een eigenwijs, dik en onsympathiek jongetje opgroeit in een provincieplaats die je niet zult herkennen, maar die ik bij gebrek aan fantasie 'Nijmegen' gedoopt heb.

Voor Fabels I en III heb ik al wat uitgebreidere noten. I gaat vooral over familie, over wat voor soort substantie de ziel is en over leeftijd en beleefdheid. III is een erotisch panorama: onze held wordt aan de hand van zijn Beatrice, Miss Troostig, geleid door een inferno van sexuele verschrikkingen (alledaagse homo-verschrikkingen, die veel erger zijn dan wat men zich gewoonlijk bij aberraties voorstelt). Het thema zou je kunnen omschrijven als: wat moet een mens in Nederland in 1974."

Onmiddellijk na deze verduidelijking van zijn cultuurkritische intenties laat Kellendonk een zinnetje volgen dat op een pikante manier vooruitloopt op de geruchtmakende roman 'Mystiek lichaam' (1986). De aankomende schrijver toont zich niet alleen gepreoccupeerd met de teloorgang van de conventionele gezins- en familieverbanden, maar ook met de 'homoseksualiteit als een afkappen van de traditie, ons aller culturele alma mater, etc.'

Het is andermaal karakteristiek voor Kellendonks fundamentele tweeslachtigheid dat hij, in 1974 al geruime tijd openlijk praktiserend homoseksueel, deze uitsmijter uit zijn pen gewrongen krijgt zonder ook maar even met zijn ogen te knipperen. In 'Mystiek lichaam' worden we geconfronteerd met de gedachte dat heteroseksuelen deel hebben aan 'de geschiedenis van het vlees', en daarmee ook aan een metafysisch vergezicht dat reikt van Genesis tot aan het Nieuwe Jeruzalem. Homo's staan daar buiten, jammer dan.

Zo'n uitspraak zou je eerder verwachten van een reactionaire katholiek, niet van iemand die naar eigen zeggen de roomse santenkraam achter zich gelaten heeft, zij het niet zonder spijt en heimwee; iemand die ervan overtuigd is dat hij als schrijver de plicht heeft om met behulp van de creatieve verbeelding het Koninkrijk Gods te realiseren, maar die te sceptisch is om de grote woorden geloof, hoop en liefde nog letterlijk te kunnen nemen en te onzeker over hun mogelijke herdefiniëring.

Behalve om de scheiding van heteroseksuele schapen en homoseksuele bokken baarde 'Mystiek lichaam' ook opzien vanwege de kakofonie van tegen elkaar in roepende stemmen. Bij monde van de personages hoorde je er treurnis om het verval van de christelijke huwelijksmoraal, maar ook een pleidooi voor het moederschap zonder dat daar een vader bij nodig is. Vader en zoon Gijselhart gaven blijk van gojse nijd jegens het Joodse volk dat de geschiedenis niet alleen heeft uitgevonden, maar daar ook een eerstgeboorterecht aan ontleent.

Criticus Aad Nuis zag in de laatstgenoemde tirades een aanleiding om in zijn recensie van 'Mystiek lichaam' te spreken van 'onmiskenbaar antisemitisme in sluiers van ironie' en stelde zonder omwegen vast 'dat de ideeënwereld die in deze fraai geconstrueerde geschiedenis verbeeld wordt, opvallend rijk is aan weerzinwekkende onzin'. Het kwam hem te staan op een woedende brief van Kellendonk. "Ik ben gefascineerd door het joodse gedachtengoed en door de joodse traditie binnen het christendom. Je hoeft niet eens van goede wil te zijn om dat te kunnen opmaken uit Mystiek lichaam. Maar wie staat te popelen om een baksteen te gooien doet zoiets liever gauw af als weerzinwekkende onzin. Die ziet liever 'onmiskenbare' spoken."

De ware tragiek die in 'Mystiek lichaam' toegedekt ligt onder de door Nuis en andere oppervlakkige lezers gewraakte sluiers van ironie raakt aan de déconfiture van het traditioneel-christelijke beeld van de geloofsgemeenschap als het lichaam van Christus. Kellendonk verdedigde dat traditionele leerstuk met zijn hart, maar verwierp het met zijn hoofd. Als kind van de moderniteit voelde hij zich niet langer bij machte de dogma's te aanvaarden, maar het was overduidelijk dat hij, bevangen door de emotionele kou en culturele kaalslag van de late twintigste eeuw, eigenlijk niets liever zou willen. Hij wenste de christelijke instituties te handhaven, uit angst voor een teloorgang van de sociale cohesie, maar hoewel hij graag geloof hechtte aan het religieuze fundament onder die instituties, kwam hij niet verder dan de dubbelzinnigheid van het gevleugeld geworden begrip 'oprecht veinzen' dat hij niet alleen reserveerde voor de romankunst maar ook voor de kern van de katholieke liturgie.

"Wanneer de priester op het meest dramatische ogenblik van de eucharistie de rol van Christus op zich neemt en in de directe rede zegt: 'Dit is mijn lichaam' en 'Dit is de kelk van mijn bloed', dan is dat niet zomaar een verwijzing naar het lijden: hij maakt die woorden op dat moment waar. Het is een theatrale handeling die tegenwoordig maakt." Aldus Kellendonk in 'Geschilderd eten' (1987), een diepgravend commentaar bij Vondels lange leerdicht 'Altaergeheimenissen'.

Hij had er de nodige theologische vakliteratuur voor geraadpleegd en loste daarmee een belofte in die hij deed in een brief van 19 november 1981: "Ik wil allereerst voortgaan met mijn schrijven natuurlijk, maar ik krijg zo langzamerhand het gevoel dat mijn literaire vooropleiding me daarbij eerder hindert dan helpt en de theologie biedt me zowel een milieu als een materie als een methode die me met mijn huidige obsessies een heel eind zouden kunnen helpen, stel ik me voor." Enigszins badinerend voegde hij daaraan toe: "En wie weet zal ik het ooit bestaan een habijt aan te trekken en de sacramenten toe te dienen!", daarmee vooruitlopend op een interview waarin hij zei dat hij in een vorig leven vast priester of politieagent geweest zou zijn. Zulke boutades zijn karakteristiek voor het balanceren op het scherp van de snede tussen ernst en doen alsof, en voor het zoeken naar een moraal die nooit absoluut is, maar ingeperkt blijft door ironisch voorbehoud.

Maar in de correspondentie zijn ook tal van passages te vinden waarin de ironie wijkt voor de ongeveinsde overtuiging dat de gemeenschap tussen mensen ertoe doet. Ik citeer tot slot een brief die dateert van Kerstmis 1984. Kellendonk omschrijft er wat religie voor hem betekent: 'het weer verbinden van wat verbroken is'. En hij vervolgt: "We worden allemaal als scherf geboren, eenzaam, en zoeken dan een andere scherf met een omtrek die past tegen de onze. Gemeenschap begint in bed. Liefde is de praktijk van de religie en ons enige middel om het dier dat we zijn, die louter economische functie, te transcenderen en om te worden tot wezens die deelhebben aan een bovenpersoonlijke eenheid. Er is een diep verband tussen het bed en de Kerk. Paulus draagt de geliefden van Ephesus op om één vlees, één lichaam te worden, zoals ook de Kerk één lichaam is, het mystieke lichaam van Christus (dat is precies de reden waarom er maar één ware Kerk kan bestaan). Ik ken geen andere gedachte die zo mooi en hoopvol is."

Het katern Letter&Geest is in 1989 bedacht door Jaffe Vink; de naam ontleende hij aan Augustinus' 'De Geest en de letter' (411) en vooral aan Frans Kellendonks spookverhaal 'Letter en geest' (1982). De zieke Kellendonk schreef: "De naam 'Letter&Geest' kun je gerust gebruiken." Hij had hem ook maar 'gejat van Paulus'; aan diens tweede Korintiërsbrief danken we de zegswijze 'de letter doodt, de geest maakt levend'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden