'Als je met armen en benen over elkaar gaat zitten, gebeurt er niets'

ZOETERWOUDE - Worden de Nederlandse wielrenners ooit volleyballers? De iele, pezige mannetjes zullen een fenomenale sprongkracht moeten ontwikkelen, willen ze boven het net uitkomen. De nationale volleybalploeg slaagde er in, op het belangrijkste toernooi van het afgelopen jaar, de Olympische Spelen, de zoveel machtiger Italianen af te troeven. Zal het de vaderlandse coureurs het komende decennium lukken hun collega's uit de laars van Europa naar de kroon te steken?

JOHAN WOLDENDORP

Adrie van Diemen zegt heel zelfverzekerd 'ja'. “We halen ze best een keer in. Waarom niet? Je moet niet zeggen: het gaat zo slecht, we hebben nu de bodem wel bereikt. Als je dan vervolgens met de armen en benen over elkaar gaat zitten, gebeurt er niets.” Van Diemen is als inspanningsfysioloog en trainer betrokken bij de junioren- en amateurploeg van de Rabobank. Trainingstechnisch moet hij dus uitvoering geven aan het al bij voorbaat geroemde wielerplan van de sponsor. “Een junior van 17, 18 zal zeven tot negen jaar nodig hebben voor hij eventueel als prof zijn top heeft bereikt. Dat is een lange weg. Wie wil slagen moet er ongelooflijk veel voor doen en nog veel meer voor laten. In de junioren- en amateurploeg (de laatste groep maakt dit seizoen voor het eerst zijn opwachting in het peloton - red.) zit een aantal jongens waarvan ik zeker weet dat ze prof kunnen worden. Maar wat gebeurt er op de lange weg naar de top? Ze worden verliefd. Ze krijgen met tegenslagen te kampen. Stel dat je de ziekte van Pfeiffer krijgt, dan ben je anderhalf jaar kwijt. Ben je dan nog bereid verder te knokken? Het is niet gemakkelijk. Het selectiesysteem is bikkelhard. Daarom maken wij de jongens nu al duidelijk dat het geen spelletje is. Zij moeten weten welke eisen wij aan een toekomstig profrenner stellen. Wat moet hij kunnen? Is hij een allrounder of moet hij een specialisme ontwikkelen? Er komen mentale aspecten om de hoek kijken. Ambtenaren en onderwijzers kunnen met een zwak karakter nog wel overleven in hun vak. Vroeger kon je als wielrenner ook nog overal doorheen rammen. Maar als je nu buiten de genoemde sporttechnische kwaliteiten niet kunt communiceren en voor jezelf opkomen, kun je het vergeten.”

Karakter en talent lijken als componenten alleen onvoldoende. Wanneer drie Nederlanders in de Tour de France etappes winnen, waarschuwt het vaderland Italië dat de 'onzen' er aankomen. Drie maanden later bezetten vier Azzurri met een vernietigende overmacht de ereplaatsen op het WK wielrennen voor neo-amateurs. “Zij doen het anders dan wij”, zegt Van Diemen. “Als ik dat beeld weer naar voren haal, springen de tranen mij in de ogen. Waardoor die tranen komen? Dat moet ieder zelf maar uitzoeken.” Op zijn verzoek zou in het interview het woord 'doping' niet vallen.

Adrie van Diemen is al geruime tijd een naam in het cyclisme. Aan de Academie voor lichamelijke opvoeding in Den Haag volgde hij een opleiding tot gymnastiekleraar. Fysiologie was één van de deelstudies. “Ik kreeg toen de verplichting twee wielrenners te begeleiden. Ook toen ik afgestudeerd was, is het niet meer opgehouden.” Van Diemen testte KNWU-selecties en verwierf op zeker ogenblik internationale bekendheid als 'faxtrainer' van Greg LeMond. “Ik werd door Piet Hoekstra (bondscoach vrouwen - red.) uitgenodigd een bezoekje te brengen aan een fietsenmaker in Lelystad, Cees Beers. Ik had er aanvankelijk niet zoveel zin in. Het kost me weer een zaterdag, dacht ik. Aan de andere kant wist ik dat hij distributeur van meetsystemen was en LeMond ging sponsoren. Beers had iemand nodig die die systemen kon vertalen. Op een rustdag in de Ronde van Frankrijk heb ik toen LeMond ontmoet. Het klikte meteen. Hij had goede vragen.”

Daarop benaderden Danny Nelissen en Gerrit de Vries Van Diemen voor trainingstechnische adviezen. Nelissen heeft hij nog steeds onder zijn hoede. Op die manier rolde het balletje ook naar de Rabobank. De inspanningsfysioloog, die overigens maar een klein facet van die wetenschap aanwendt voor de training, heeft de ploegleiders Nico Verhoeven (amateurs) en Frans Maassen (junioren) van zijn gelijk overtuigd, en kreeg van manager Jan Raas de vrije hand. Dat is in die zin opmerkelijk, omdat juist in het wielrennen vastgeroeste ideeën heersen over trainingsmethodieken. Van Diemen: “Voor iedereen begint het seizoen op 1 maart. Ze hebben allemaal hard getraind en ze willen allemaal op het NK (eind juni - red.) goed zijn. Mijn vakgebied heeft zich enorm ontwikkeld, maar er is lange tijd nooit kennis van genomen door de wielerwereld. Renners hebben altijd getraind zoals vroeger hun ploegleiders ook trainden. Maar dan zeg ik op mijn beurt: jullie koersen toch ook niet meer op een fiets van dertien kilo? Het doorsneegewicht is tien kilo, Danny Nelissen werd in Colombia wereldkampioen op een fiets van zeven kilo. Vroeger waren alle functies verenigd in één persoon. De ploegleider was manager, bepaalde de tactiek en deed de contractonderhandelingen. Dan kan niet meer. Voor al die specifieke kwaliteiten heb je verschillende mensen nodig. Aan de andere kant zijn we allemaal kleine autonome bankjes, die ieder voor zich de grote centrale bank weer nodig hebben.”

Vorig jaar bezocht Van Diemen de laboratoria van de Italiaanse 'wonderdokters' Conconi en Ferrari. Niet op zoek naar hun geheim - “want wij weten net zoveel als zij” - maar om te discussiëren, om kennis en ervaringen uit te wisselen. “De wetenschappelijke kennis is aanwezig. De kunst is die te vertalen naar de praktijk. Je kunt heel veel laboratoriumtesten doen, je kunt heel veel vinden, maar de vraag is wat je werkelijk kunt gebruiken. Ik was altijd hogelijk verbaasd dat dat niet lukte. Toen ik nog op de academie zat, deed Joop Poulus inspanningstesten voor de KNWU. Hij besprak de gegevens met de bondscoach, die het dan weer moest doorvertellen aan de renners. Het kwam onvoldoende bij hen terecht. Er zat ergens een schakelfout. Die inspanningstesten worden nu door één man gedaan, ondergetekende. Er kan natuurlijk nog wel een schakel verkeerd gaan, maar dat is dan niet de communicatieschakel.”

Die ontbrak wel in het contact met Conconi. “Hij vroeg of ik geen vragen had. Die had ik niet, ik wilde discussiëren, praten over het trainen van wielrenners. Die Conconi-test ken ik wel, die heb ik ook met Nelissen en een paar amateurs gedaan. Je test eigenlijk niet meer dan een diagnose. Ik kwam uiteindelijk terecht bij Giovanni Grazzi, een medewerker van Conconi. Die deed tegenstrijdige dingen. Hij wilde helemaal geen discussie, hij wilde de boot afhouden. Een wetenschapper heeft er alle belang bij dat de door hem verworven kennis wordt verspreid. Maar Conconi en Ferrari hebben ook commerciële belangen. Die botsen heel duidelijk met de wetenschappelijke. Met Ferrari heb ik in het heel eenvoudige, fysiologische laboratoriumpje van hem overigens behoorlijk kunnen discussiëren over krachttraining. Dat was goed gestructureerd, daar heb ik dingen van kunnen overnemen. Maar hoe wezenlijk die kennis ook is, je zit hier in een kikkerlandje dat bovendien vlak is, en waar je dus al die dingen niet kunt toepassen. Als je systematisch zaken wilt plannen, moet je niet afhankelijk zijn van het weer. Met de amateurs hebben we net een goed trainingskamp in Spanje achter de rug. Het was elke dag tussen de 15 en 25 graden. We konden goed trainen, maar je beseft daar tevens dat renners uit landen als Spanje en Italië een aanzienlijk voordeel boven ons genieten. Je hoort de politie in Limburg altijd mopperen dat daar zoveel wielerploegen op de wegen rijden, maar het is het enige terrein in Nederland waar dat kan.”

Kennisdomein

Van Diemen werkt behalve met Maassen en Verhoeven ook nauw samen met sportarts Peter Vergouwen. “Daarnaast heb je uiteraard de mecaniciens, de verzorgers en de ploegleiders. Die zijn verschillend, maar allen proberen ze vanuit hun kennisdomein de renners zo goed mogelijk te laten presteren. Coureurs moeten er echter gevoelig voor zijn. Als ze zich er niets van aantrekken, zijn ze heel moeilijk te begeleiden. Hun het echt opleggen kan ook weer niet. Je mag de renners niet zien als hulpeloze mensen. Het duurt maanden voordat trainingen, hoogstestages en klimaatgewenning effect sorteren. En ik verzeker je dat ze het moeilijk hebben in dat oranje shirt. Die anderen zeggen toch: “Jij bent van de Rabobank, jij bent zo goed, rijd jij het gat maar dicht.”

Het leven van de Rabo-junior is wat vrijblijvender dan dat van de Rabo-amateur. Die wordt klaargestoomd om de overstap naar de profs te maken. Die moet aan alle boven omschreven voorwaarden voldoen, wil hij slagen. “Wielrennen is de sport van de hoop”, vindt Van Diemen. “Je kunt op een dag 30 of 35 procent minder zijn dan de beste en toch winnen. Een atleet kan met een grotere pas lopen, maar is dan uitgepraat. Een wielrenner kan een tandje bijzetten, en als dat niet voldoende is, nog een tandje. Aan de andere kant is het niveau in de top zo ongelooflijk hoog dat je je niets kunt veroorloven. Een topsporter haalt het alleen door nooit en nooit op te geven. Topsport betekent ook het randje bereiken van waar belasting overgaat in overbelasting. Bij overbelasting moet je voldoende rust nemen en opnieuw beginnen. Dat kost veel tijd.”

Dat betekent als remedie periodiseren en pieken. “Met training en hoogtestages kun je sturing geven aan dat proces”, vertelt Van Diemen. “Maar je moet ook de consequentie durven aanvaarden. Als er een piek is geweest, dien je te accepteren dat het daarna minder gaat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden