Als Max gezien en gehoord wordt, kan hij alles

Werkt de nieuwe Wet passend onderwijs? Leerkrachten klagen over de vele zorgleerlingen. En de Kinderombudsman ziet nog te veel thuiszitters. Max (12) was geen makkelijke leerling, maar belandde toch in een gewone brugklas.

Gedragsproblemen waren er al langer, maar het laatste jaar was Max niet meer te houden. Hij was vaak boos, maakte ruzie. Soms liep hij gewoon weg. Zelfs de ouders van klasgenoten klaagden bij de directeur over 'die stoorzender' in groep acht. Uiteindelijk bleef Max maar thuis.

Deze middag schuift hij rustig aan tafel. Net terug van zijn huidige school, een paar kilometer verderop in Broek op Langedijk. Een gewone brugklas, havo/vwo. Een paar jaar terug had een kind na zo'n crisis op school al gauw een doorverwijzing naar het speciaal onderwijs te pakken. Dat bleek bij Max niet nodig.

Al vanaf de kleuterklas gedraagt Max zich anders dan andere kinderen. Hij wil niet mee naar verjaardagen, sportdag vindt hij vreselijk. Waar anderen snappen dat ze moeten stoppen met klieren, gaat hij te lang door. "Zo heeft hij de neiging zijn voet uit te steken", vertelt moeder Madeleine Christophersen. "Grappig bedoeld, maar je maakt er geen vrienden mee."

In groep zes wordt pdd-nos geconstateerd. Dat is een sociale en communicatieve stoornis, verwant aan autisme, maar een lichtere variant. Dat stempel helpt, zeggen zijn ouders. "Nu was het ook duidelijk voor de buitenwacht."

Stoornis klinkt nogal heftig als je Max ziet: twaalf jaar, blonde stekels in de gel. Oké, hij doet alleen mee aan het gesprek als je hem iets vraagt, maar daar hebben meer pubers last van.

Pdd-nos betekent vooral dat je prikkels moet voorkomen, zegt vader Egbert Christophersen. Klasgenoten moeten hem uitleggen hoe je samen speelt. Max sputtert. Helpen met spelen klinkt overdreven, vindt hij. "Het is meer dat ik de grappen vaak niet snap." Door de diagnose krijgt hij vanaf groep zes een zogenoemd rugzakje met een persoonlijk budget, waaruit een onderwijsassistent wordt betaald. Max maakt twee keer in de week schoolwerk bij haar, ze doen een samenwerkingsspel of volgen een methode om zijn boosheid te reguleren. Zeven jaar lang gaat dat goed, maar dan is het crisis. Een nieuwe juf, geen hulp meer van de onderwijsassistent: Max kan er niet mee omgaan.

Crisis op school

Bij een crisis op school komt tegenwoordig een expert in actie. In dit geval is dat Danne Noë van het samenwerkingsverband Primair Onderwijs Noord-Kennemerland. Noë - zelf jarenlang meester in het speciaal onderwijs - heeft elf scholen in zijn werkgebied. Hij weet wat ze te bieden hebben: de een heeft veel ervaring met kinderen met sociale stoornissen, de ander met taalachterstanden. Noë brengt betrokkenen bij elkaar en overlegt met de intern begeleider, de leerkracht, de leerplichtambtenaar, de directeur, de ouders, ook met Max zelf.

Er komt een 'groeidocument'; dat is iets nieuws. Nogal een boekwerk, zegt Danne Noë. "Het is een leidraad om samen uit te zoeken wat de leerling nodig heeft. Wat werkt belemmerend, wat stimuleert het leren, ook thuis en in zijn buurt. En uiteindelijk bekijken we samen welke school het best voorziet in de onderwijsbehoefte en of daar ondersteuning bij nodig is."

Noë is een paar weken zoet met de kwestie-Max. De school denkt dat de jongen naar het speciaal onderwijs moet om groep acht af te maken. Maar 'passend onderwijs' betekent dat de ouders nadrukkelijk meepraten.

Terwijl zijn ouders en Noë hun verhaal vertellen, pakt Max er een memoblokje bij. Creatief vouwt hij de velletjes tot kunstwerkjes. Daar wordt-ie rustig van, zegt zijn moeder.

Volgens de ouders ging de school te veel uit van de crisissituatie. "Waarom moest Max nog een half jaar naar speciaal onderwijs, terwijl het al die jaren ervoor goed is gegaan?"

Blijven was geen optie, dat zag moeder Madeleine zelf ook. "In de eigen groep kreeg hij geen kans meer." Max valt haar bij: "Ik wilde ook niet. Ik hoorde alleen nog negatieve dingen. Niet dat ze echt nare dingen tegen mij zeiden, maar zo voelde het wel." Bij de directeur aanschuiven was ook geen optie. "Dat vond ik niks. Dan hoor je net zo goed niet bij een klas."

Uiteindelijk noemt Madeleine 'De Boomladder'. Aarzelend, want daar werkt ze zelf. Maar die basisschool heeft een speciaal lokaal voor onderwijsondersteuning mét een gespecialiseerde onderwijzer. En juf Marjon werkt er.

De Boomladder staat een wijk verderop. Na vieren is het er muisstil, juffen zitten alleen in hun lokaal, de schoonmaakster checkt de gangen. In de directiekamer vertelt juf Marjon Broers dat ze niet lang aarzelde toen ze over Max hoorde. "Kom maar op. Het kan toch niet dat zo'n jongen thuis zit! Ik heb ervaring, de organisatie van mijn klas is in orde, ik kan dit."

"Heel nobel natuurlijk, maar we hebben eerst gekeken of we dat konden waarmaken", vult directeur Dorien Vader aan. In eerste instantie leek een speciale school logischer. Max zat echt in de put en in de klas was het behoorlijk uit de hand gelopen. "Je wilt niet dat hij na een maand wéér naar een andere school moet."

Met haar lokaal voor onderwijsondersteuning liep de school vijf jaar geleden al vooruit op passend onderwijs. Het is niet alleen voor de vroegere 'rugzakleerlingen' bedoeld, maar ook voor kinderen met wie het even niet zo lekker gaat, bijvoorbeeld omdat hun ouders in scheiding liggen.

De directeur vindt haar school ook om andere redenen geschikt voor de opvang van zorgleerlingen. 'Duidelijkheid, structuur, veiligheid en rust' staat er op een kleurige poster aan de muur. De gangen zijn nú stil, maar overdag ook, is het streven. Er wordt niet gegild of gerend. Ouders mogen tot groep drie mee naar binnen, daarna nemen ze afscheid op de stoep. "Op andere momenten zijn ze heel welkom hoor", grapt directeur Vader.

Ruzie bij de kapstok

Voor Max was dat nog niet evident: rustig naarbinnen lopen. Op de vorige school kwam hij amper zonder ruzie bij de kapstok. Marjon Broers: "'Dan ga je gewoon eerst even naast mij staan', stelde ik voor. 'En als iedereen weg is, hang jij je spullen op'." Het verbaasde hem zelf ook dat het goed ging.

Uiteindelijk heeft Max het extra lokaal niet eens nodig. Marjon kan het af met haar 'pedagogisch hart' en 'vertrouwen'. Elke dag na school bespreekt ze met hem wat er goed en minder goed is gegaan. "Het leek of Max zich voor het eerst realiseerde dat hij kwaliteiten had. Het is een heel attente jongen. Maar ook grappig."

Als je ook de positieve dingen benoemt, krijgen kinderen een beter zelfbeeld en leren ze keuzes maken, weet Broers. "Zo weet Max nu dat hij bij conflicten zelf een rol speelt en ervan weg kan blijven."

Dorien Vader had met de wet op passend onderwijs gehoopt op minder bureaucratie. "Er zijn geen indicaties meer voor rugzakjes, minder geleur om geld. Maar voordat je hulp kunt inschakelen, moet je toch eerst onderzoek doen, documenten aanleveren." Ze tikt op een dikke map met gegevens over zorgleerlingen. "Er is beter contact met de leerplichtambtenaar en met jeugd- en gezinscoaches. Maar de inspectie rekent de school nog steeds af op prestaties. Max is nu door naar havo/vwo, maar dat is natuurlijk niet elke zorgleerling gegeven."

Passend onderwijs kost ook tijd. Het afsluitende kwartiertje met Max elke dag, dat was Broers eigen tijd. Het vraagt wat van je, maar het is heel fijn dat hij nu gewoon functioneert, zegt ze. "Zo hoort het. Ook al hebben kinderen extra zorg nodig, je moet ze niet buiten de samenleving plaatsen. Niemand wil met de bus naar een aparte school."

Terug naar de familie Christophersen. Terwijl ze in groep zeven nog uitgingen van een schakeljaar in een orthopedagogisch didactisch centrum, draait Max nu mee op de reguliere scholengemeenschap Jan Arentsz. Het is een kleine school, zegt zijn vader. "Havo/vwo in dubbele blokuren, zodat hij maar drie verschillende leraren per dag voor zijn neus heeft. Inmiddels kunnen ze in een paar woorden uitleggen wat hun zoon nodig heeft: duidelijkheid, structuur en positieve aandacht. Egbert: "Natuurlijk houdt hij zijn onrust. Hij kan moeilijk filteren. Het is als een emmertje dat je elke dag even moet legen, anders wordt het te vol in zijn hoofd."

Op het Jan Arentsz heeft Max twee keer per week een gesprek met de leerlingbegeleider. Madeleine: "Als hij gezien en gehoord wordt, kan hij alles."

De ouders hebben een week geleden kennisgemaakt met de docenten. "U bent van Max? O, die kennen we wel. Hij is wat onrustig in de les."

"Het helpt nu ze weten wat er aan de hand is", zegt moeder. Max mocht vandaag zelfs zijn velletjes vouwen tijdens Frans, vertelt hij. "En aan het eind van de les deelde ik ze uit."

Dan maakt hij een eind aan het gesprek. Hij heeft een uur aan tafel gezeten én gevouwen. "Mag ik nu naar mijn kamer?"

Ieder op de juiste plek

De Kinderombudsman concludeerde deze maand dat er veel misgaat met passend onderwijs. Succesverhalen hangen nog te veel af van individuele leraren en schoolbesturen met lef. Samenwerkingsverbanden die ervoor moeten zorgen dat elk kind op een school terechtkomt die bij hem past, zouden financiële en organisatorische belangen zwaarder laten wegen dan de belangen van het kind.

Astrid Ottenheym, directeur van het samenwerkingsverband Noord-Kennemerland, vindt dat er te veel geklaagd wordt over wat er niet goed gaat. "Het grote voordeel is dat nu wordt samengewerkt. De begeleidende expert is onderwijskundige, niet iemand die het kind aan een medische keuring onderwerpt. Geen uitgebreide aanvraagformulieren, maar een gezamenlijk plan, waarbij de ouders intensief betrokken zijn."

Ging er voorheen iets mis op school, dan was het aan de ouders om financiering aan te vragen voor ondersteuning of een indicatie voor speciaal onderwijs. Kon een kind niet terecht op de school van aanmelding, dan moesten de ouders op zoek naar een alternatief.

Sinds 1 augustus 2014 is er de Wet passend onderwijs. Die verplicht alle scholen voor iedere leerling plek te maken. Nederland telt 76 samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs. SWVPO Noord-Kennemerland verbindt de 103 basisscholen in Alkmaar, Heerhugowaard, Heiloo en Broek op Langedijk. Daar gaan 21.000 leerlingen naar school, maar echt bemoeienis hebben de onderwijsexperts met de 650 kinderen uit het speciaal (basis)onderwijs en zo'n 500 kinderen die extra ondersteuning krijgen op de gewone basisscholen.

Experts zoals Danne Noë hebben elk negen tot veertien scholen onder hun hoede. Ze komen er heel regelmatig en kennen de interne begeleiders. Ze hebben ook direct contact met jeugdhulpverleners, leerlingenvervoer en leerplichtambtenaar.

Elk werkgebied heeft een eigen budget, waarop scholen aanspraak kunnen maken. Maar pas als ze hebben geformuleerd welke hulp nodig is, benadrukt Ottenheym. "Je kijkt heel gericht wat een leerling nodig heeft en daar zoek je een oplossing voor. Je denkt niet vanuit geld maar vanuit de vraag. Dat is voor iedereen wennen."

Ook het probleem van kinderen die thuis zitten, speelt nauwelijks in Kennemerland. Ottenheym: "Achttien kinderen hebben we dit jaar op een goede plek gekregen, met twee vierjarigen is het nog niet gelukt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden