ALS JE TWEE RUINES SAMENVOEGT HEB JE NOG GEEN NIEUW HUIS

Het herenigde Duitsland wordt niet alleen door loonverschillen en eigendomskwesties verscheurd. Ook over de integriteit van DDR-intellectuelen wordt een verbitterde strijd gevoerd. 'Kunst bleibt Kunst' bezweert een eenzame kreet in het Sperrgebiet tussen het oude West- en Oost-Berlijn. Maar de Akademie der Kunste van West is diep verdeeld over een klakkeloze fusie met de Akademie van Oost, 'niets minder dan een collectieve, soepele sprong in het vergeten'.

Deel uitmaken van het gezelschap van de Akademie geldt als de bevestiging van een uitzonderlijk kunstenaarschap. Nooteboom bevindt zich in het gezelschap van illustere voorgangers, want het weinig protserige onderkomen ten spijt, torst de Berlijnse Akademie een monumentaal verleden met zich mee: bijna driehonderd jaar van Pruisisch-Duitse, koninklijke, republikeinse, fascistische, en - gespleten - democratische en DDR-socialistische historie.

De ledenlijst vermeldt bij de afdeling muziek de namen van Wagner, Saint-Saens, Grieg, Strawinsky, Schonberg, bij de afdeling beeldende kunst die van Kollwitz, Kokoschka, Dix, Picasso, Baselitz, bij de afdeling architectuur die van Schinkel, Taut, Mies van der Rohe, bij de afdeling literatuur die van Goethe, de gebroeders Mann, Rilke, Hesse, Werfel en Doblin. De lijst leest als een verzameling lemmata uit een encyclopedie van de kunstgeschiedenis.

Maar het instituut dat Nooteboom anno 1992 betreedt heeft weinig van een eerbiedwaardige elite-societeit: eerder moet hij zich op een terrein wanen waar zojuist een veldslag heeft gewoed. De Akademie is een rune.

De strijd die hier begin dit jaar ontbrandde, is een geloofstrijd, voortgekomen uit de weeen van na-oorlogse deling en hereniging. Nooteboom ontving zijn lauweren op het moment dat het prestige van de Akademie in stukken barstte, in een Duits-Duitse botsing tussen twee diametraal tegenovergestelde denksystemen. De gang die de Akademie der Kunste in Berlijn sinds de Wende maakte is een leerstuk voor Duitslands moeizame samensmelting.

De geschiedenis van de Akademie der Kunste, een van de oudste kunstinstellingen van Europa, volgde de golfbewegingen van de Duitse staat in wording, in verval en wederopstanding. De namen, statuten en zetels wisselden: in 1696 begonnen als de Konigliche Akademie der Kunste und mechanischen Wissenschaften zu Berlin, heette het instituut na de revolutie van 1918/19 Preussische Akademie der Kunste, al werd nog jarenlang met spijt het woord 'koninklijke' met de hand uit de briefhoofden weggestreept. Van een leerinstituut ontwikkelde de Akademie zich tot een verzameling van meesters die de opdracht hadden het aanzien van de kunst te vergroten, de algemene smaak op een hoger plan te brengen en de vorst in kunstzaken te adviseren. Menigmaal presenteerde de Akademie zich als een monumentenzorg avant-lalettre, als ze zich inzette voor de esthetiek van het stadsbeeld en was zij - tot 1933 een vluchthaven tegen absolutisme en bevoogding van de staat.

Na verschillende verhuizingen moest de Akademie in 1937 haar toenmalige zetel in het Arnimsche Palais aan de Pariser Platz (naast de Brandenburger Tor) ruimen voor Albert Speers Generalbaudirektion. Ze verhuisde nog een keer: naar het Kronprinzenpalast aan Unter den Linden. De in '33 door de nazi's gelijkgeschakelde Akademie, die in dat jaar al haar belangrijke leden verloor, ging in '45 met Hitler-Duitsland ten onder: het Kronprinzenpalast brandde geheel uit.

Na de oorlog splitsten zich land, stad en geesten. In 1950 richtte de DDR in Oost-Berlijn een eigen Akademie der Kunste op, die als staatsakademie alle belangrijke kunstenaars in zich moest verenigen. Zoals in het ijzeren en mechanische opvoedingssysteem van de DDR de kunstenaar gezien werd als de ingenieur van de ziel, zo stelde de DDR-Akademie zich per statuut tot taak 'een partijgebonden kunst van het socialistisch realisme, die bijdraagt tot de vorming van socialistische persoonlijkheden' te ontwikkelen en te verbreiden.

In 1954 kwam daarop in West-Berlijn het antwoord: daar ontstond de Westberlijnse Akademie der Kunste, waar men op de bres stond voor de vrijheid van de kunst en haar beoefenaren. Gepolitiseerd waren beide: de collaborerende Oost-Akademie als artistiek uithangbord van het regime, de West-Akademie (vooral onder het presidentschap van Gunter Grass) als verdediger van dissidente kunstenaars in het Oostblok die tussen de raderen van de repressie vermalen dreigden te worden.

Dat de twee extremen elkaar ooit zouden raken, heeft waarschijnlijk niemand voorzien, maar de Duitse hereniging, die twee jaar geleden alles en iedereen overviel, is inmiddels hard op de grenzen van het herenigbare gestoten. Over eigendomsverhoudingen, over schuldvragen, over loonverschillen, maar ook over de waarachtigheid en integriteit van DDR-intellectuelen worden nog steeds verbitterde gevechten geleverd.

Schrijver Gunter Grass heeft zich altijd verzet tegen het opgaan van de DDR in de Bondsrepubliek en waarschuwde tegen de gevaren van Westduitse annexatie en kolonisatie. Ook wenst hij niet a priori aan de oprechtheid van de vroegere DDR-literatuur te twijfelen. Tijdens een bezoek in april aan de boekenbeurs in Leipzig zei hij: "Het is verkeerd te doen alsof alles wat hier de laatste 45 jaar is gebeurd plotseling niet meer bestaat. Het leven van miljoenen mensen mag niet worden ontkend."

Maar wat moet men aan met een onbruikbaar geraakte DDR-Akademie die nog in haar Mededelingenblad van januari 1990 lovend een plastiek van Akademielid en beeldhouwer Werner Stotzer bespreekt dat wordt overhandigd aan een onderdeel van de NVA, het volksleger van de DDR, en die kunstenaars en soldaten gelijkstelt in hun dienende functie voor het volk?

Toen de Berlijnse senaat in datzelfde jaar besloot dat de herenigde stad met een Akademie voldoende was bediend en de Oost-Akademie per 1 april 1992 moest worden opgeheven, grepen de leden van de Oost-Akademie het initiatief om via een pijnlijke, interne verkiezing hun eigen ledental te decimeren om na deze zelfreiniging de minst belaste kameraden ter overname in de West-Akademie aan te bieden.

In december 1991 presenteerden zich tenslotte 45 kunstenaars van de Oost-Akademie - onder wie de eerder genoemde Strotzer - als 'overname-rijp'. Echter, om van verdere, in hun ogen vernederende toelatingsprocedures verschoond te blijven eisten zij, onder leiding van hun president, de schrijver Heiner Muller, dat zij als collectief (het woord is in dit verband niet zonder betekenis) zouden worden opgenomen in de West-Akademie.

Zo'n stap vergde echter een eenmalige statuutswijziging: volgens het reglement van de West-Akademie kunnen personen uitsluitend individueel en met instemming van de leden van de betrokken afdelingen worden opgenomen. Walter Jens, de 79-jarige president van de West-Akademie, voelde zich evenwel geroepen de 'kloof tussen oost en west' te verkleinen en een 'humaan' gebaar te maken: "We kunnen niet zeggen: jullie hebben bij jezelf de lagere wijding ontvangen, bij ons krijg je de hogere. Maar nog belangrijker is dat een 'nee' tegen de overname het definitieve einde betekent van de Oost-Akademie. We zouden moordenaars van een cultuur zijn die we in goed Hegeliaanse zin hadden moeten bewaren."

Jens riep een buitengewone ledenvergadering bijeen, die op 1 februari van dit jaar plaatsvond, en waarbij 88 van de 256 leden van de WestAkademie aanwezig waren. Die geringe opkomst zou later geweten worden aan manipulaties in het versturen van uitnodigingen - waarschijnlijker is dat de meeste kunstenaars nu eenmaal geen vergaderdieren zijn en zich wellicht niet voldoende bewust waren van de portee van de agenda.

Op die agenda stond een stemming over de 'en bloc' overname van de 45 oost-kunstenaars en Jens kreeg met 59 voor-stemmers zijn vereiste tweederde meerderheid. Alleen de senaat van Berlijn moest de unieke breuk in de statuten nog goedkeuren, maar CDU-burgemeester Eberhard Diepgen had bij Jens al laten doorschemeren geen bezwaren te hebben. Tot de 45 DDRkunstenaars behoorden de beeldhouwer Theo Balden (1967, Nationale Prijs, III. Klasse, Vaderlandse Orde van Verdienste, Karl Marx-Orde), de beeldhouwer Jo Jastram die een Karl Marx-monument maakte voor het rode terreurbewind in het Ethiopische Addis Abeba, de componist Gunter Kochan, overladen met staatsonderscheidingen en lid van het centraal comite van de SED, de auteur Gunter Rucker, in 1963 scenario-schrijver voor de neostalinistische propaganda-film 'Het Russische Wonder' en de regisseur Manfred Wekwerth, oud SED-kultuurfunctionaris en lid van het centraal comite, die vorig jaar als intendant van het Berliner Ensemble (het theater van Brecht) afgezet.

De 'coup' van Walter Jens veroorzaakte een storm van kritiek. In een open brief drukten oud DDR-dissidenten als Wolf Biermann, Freya Klier, Hans Joachim Schadlich en Barbel Bohley hun ontzetting uit over het voornemen van Jens en de zijnen en noemden het een klap in het gezicht van al degenen die zich tegen het DDRregime hebben verzet.

Het zogenaamde humane gebaar van Jens maakte in deze kring geen enkele indruk. De schrijfster Freya Klier zei in een column: " Bij deze en-bloc overname gaat het toch niet om de redding van de Oostduitse identiteit. Het gaat om niets minder dan een collectieve, soepele sprong in het vergeten." En Wolfgang Templin, oud lid van een burgerrechtenbeweging in de DDR, schreef: "De vroegere verzetsmensen en schrijvers wordt intolerantie en inquisitie-lust verweten, alleen maar omdat ze niet bereid zijn de samenzwering van de oostelijke staatselite met vele west-intellectuelen te bedekken met de mantel van het zwijgen."

In krantecommentaren, ingezonden brieven en interviews uitten ook leden van de West-Akademie hun verontwaardiging over de wijze waarop Jens een zo gevoelige zaak had doorgedrukt. Voorop liepen voormalige Oostduitse schrijvers die jaren geleden al gedwongen waren geweest om hun proza de DDR te verlaten.

Enkele van hen, zoals Gunter Kunert en Reiner Kunze, kondigden aan hun Akademie-lidmaatschap op te zeggen. Kort daarop volgde een golfje van opzeggingen, vooral de afdeling Beeldende Kunst trof het zwaar. Achttien leden, onder wie Georg Baselitz en Gerhard Richter, bedankten voor de eer hun Akademie te moeten delen met kunstenaars die zich in de sociaalkritische traditie van Kathe Kollwitz en Otto Dix hadden vastgebeten in een betekenisloze figuratieve kunst, nog afgezien van de politieke compromissen die ze daarbij aan hun opdrachtgevers hadden gedaan.

Als buitenstaander kreeg men het gevoel dat een tempel geschonden was, maar Jens wilde van geen wijken weten, ook niet toen hij zijn contrahenten ontmoette tijdens een inderhaast door de cultuurpolitieke woordvoerder van de Berlijnse CDU, Uwe Lehmann-Brauns, belegd openbaar debat in de Rijksdag.

Op die bijeenkomst bleek uit de houding van Lehman-Brauns dat de bereidheid van de CDU om het overname-besluit te sanctioneren minder groot was dan Jens had aangenomen. Zozeer werd Jens, die oud-hoogleraar is in de retorica aan de universiteit van Tubingen, door zijn kritici onder vuur genomen dat zijn eigen welsprekendheid hem niet meer kon redden.

Achteraf noemde hij het debat in de Rijksdag een 'showproces'. Zijn Oost-collega Heiner Muller deed zelfs zijn mond amper open, zei slechts dat dit hier "een mengeling van pogrom en bondsdagsdebat" was en verliet vroegtijdig de zaal. Feit was dat Jens en de zijnen zich geconfronteerd zagen met een zaal vol ronduit vijandige toeschouwers en Akademieleden.

Hans-Dieter Zimmermann, onder Gunter Grass secretaris van de West-Akademie der Kunste, herinnerde aan de tijd dat de Akademie zich inzette voor vervolgde Tsjechische schrijvers. Zimmermann verweet Jens de West-Akademie te hebben vernietigd en stelde voor de hele zaak maar op te heffen: "Als je twee runes samenvoegt heb je nog geen nieuw huis."

Kunert hield een bewogen voordracht die eindigde met de woorden "Es kann weiter ausgetreten werden" en toen collega-schrijver Christoph Hein - een geestverwant van Heiner Muller - hem verweet dat hij door zijn uittreden uit de Akademie ondemocratisch handelde, antwoordde Kunert als door een hond gebeten: "Uittreden is ook een democratisch middel."

Maar het indrukwekkendst was toch het betoog van Reiner Kunze. Hij verhaalde van de steun die hij - destijds gesoleerd levend in de DDR - ontving van de West-Akademie en de 'onvergetelijke gesprekken' die hij - na zijn emigratie in de Bondsrepubliek - met leden van de West-Akademie voerde, met Elias Canetti, Michael Hamburger en Uwe Johnson. Kunze: "Jens meent, en ik citeer, dat de afdeling Beeldende Kunst nieuwe recruten kan werven en dat zich daaruit een nieuw, meer toekomstgericht team laat samenstellen."

"Dat betekent, " vervolgde Kunze, "dat de achttien leden die nu uitgetreden zijn, minder toekomstgericht waren. Een van hen is professor Fritz Konig, die het gedenkteken van Mauthausen schiep en wiens 'Epitaphe' tot het zachtste, roerendste en meest ontstellende behoort wat ik aan eigentijdse beeldende kunst ken. Als ik de Akademie al niet had verlaten, dan zou deze uitlating van Jens aanleiding voor mij zijn mijn uittreden bekend te maken. En wat voor een taal: nu wordt er 'gerecruteerd' en een nieuw 'team samengesteld'."

Cees Nooteboom is toegetreden tot een Akademie zonder Kunze, Kunert, Baselitz, Richter, Ligeti, Hamburger, Mack, Heiliger en die twintig anderen die de Akademie inmiddels hebben verlaten. Hangende het oordeel van de senaat zijn ook de 45 nieuwe leden uit het oosten nog niet toegetreden.

Onvermurwbaar blijft Walter Jens ook nu nog vasthouden aan de juistheid van zijn opvattingen. De Akademie-nieuwe-stijl ziet hij als een brug tussen oost en west en hij mijmert over thema-avonden waarin kunstenaars uit oost en west hun parallelle en uiteengaande levenslopen uit de doeken doen. Als retorica-liefhebber spreekt hij graag over 'het open discours' en de spanning die voortkomt uit de ontmoeting tussen kunstenaars uit twee zo verschillende ervaringswerelden. In het oosten heersten dictaat, doctrine en dogma, in het westen naast vrijheid ook willekeur.

Een verbinding tot stand brengen tussen degenen die onder de knoet leefden en degenen die konden doen en laten wat ze wilden, daarin ziet Jens zijn grootste uitdaging. De oude Akademie is in zijn ogen een verzameling vermoeide edelherten die niet eens meer op vergaderingen komen.

"Spookachtig lijkt me een mannen-akademie die viriel terugblikt," zegt hij. "Wat men ons terecht verwijt is veel noblesse, maar ook een beetje verveling. We moeten ons meer in het publieke debat mengen en over de verheffing van de algemene smaak nadenken. Nu overheerst nog teveel de sfeer van: cis-mol! Hier komt de hogere mens."

De symfonie voor het herstel van de geestelijke Duitse eenheid wordt gedirigeerd door een vormingswerker.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden