Als men dat Brabants eens zou zeven

Het Concertgebouw noemt de ingelijste namen van componisten aan zaalwand en balkon 'De eregalerij'. In de Amsterdamse Stadsschouwburg heet de hoefijzervormig gerangschikte parade van toneelschrijvers, acteurs of schouwburgdirecteur 'Het eerste balcon'. Deze zomer morrelt Trouw aan de muzikale en theatrale beroemdheden, die hun bestaan daar zo gebeiteld en omlijst verzekerd weten. Zijn hun wapenfeiten wel zo vanzelfsprekend? Moet er geen naam wijken voor een levende componist, dirigent, acteur, regisseur of toneelschrijver? Of moet juist een grootse dode alsnog van plaats wisselen met een nóg dodere grootsheid? En waartoe dan wel?

Is er een triester lot dan als zoetwaterrondvaartboot vereeuwigd worden? Kijk: daar vaart de 'Wim Kan', en ginds passeert de motorboot 'Erasmus' met de 'Rembrandt' in z'n kielzog - dat klinkt en rijmt en past toch zeker van geen kant?

Maar ook van een echt standbeeld moet je nog maar afwachten hoe dat er na je dood uit gaat zien, en vooral waar dat komt te staan. Met de rondvaartboot en het schlemielige standbeeldje dat ooit tegenover de Amsterdamse Stadsschouwburg stond, kreeg Wim Kan wel dubbeldiepe pech.

Maar wat daaraan te doen? Thorbecke en Rembrandt kunnen het helpen noch verhelpen dat hun gelijknamige pleinen in Amsterdam tot sliert-, seks- & snack oorden versloeberden, al staan hun voorname standbeelden wel degelijk op de juiste plek.

Misschien maar beter een grootheid helemaal niet met een standbeeld te eren. Diens werk zelf immers moet op eigen kracht zien voort te leven.

Nog steeds niet veilig, maar wel tamelijk intrigerender dan die miezerige rondvaartboot, wordt het standbeeld dat niet van de auteur, dichter of toneelschrijver maar van zijn personage verrijst. Dat Amsterdam in juni A.D. 2001 een 'Dag van de Zwembadpas' organiseert, waarop anonieme buurtbewoners en voortlevende beroemdheden als Simon Vinken oog lijfelijk voordoen hoe hoofdpersoon Kees de Jongen uit Theo Thijssens gelijknamige, in 1923 verschenen, roman het trefzekerst naar het zwembad liep - dat heet toch even kortweg als ronduit: monumentaal?

In de Spaanse streek La Mancha wemelt het van Don Quichot-standbeelden, in Brugge staat geen beeld van chansonnier Jacques Brel, maar wel een van zijn verdichte heldin Marieke.

Brel verdreef in deze serie de naam van zijn geestverwant Bredero van de balkonrand in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Nu Brels naam daar deze zomerweken triomfeerde, breekt de tijd aan om die 'uytsonderlycke Suyderlingh', zoals Bredero de Vlaamse zanger en dichter noemt, uit de theatrale namengalerij te lichten en Bredero opnieuw de plek te geven die hem toekomt. Hoewel hij er zich even hartstochtelijk als wanhopig aan ontworstelde, is Brel toch van Vlaanderen. Niet van Amsterdam. Al bezong hij Mokum als matrozenstad zinderend onstuimig.

Dans le port d'Amsterdam

Y a des marins qui boivent

Et qui boivent et reboivent

Et qui reboivent encore

Ils boivent à la santé

Des putains d'Amsterdam

De Hambourg ou d'ailleurs

Enfin ils boivent aux dames.

In de vertaling van Brel-biograaf Johan Anthierens:

,,In de haven van Amsterdam komen zeelui op verhaal. Zij komen dromen verdrinken en bij een juffrouw een Bataaf verwekken, soms komen zij van de bibberende loopplank om te sterven aan wal... In de haven van Amsterdam zie je zeelui hijsen, en drinken en innemen en zij gieten zich vol, zij toosten op de hoeren van Amsterdam en op hun zusters van Hamburg en hoe heet die andere haven ook weer, zij heffen het glas op havendames die hun lichaam voor een goudstuk verhuren... Als zij een stuk in de kraag hebben, waggelen de zeelui de nacht in, stropen de sterren van het firmament en pissen van pijn op de ontrouwe vrouw.''

De doorgewinterde Amsterdammer Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585 - 1618) kreeg in Amsterdam geen granieten of bronzen evenbeeld, maar wel een sculpturaal eerbetoon aan zijn personages Joncker Jerolimo Rodrigo en de snol Trijn Jans. De hoofdfiguur uit Bredero's blijspel 'Spaanschen Brabander' en zijn lichtekooi staan als standbeeld van Piet Esser op de Nieuwmarkt. Jerolimo dringt zich aan haar op.

(In de vertaling van Hessel Adema:)

O juffrouw, wees zo goed mij een gunst toe te staan

Doe uw slaaf een plezier en laat hem u eens kussen.

Trijn weert haar bronzen gezicht af:

Toe, Jonker, niet te brutaal. Toe, ga dat vuurtje blussen!

Verder dan een handkus komt Jerolimo niet: Je vo bassa la man. Al had hij in zijn hitsigheid ook de vlo willen kussen, ,,juffrouw, die op uw hond gezeten heeft''. Aan het begin van de 'Spaanse Brabanber' doet Jonker Jerolimo, die met Robbeknol een snaakse knecht krijgt, aan Don Quichot en Sancho Panza denken. Maar Jerolimo en Robbeknol staan allerminst op het punt om een vindingrijk aanvalsplan tegen de wereld te smeden; ze doen welbeschouwd niets, behalve lanterfanten en om eten en drank jengelen. Net als Don Quichot verwart Jerolimo snollen met edele jonkvrouwen - je moet de wereld nou eenmaal mooier proberen te zien dan die is. Jerolimo bezingt de hoertjes Trijn en Bleecke An in een crescenderend loflied:

Hoofse maagd, het is prachtig zoals u converseert.

Zoals bij de Parnassus het magisch water uit de bron ontsprong,

Zo vloeien de zoete woorden van uw tong.

De Muzen lesten met dat heerlijke water, de hipocrene, uw dorst;

Daarmee bent u gevoed en gezoogd, niet door uw moeders borst.

Wat klets ik toch, zottekop, alle goden, groot en klein,

Moeten wel in uw hoofd gehuisvest zijn.

Zij zingen daar hun melodieën in uw poëtisch brein.

O, jullie moeten Bataafsche priesteressen van Mercurius zijn!

Waarlijker, lieverdjes, ik geloof hoe langer hoe meer

Dat ik hier niet onder de mensen, maar onder nimfen verkeer.

Ik denk dat jullie dikwijls in de zilveren stroom van de Amstel baden

En zo nu en dan voor wat ontspanning hier naar de oever waden.

Al gauw blijkt Jerolimo tamelijk minder nobel dan Don Quichot, en ontpopt hij zich als platte praatjesmaker en gewiekste fielt. Hij belazert iedereen, en het ergste van alles: hij licht behalve de notaris, de schout met zijn 'rackers', middenstanders en huiseigenaren, nota bene ook paupers op. Als slot van het blijspel laat Bredero de toneelspelers rechtstreeks tot het publiek richten:

Maar wie de armen mensen zo gemeen het vel over de oren haalt,

Mag van mij aan de strop, zoals keizer Karel V in zijn wet bepaalt.

De 'Spaanse Brabander' is een uitermate talig stuk, waarin je op papier al proeft met hoeveel plezier Bredero naar pratende en desgewenst zwaar schmierende acteurs verlangt. Jerolimo snoeft over zijn zuidelijke afkomst en zijn superieure (Antwerpse) taal:

O, de Brabantse taal is groots, beschaafd en volkomen perfect,

Zo vriendelijk, zo levendig, zo lief en zo volmaakt correct,

Dat woorden te kort schieten. Ik gaf graag duizend pond

Als je 't net zo goed als mij of mijn petekind verstond.

(-)

Want wie 't Brabants beheerst, hoeft zich van geen andere taal iets aan te trekken.

Als je moeder nog maagd was, zou ik je als Brabander verwekken.

Waarop zijn knechtje Robbeknol in onversneden plat-Amsterdams de tegenaanval inzet:

Wel verdraaid, als men dat lelijke Brabants eens zou zeven

Of zuiveren, zoals de kruideniers doen met hun specerijen, zo waar ik leef:

Ik durf te wedden dat de helft er niet van over bleef

Als het Hof in Brussel ze eens zou verbannen, al die uitheemse woorden,

Zodat ze allemaal terug moesten naar waar ze oorspronkelijk hoorden,

Wat zou er dan een lange stoet vertrekken, allemachtig, hoe zielig en kaal

Zouden die brabbelaars staan te kijken met hun primitieve, armzalige taal.

De Nederlandse Comedie speelde de 'Spaanse Brabander' in 1969 onder regie van Erik Vos met Bob de Lange als Jerolimo en Henk van Ulsen als Robbeknol. Paroolrecensent Max Nord berichtte: ,,De overbruisende onstuimigheid en fantasie van de regie was al direct door Wim Vesseur (decor) zichtbaar gemaakt in een draaiend decor dat de suggestie van zeventiende-eeuwse Amsterdamse achterbuurten moest suggeren: Jerolimo en zijn knecht Robbeknol wonen bijvoorbeeld in een gebroken fles die met wat oude matrassen en een wrakke ladder is uitgerust. Dit draaidecor loste niet alleen het probleem van scènewisselingen uitermate sierlijk op, maar gaf ook en vooral vaart aan het tamelijk onbeweeg lijke gebeuren op het toneel.''

De voorstelling was zo'n succes dat de spelers in de Middelburgse schouwburg na de uitverkochte avondvoorstelling 'voor de Middelburgse elite', een nachtelijke voorstelling voor buiten demonstrerende jongeren gaven, die eveneens uitverkocht raakte. ,,Het jonge publiek was zo enthousiast over dit gebaar, dat tijdens de nachtvoorstelling spontaan 'n collecte werd gehouden die ruim fl470,-- opbracht. Dat bedrag werd aan Bob de Lange en Henk van Ulsen overhandigd. Eerst tegen half vijf vanmorgen keerde het gezelschap in Amsterdam terug'', aldus de chroniqueur op 18 maart 1969.

Bovenstaande besefte ik allemaal niet, toen ik in 1969 als twaalfjarige met mijn vader voor het eerst naar de schouwburg en voor het eerst naar een toneelvoorstelling ging. Dat krakende en kreunende draaidecor, die houten apenrots waarop de toneelspelers in vodden hun waterval van dialecten naar elkaar schreeuwden -dat deed mij oren, ogen en adem tekortschieten van bewondering. Dat kan ik ook, besliste ik ter plekke overmoedig, want ik was ervan overtuigd dat de acteur die Robbeknol speelde een leeftijdgenoot en dus ook twaalf jaar was. Niks piloot of brandweerman: toneelspeler worden, met ingang van nu! Een week later besloot ik regisseur te worden. Niets van terechtgekomen- 't kan verkeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden