'Als je verkracht bent, ben je besmeurd'

Anne (53) werd als studente in haar eigen bed verkracht door een inbreker. Ze bleef min of meer op de been, tot ze volledig instortte. Deel 3 van een serie waarin Asha ten Broeke de verhalen van vijf vrouwen optekent.

Het kleine Groningse dorp waar ik opgroeide, vond ik vrij bekrompen. Ik had een grote behoefte om verder te kijken. Dus ging ik, als verlegen, protestants meisje, uit huis om in Leeuwarden de lerarenopleiding te doen. Het waren de jaren tachtig, ik was negentien jaar. Ik feestte veel. Ik deed mezelf groot voor, maar ik was ook onzeker. Soms was ik heel eenzaam. Ik wilde wel een partner, maar ik durfde niks. Dan kreeg ik huilbuien. En vreetbuien, ik ging mijn emoties wegeten. Ik wist ook niet wat ik moest met al dat gevoel. Thuis was het van: hard werken, niks laten merken. Kop d'r veur. Over emoties werd niet gepraat. Niemand heeft me geleerd dat je bijzonder bent, gewoon om wie je bent.

En toen werd ik verliefd. Op een leuke jongen, een vrijgevochten kunstenaarstype. Hij ging vreemd, maar dat deerde me niet. Hij kwam toch steeds weer terug naar mij. We maakten plannen samen. We hadden het erover om samen naar Israël te gaan, naar een kibboets. Dat deden mensen toen. Maar eerst wilde hij nog even langs de dokter, omdat hij steeds zo'n pijn in zijn heup had.

Het bleek botkanker te zijn. Een half jaar later was hij dood.

Ik dacht: ik moet gewoon sterk blijven. Dus was ik sterk. Er kwam een enorme kracht in me vrij. Ik dacht: het allerergste heb ik nu meegemaakt. En ik leef nog. Vanaf nu kan ik alles aan.

Natuurlijk had ik het ook moeilijk. Op een avond dat mijn huisgenoot niet thuis was, had ik urenlang huilend MTV zitten kijken. Uiteindelijk ging ik naar bed. Maar midden in de nacht werd ik wakker gemaakt. Op de rand van mijn bed zat een man, helemaal in het zwart gekleed, met een bivakmuts op. Op mijn hals voelde ik iets kouds, van metaal. Ik denk dat het een mes was. Ik wilde omhoog komen, maar dat mocht niet.

Hij vroeg me of ik geld in huis had. Dat had ik niet. Dus pakte hij mij. Vanaf dat moment wilde ik alleen maar overleven. Terwijl hij met mijn lijf bezig was, zat ik in mijn hoofd. Alsof ik niet bij mijn lichaam hoorde, alsof wat er gebeurde niet echt met mij gebeurde. Ik weet alleen nog wat ik steeds maar tegen hem zei: 'Nee, nee. Dit kun je niet doen. Het is niet eerlijk. Mijn vriend is net dood.'

Portemonnee
Toen hij klaar was, dwong hij me op te staan. Ik nam hem mee naar mijn portemonnee, om hem te laten zien dat er echt geen geld in zat. Wel een foto van mijn vriend, van toen hij al ziek was, helemaal vermagerd. Die liet ik hem zien. "Kijk, zie je, dat is mijn vriend. Hij is net dood." Maar hij wilde er niet eens naar kijken.

Ik moest de badkamer binnengaan. Ik dacht: nu gaat hij me vermoorden. Het is misschien een rare gedachte, maar ik zag het ineens voor me, want de badkamer is immers een handige plek voor een moord, omdat je daar het bloed gemakkelijk kunt wegspoelen. Maar in plaats daarvan sloot hij me op. Hij bond de deur dicht met de telefoonkabel die hij van de muur had gerukt.

Toen ik hoorde dat hij weg was, heb ik mezelf bevrijd. Ik trok snel wat aan, en ben naar de bovenburen gegaan. Daar heb ik net zo lang op de deur staan bonzen tot ze opendeden. Ze hebben meteen de politie gebeld. Ik herinner me nog dat de pyjama die ik aan had, mee moest in een plastic zak. En ik herinner me het politiebureau. Oh, dat was echt de hel. Om bij de onderzoekskamer te komen, moest je een heel lange gang door, langs de cellen van de mannen die die nacht waren opgepakt. Ze keken me aan: tussen mij en hen zaten alleen maar tralies. Afschuwelijk vond ik dat.

Politiebureau
Op het politiebureau heb ik geen vrouw gezien. Er was geen enkele emotionele begeleiding. Alleen de vraag: wil je een maatschappelijk werker? Wil je stoppen met school? Maar daar was ik toen helemaal niet mee bezig, met zulke vragen. Ik was helemaal alleen, mijn vrienden waren niet mee. Er was enkel een man die een uitstrijkje maakte, en die mijn schaamhaar kamde voor het geval er een haartje van hem tussen zou zitten. Afschuwelijk was het. Het was bijna net zo erg als de verkrachting zelf.

Na de onderzoeken bracht de politie mij weer naar mijn vrienden. Zij hadden geen douche, maar kenden iemand verderop die er zelf een op zolder had gemaakt. Daar kon ik eindelijk douchen.

Daarna wilde ik weer gewoon sterk zijn. Ik was immers net weer opgekrabbeld na de dood van mijn vriend. Ik dacht: ik laat me door zo'n vent niet gek maken. Maar terug naar huis kon ik niet. Ik heb daar nooit meer een nacht geslapen. Eén keer ben ik teruggeweest, toen mijn spullen verhuisd werden naar mijn nieuwe flat - niet meer op de begane grond, dat wilde ik echt nooit meer. Iemand had gezegd: volgens mij moet je je eens flink boos maken. Om die emoties eruit te krijgen. Dus heb ik in mijn oude huis de televisie in elkaar geslagen. Maar dat hielp echt helemaal niets. Ik was ook eigenlijk niet boos. Het was vooral mijn eigenwaarde, die was diep aangetast door de verkrachting. Je voelt je toch een soort ding. En ik was bang. De dader is nooit gepakt. Zelf door de stad fietsen durfde ik niet meer. Dan zat ik achterop bij een vriendin, ineengedoken tegen haar rug. Want stel je voor dat we hem tegen zouden komen en hij mij zou herkennen.

Thuis werd er niet over gepraat. De dag nadat het gebeurd was, had ik mijn moeder gebeld, en die was meteen gekomen. Maar ze kon niet op haar werk vertellen waarom ze zo halsoverkop naar me toe moest. Ze was bang dat het dan het hele dorp zou doorgaan. Dat vond ik heel erg. Een soort gebrek aan erkenning, zo voelde dat. Hulpverlening was er ook niet. Alleen vrienden die ook niet wisten wat ze ermee aanmoesten. Als je verkracht bent, ben je besmeurd. Het is echt een taboe. Mensen kunnen zich daar niet toe verhouden.

Dus overleefde ik op jeugdige veerkracht. Ik werd heel feministisch. Ik leerde echt goed de Bijbel lezen; als iets wat je niet los kunt zien van de tijd waarin het werd geschreven. Dat je alleen de moraal van de verhalen naar het nu kunt vertalen, niet de letterlijke tekst. Doordat ik op die manier de Bijbel las, liet ik het geloof los waarmee ik was opgevoed.

Mijn ouders konden niet verkroppen dat ik niet meer geloofde op de manier waarop zij geloven. We zijn zelfs nog in gezinstherapie geweest. Ik wilde dat ze me respecteerden. Dat ligt nog steeds moeilijk. Het komt denk ik pas weer echt goed als ik het geloof weer omarm. Maar ik heb te veel ellende gezien om nog in God te geloven.

Ik studeerde af als leraar en ging het onderwijs in. Dat heeft niet lang geduurd. Na een half jaar raakte ik overspannen. Maar weer krabbelde ik op. Ik dacht: nu moet ik iets heel anders doen. Dus verhuisde ik naar Amsterdam, en ging daar antropologie studeren. Ik wilde weten hoe de wereld in elkaar zat. Dus ik leerde over beleid, politiek, vrouwenzaken. Dat was ge-wel-dig. Ik ging weer aan het werk. En weer raakte ik overspannen. Dat bleef zo doorgaan. Elke paar jaar viel ik om.

In Amsterdam was hulp speciaal voor verkrachte vrouwen. De therapeuten waren zelf ook verkracht. Zij konden je echt leren hoe je ermee om kon gaan. En er was zelfverdedigingsles. Wat doe je als je gevolgd wordt? Als er een groepje jongens op straat staat waar je niet langs wilt? Loop rechtop, want je houding kan iets doen met hoe je je voelt. Later ging ik ook yoga doen en haptonomie. Ik wilde me mijn lijf weer toe-eigenen.

Het is telkens weer: kop d'r veur. Ik heb die levenskracht, die me voortdrijft. Ook al viel ik steeds om, ik ging ook steeds weer aan het werk. Ik gaf bijvoorbeeld trainingen over groepsprocessen. Daar genoot ik van. Het was keihard werken, ik bleef me ontwikkelen. Maar ik was ook bang: straks zien ze dat ik eigenlijk niet zo goed ben als zij denken. Het begon me te dagen dat mijn gevoelsleven iets anders in elkaar stak dan dat van anderen.

Akkefietje
Door het overlijden van vrienden kreeg ik het zwaar. Ik klapte weer in elkaar, maar nu harder dan eerst. Het begon met een akkefietje op mijn werk: ik moest een training geven en er was geen videocamera waarmee ik de mensen die ik zou trainen, kon opnemen. Ik moest huilen, maar ja, dat ging niet, dus ik poetste mijn tranen weg en heb de training gedaan. Anne is sterk. Maar eenmaal thuis begon ik met huilen. En ik kon niet meer stoppen. Echt niet. Dus ging ik naar de huisarts. Huilend zat ik in de wachtkamer, huilend ging ik de spreekkamer in. De huisarts schreef kalmeringsmiddelen voor, en een bezoek aan een psychologisch instituut. Daar kwam men al snel tot de conclusie: u heeft een depressie.

Achteraf gezien heb ik dat natuurlijk vaker gehad. Wat ik nu voelde, kwam me bekend voor, al sinds mijn puberteit, alleen was het nu veel erger. Ik wilde niet dood, maar ik wilde er wel graag niet meer zijn. Slapen en niet meer wakker worden. Het is nooit als depressie herkend. Ik kom te sterk over, denk ik.

Sindsdien heb ik niet meer gewerkt. De depressies keren steeds terug. Het is leefbaar, zolang ik mijn dagelijkse ritme heb. Het is een vorm van geestelijke hygiëne. Ik doe aan handwerken, aan mediteren. Ik heb wel een re-integratietraject geprobeerd, maar dat werd niets. Ik zie een psychiater, slik antidepressiva. Mijn baan is gezond blijven.

En soms komt het terug. Het is een chronische ziekte, het wordt niet beter. De kans dat ik zo depressief was geworden als 'het' niet was gebeurd, is denk ik wel kleiner.

Natuurlijk zijn er ook mooie dingen. Ik heb een fijne partner, een fijn huis. Voor het eerst woon ik weer op de begane grond. Als ik nu zo'n depressieve dag heb, denk ik: oké, nu maar zien hoe ik dit zo goed mogelijk doorkom. Morgen is er weer een dag en die is misschien anders.

Er is meer dan alleen die donkere dagen. Pas nu leer ik dat ik er mag zijn. Niet omdat ik iets goed kan, of iets nuttigs doe, of een leuke baan heb, maar gewoon, omdat ik leef. Omdat ik er ben. Soms is het al oké om gewoon de hele dag geademd te hebben.

Ontstaan van de serie
Asha ten Broeke beschreef op 21 januari 2013 in haar column hoe ze op haar achttiende werd verkracht door de vriend van haar vriendje. De column maakte veel los. Sommigen vonden dat het Ten Broeke's eigen schuld was, andere vrouwen vatten moed en vertelden hun eigen verhaal. Onder hun eigen naam, omdat er eigenlijk niets is om je voor te schamen. De verhalen gaan niet alleen over hun verkrachting. Ze gaan over hun complete leven. Want net zo min als deze vrouwen schuld hebben aan wat hen overkwam, zijn ze eeuwige slachtoffers.

Dit is de derde aflevering in een serie van vijf verhalen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden