Als je maar trouw blijft aan de Maria Ommegang

In een wekelijkse serie besteedt Trouw in woord en beeld aandacht aan het hedendaagse christendom. Hoe staat de (christelijke) God van Nederland ervoor? Aflevering 21: Maria Ommegang, afgelopen zondag in Bergen op Zoom.


Foto: Werry Crone, Trouw

In de schaduw van een zuilengalerij van het middeleeuwse Markiezenhof staan speren klaar, een tinnen vaasje met lelies, borden met teksten over een komend koninkrijk, een ark des verbonds en een houten Mariabeeld; alles draagbaar. Uit boxen klinkt Mariagezang.

Mevrouw van Sleeuwen (67) zingt als vanzelf een coupletje mee. Ze laat zich met Maria op de foto zetten, nu de moeder Gods nog zo eenzaam in het hofje staat.

Straks zal het beeld zoals elk jaar worden meegedragen door de straten van Bergen op Zoom, omringd door honderden bijbels geklede processiegangers.

Mevrouw Sleeuwen komt uit Uden. Ze is geen religietoerist, zegt ze, maar ze zal de stoet beslist even bekijken. Ze is er nu toch. „Ik ben opgegroeid te midden van Mariadevotie. De hele meimaand buiten rozenhoedjes bidden. En onderwijl uit verveling meikevers vangen, want het bidden werd een sleur.”

Ze liep vaak mee in processies. „Via school kreeg je een rol toebedeeld. Als je uit een fatsoenlijke familie kwam, zeiden ze: bij jullie mag er wel een keer eentje paus zijn.” Als kind vond ze het prachtig, maar in haar puberteit veranderde dat. „Ik was er zo mee overladen, ik walgde ervan.”

Er komt een wijze koning aangefietst, korte broek, sober kroontje op het nu al bezwete voorhoofd. Hij begroet Sjef de Wit, voorzitter van de kerncommissie Maria Ommegang, zeg maar de uitvoerend producent.

„Sjef, weet je dat mijn collega-koning dit jaar voor de zestigste keer meeloopt?”

„Is dat zo? Geweldig hoor.”

„Doen jullie daar iets aan?”

„Wij geven geen medailles, ’t is de avondvierdaagse niet.”

Volgens de organisatie is het de 61ste keer. Er moet een jaar dubbel zijn gelopen, want de eerste processie was in augustus 1945. In 1942 sprak kapelaan Ooijens in zijn preek op Maria-Hemelvaart een belofte uit: als Bergen de oorlog zou doorstaan, zou de stad haar middeleeuwse processietraditie hervatten, uit dankbaarheid aan Maria.

Het was geen loze belofte. Na de bevrijding werd het Lievevrouwegilde na bijna vierhonderd jaar heropgericht en vormden 478 Bergenaren hun eerste dankstoet.

De nieuwe oude traditie hield stand; de Ommegang werd een vast onderdeel van de lokale opvoeding. Vandaag lopen er zelfs ruim zevenhonderd stadsgenoten mee.

Een flink aantal, al werd in de jaren vijftig makkelijk het dubbele gehaald. Veel ouderen schudden het hoofd bij het zien van deze in hun ogen al te karige uitvoering.

Het wordt moeilijker om alle rollen te bezetten. En dat zijn er nogal wat: niet alleen ’de zeven vreugden van Maria’ (belangrijke scènes uit haar leven), maar ook oudtestamentische figuren die volgens de rk leer naar haar en de komst van de Messias vooruitwijzen. Er is alleen al een handvol Maria’s en Jezussen vereist. Plus een boel heiligen.

Wat drijft de enthousiastelingen – in leeftijd variërend van 5 tot 75 – die zich in de brandende zomerzon tooien met pruik en gewaad? Vrijwel allemaal noemen ze de belofte van kapelaan Ooijens. En de traditie. „Zoiets moet blijven bestaan.”

Velen lopen mee met een persoonlijke intentie, daar hoef je niet per se voor naar de eucharistieviering ’s ochtends. Annelies Consmulder (41) is vandaag moeder Theresa, een eigentijdse Mariafiguur tussen de bijbelse personages. „Toen ik uit Bergen vertrok, zei mijn moeder: als je de Ommegang maar trouw blijft. Dat doe ik. Vorig jaar is mijn moeder overleden. Bij het uitspreken van mijn gebed denk ik aan haar.”

De binnenplaats geurt inmiddels naar wierook. Misdienaars, pastores, bisschop Muskens van Breda, vrouwengroepen, zingende schoolklassen in jurkjes, negen muziekkorpsen en een kleine kudde schapen staan klaar voor de start. Op een trapje wacht Thomas (9) met zijn broertje Bart (6), die voor het eerst mee mag. Ze zullen de sleep dragen van de laatste Maria van de stoet.

Thomas weet dat dit iets heel anders is dan carnaval. „Dit is van vroeger”, zegt hij. ,,En het is een stuk minder gek.” Bart bekijkt de duivel, die alvast een uitgekookt dansje doet om Eva te verleiden. Eng? „Nee hoor, mijn moeder kent hem wel, van de sportschool.”

Na een korte toespraak en gebed gaat de poort van het Markiezenhof open en gaan de eerste groepen, met kruisattributen, de straat op. De precies uitgekiende volgorde van de sprekende, zwijgende en musicerende groepen wordt omgeroepen.

In de kleine straatjes rond het hof is het druk. Er heerst een plechtige, eerbiedige stilte, alleen onderbroken door het geschreeuw van profeten. Sommige kinderen vergeten van schrik tijdelijk hun ijsje bij het zien van zoveel expressief drama.

De casting is bij vlagen briljant. Zo sjokt er een aandoenlijke ’reus’ Christoffel, met een jochie als Jezus op zijn schouders (de hele tocht volgehouden). Ook mooi: de twaalfjarige Jezus die de schriftgeleerden in de tempel de les leest, is een bijdehand Bergs beugelbekkie. Hij pareert de vragen van de oude mannen, die zijn antwoorden luidkeels wegwuiven. Van dit soort eenvoudige, steeds herhaalde toneelstukjes gaat meer kracht uit dan van de opgesierde carnavalswagen waarop de engel Gabriël Maria begroet. Hoe meer decor, hoe minder aandacht van het publiek.

Die aandacht valt overigens wat tegen. Zo vol als het begin van de route is, zo leeg is het verderop. Zelfs op de Grote Markt is het niet overvol. Misschien is het te warm voor vroomheid, suggereert een van de vrijwilligers die langs de route collecteert voor de stichting. En iedereen die écht bevlogen is, loopt zelf mee.

In een van de leegste straten zit Nesip Ulug met gebogen hoofd op een stoel voor een huis, gebedssnoer in zijn handen. „Zo zit hij elk jaar”, zegt zijn dochter Nurcan, staand in haar voordeur. „We zijn moslim, maar voor ons zijn alle verhalen net zo bekend. De verjaardag van mijn zoontje vieren we bijna altijd op deze zondag, en dan zit zijn opa dus buiten te bidden.”

Met een brede grijns kijkt haar vader op. Hij zegt tegen zijn dochter: ,,Kijk nou, daar is de duivel!”

Als de laatste wagen weer terug is in het Markiezenhof, zijn de eerste lopers al weer naar huis. Nog een bewijs dat het geen carnavalsoptocht is: maar een paar kleine groepjes gaan na afloop iets drinken.

In het bejaardenhuis wordt afgeschminkt en nagepraat met een biertje. Tevredenheid, maar ook wel wat kritiek. ,,Als je de mensen aan je wilt binden, moet je ze beter motiveren”, zegt Fred van Baal (48), die zijn duivelspak nog even aanhoudt. „Die kinderen moet je frites en een ijsco geven.”

En Piet Koopman, vandaag voor de zestigste keer koning, kan maar moeilijk verkroppen dat hij het met een schouderklopje moest doen. „Zelf vind ik het niet zo erg, maar anderen ga je zo verliezen. Voor Gérard was vorig jaar zijn zestigste keer. Die zit nu boos thuis.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden