Als je in het kunstwerk zit vergeet je de architectuur

Jan Hoet wil met zijn Documenta in Kassel geen theorie maar louter kunst tonen. Trouw berichtte daar pal na de opening (18 juni) van de vijfjaarlijkse kunsttentoonstelling over. Maar behalve de Documentakunst zelf, bestaat er een merkwaardige ontheemding en een samenhang tussen de Documentagebouwen zelf. En voor wie wil ook onder de Documentagangers.

DIEUWKE VAN OOIJ

Iedere organisator van deze mega-expositie gaf Kassel iets nieuws en zo bleef het draaglijk in deze provincieplaats. Dit jaar is het een gloednieuw museumgebouw dat de herinnering aan Jan Hoets Documenta in leven houdt. De Gentenaar koos als thema voor zijn Documenta het woord displacement, een begrip dat volgens hem veel hedendaagse kunst verbindt. De kunst die hij laat zien zorgt voor een verschuiving of is het zelf. Het Engelse woord suggereert beweging of verplaatsing maar kan ook ontheemding, zeker als het gaat om personen, suggereren. Het kan ook slaan op Hoets Documenta die alle vorige verdringt of vervangt, twee secundaire betekenissen van het veelomvattende begrip. Ook in abstracte zin bestaat displacement: een alledaags voorwerp wordt kunst als je het uit zijn context haalt. En als je Hoets leidraad zo ruim opvat is displacement overal te zien in Kassel: ieder onderdeel van de expositie en de afzonderlijke kunstwerken zijn op die manier te interpreteren. Maar niet alleen de kunst speelt het spel mee. De architectuur van de Documenta, oud en nieuw, vervult een rol in deze verplaatsingsparade. En zelfs de hele stad Kassel kan worden opgevat als een ultieme vorm van ontheemding. Nadat deze Duitse provinciestad in de tweede wereldoorlog voor zeventig procent was verwoest, verdween iedere vorm van overzichtelijkheid in de structuur. Volgens de naoorlogse stedebouwkundige mode werd de stad weer opgebouwd met een zuiver theoretische gedachte over planning en inrichting die alle bestaande structuren van de stad wantrouwt en overboord gooit. Deze methode 'schone lei' leverde natuurlijk niet alleen in Kassel een desorienterend stratenbeeld op. Maar wie in Kassel de weg kwijtraakt verliest ieder gevoel voor orientatie en draait zomaar een uur doelloos rondjes over de binnenste rondweg om toevallig weer in de goede richting te komen. Zelfs de bewoners van Kassel blijken er steeds weer niet in te slagen de weg naar het Hauptbahnhof hemelsbreed te duiden.

Samen met het Gentse architectenpaar Paul Robbrecht en Hilde Daem zorgde Hoet dat de gebouwen die de kunst onderdak geven, dit jaar ook onderdeel zijn geworden van de expositie, hoewel de disciplines architectuur en vormgeving - ingevoerd op Documenta 8 - dit jaar officieel van de agenda zijn geschrapt. De deelnemende kunstenaars werden niet toevallig ondergebracht in een van de acht lokaties. Het klassieke Fridericianum, traditioneel het centrum van de Documenta, vertegenwoordigt als gebouw geschiedenis en macht. Robbrecht en Daem doorbraken met de inrichting van zware wanden en panelen de strakke classisistische symmetrie van het gebouw. Het architectonische centrum, de halve-cirkelvormige hoge ruimte, is zodanig veranderd dat die zijn nogal opdringerige plaats is kwijtgeraakt. Het is nu gewoon een van de ruimtes geworden. Ze verplaatsten als het ware de binnenmuren en veranderden daarmee het dominante karakter van de klassieke tempel. Het Fridericianum werd zo bruikbaarder dan ooit en zeker voor Hoets genoemde uitgangspunt van de verplaatsing. In het Belgische kunstblad 'Knack' van april 1991 zei Hoet hierover: "Je kunt die structuur veranderen, vernietigen door een infrastructuur. Dat is wat ik van plan ben te doen. Door geen rekening te houden met de architectuur. Als je in het kunstwerk zit, vergeet je de architectuur."

Past in dit hautaine Fridericianum natuurlijk het best de kunst die gevoel voor pathetiek, machtsvertoon en drama niet vreemd is, dan hoort in het verderop gelegen natuurkundig museum, het gebladderde klassieke Ottoneum, de zinnelijkheid thuis. Want wat voelt zich prettiger tussen de ranzigheid van opgezette dieren, aquaria en plastic brontosaurussen dan de (schilder)kunst die de zintuigen prikkelt met de geur van stopverf (Jurgen Meyer), de oogverblindende kleuren op het werk van Ingeborg Luscher en de misselijk makende man-in-oude-jas-figuur zonder hoofd waar honderden peuken in uitgedrukt zijn. Ook het taps toelopende beeld van Ettore Spalletti dat bestoven is met zacht pigment en daarom niet aangeraakt mag worden, vraagt er juist om geaaid te worden. Hoets verplaatsing betekent hier meer misplaatsing: levende kunst tussen de fossielen.

Langs een van Kassels grootste misbaksels (het Staatstheater waarvan de architect kennelijk de stad het zicht op de riviervallei misgunde) loop je naar de nieuwe aanwinst die speciaal voor deze Documenta en de volgende tentoonstellingen is gebouwd.

De Frankfurter architecten Jochem Jourdan en Bernhard Muller wonnen in 1989 een prijsvraag van de stad Kassel en de deelstaat Hessen voor een kunsthal die eigenlijk aan het einde, dus ter afsluiting, van de Friedrichsplatz moest worden gebouwd.

Jourdan en Muller waren zo brutaal de opdracht te negeren en brachten het hoger gelegen stadshart weer in verbinding met het dal beneden door het gebouw naast het Staatstheater uit de jaren vijftig te plaatsen waardoor het noodzakelijkerwijs trapsgewijs van de Kasseler heuvel naar beneden is gedrapeerd. Het gebouw is 150 meter lang en twintig meter breed en gedraagt zich als een logge slang die tegen de berg opkruipt. Zo krijgt de voor Kassel kenmerkende glooiing in het landschap extra aandacht en kon het immense 'raam' met uitzicht op de vallei, een kunstwerk dat Haus Rucker Co voor de zesde Documenta maakte, blijven staan aan het einde van de Friedrichsplatz. Dit kolossale plein blijft daardoor open aan de dalkant. De verbinding tussen de Friedrichsplatz en het lagergelegen dal met Orangerie en nog lager de rivier is een aanwinst en een eerste teken van een nieuwe samenhang in Kassel.

Het gebouw doet sterk denken aan Hubert-Jan Henkets nieuwste uitbreiding van het Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Ook daarbij zie je de

hitectuur van de oude moderne meesters terug en krijgt de moderne traditie een allure die met klassieke monumentaliteit aan deze tijd is aangepast. De holle kant, tegen het vervloekte, plompe Staatstheater aan, is geheel gesloten. De bolle kant, met uitzicht op de vallei, is grotendeels van glas. De glazen ronding geeft aan de buitenkant op een natuurlijke manier de looprichting van stad naar rivier aan en doet dat zelfs nadrukkelijk door een overdekte zuilenrij die de ronding van het gebouw volgt.

Alle tentoonstellingsruimtes (een grote hal, een lichthal en vier kabinetten), in totaal 1400 vierkante meter grondoppervlak, komen uit op een centrale foyer. Deze hoge agora heeft alleen al door de glazen lift waarmee je midden tussen het cafe-publiek landt - dat de nieuwkomers dus al lang heeft kunnen keuren - een bescheiden theatraal karakter. De verschillende ruimtes zijn magistraal of juist klein maar in ieder geval nooit in concurrentie met de kunst.

Mario Merz zou geen mooiere plek kunnen krijgen, langs de halfronde wand van de centrale hal, voor zijn kunstwerk van takkenbossen en neonletters.

Centraal tussen de kluit tentoonstellingsgebouwen aan de Friedrichsplatz en de veel verder gelegen Neue Galerie ontwierpen Robbrecht en Daem een reeks tijdelijke paviljoens in het zogeheten 'Aue-landschap', een naar Versaillaans voorbeeld ingericht, langegerekt park langs de Fulda-rivier. De vijf van metalen golfplaat en veel glas vervaardigde gebouwtjes staan op hoge poten om de keurige tuin niet aan te tasten en zien er onmiskenbaar uit als een serie in telgang gegroepeerde treinwagons. Al zouden het vanwege die gebogen dakjes ook wegwerkershuisjes kunnen zijn. Het symbool van de verplaatsing krijgt hier alweer een extra dimensie, al is het in omgekeerde richting omdat de treinstellen juist tot stilstand kwamen in dit steriele landschap. De prachtige paviljoenen zelf zijn echter een noodzakelijke verbinding tussen de ver uit elkaar gelegen tentoonstellingsgebouwen en maken - als fremdkorpers - de ingeslapen schoonheid van de keurig aangeharkte tuinen dragelijk, zonder de omgeving geweld aan te doen.

De wagons zijn even gerangeerd maar kunnen zo weer weg of er kunnen een paar nieuwe aangekoppeld worden. "Aan het ontwerp van de Aue-pavillons werkten we met de centrale gedachte dat deze gebouwen weer zouden verdwijnen. Daarom bieden ze de aanblik van een zekere vluchtigheid en zullen ze in deze kortstondige verschijning een plaats veroveren in de gedachte aan een mooie zomerdag" , aldus Robbrecht en Daem in de Documenta-catalogus.

En ook hier hebben deze architecten nadrukkelijk laten zien dat kunst niet bang is voor zonlicht. Sommige schilderijen hangen zelfs buiten en ander werk is opgesteld achter een open raam. Kunstenaars en architecten werkten hier nauw samen. Dat daglicht krijgt trouwens ook voor het eerst in het Fridericianum dank zij Robbrecht en Daem vrij spel. Het museum is geen bunker meer met kunstlicht en melkglas maar van elke verdieping kijk je gewoon door de ramen naar buiten.

"Systematisch hebben wij ieder raam in ieder gebouw geopend, hebben we grote lichtstromen naar binnen laten vallen alsof we daarmee hoopten deze architectonische structuren een onvoorwaardelijke ontvankelijkheid voor de kunst te verlenen; Licht dat zich steeds weer verandert voor een kunst waarvan de uitdrukking noch minder te voorzien is dan de uitdrukking van de gebouwen zelf. Daarbij weten we dat gebouwen in het geheel niets uitdrukken." Het nieuwe paviljoen en de Aue-gebouwtjes waren nodig nadat de Orangerie die altijd als Documentaruimte werd gebruikt, is ingericht als een museum voor sterrenkunde.

Midden in de grasvlakte aan de voet van de lager gelegen Orangerie zijn nog een paar voorbeelden van displacement-architectuur te zien, in dienst van deze Documenta maar zonder beeldende kunst. Het zijn twee tenten met een totaal verschillend voorkomen en een zeer afwijkende inhoud.

Het Electronic Cafe International is meer een futuristisch insekt dat ieder moment kan opstijgen. De Keulse ontwerpersgroep Pentagon maakte een doorzichtig middengedeelte met aan weerszijden twee buitenproportionele transparante markiezen heeft die bij regenachtig weer over de terrassen kunnen worden gehangen waardoor de bezoekers als het ware beschut zijn door immense vleugels. In het cafe zijn de nieuwste vindingen op het gebied van telecommunicatie genstalleerd. Tijdens de Documenta kun je daar met vergelijkbare cafe's over de hele wereld communiceren in woord, beeld en geluid.

Een eindje verderop staat een van de laatste ontwerpen van de Britse architect James Stirling, die een paar weken geleden veel te vroeg overleed. Hij ontwierp een gestreepte circustent die zo hoog op de poten staat dat hij lijkt te gaan vliegen.

De muziek die daar iedere dag drie maanden lang te horen is, met jazztoppers als Steve Lacy, David Murray en Cecil Taylor, is trouwens ook zonder Documenta een bezoek aan Kassel waard.

Natuurlijk is het jammer dat Stirlings tent om organisatorische redenen aan de onderkant een lange zwarte rok heeft gekregen zodat niemand zonder betalen naar binnen kan glippen. Hierdoor is de lichtvoetigheid verdwenen.

Tot slot verschijnt kunst en architectuur in een gedaante bij het huttendorp langs de rivier van de Japanse kunstenaar Tadashi Kawamata. Van sloophout timmerde hij een nomadendorpje in elkaar dat, gelegen aan de rivier, alleen bedoeld lijkt te zijn voor mensen op de vlucht die ooit nog een vaste stek moeten krijgen. En toch heeft het ondanks de kwetsbaarheid en slordigheid meer schoonheid en samenhang dan in de hele stad Kassel valt te bespeuren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden