Als je faalt in Oranje, dan is de volgende aan de beurt

ROTTERDAM - Was Richard Witschge niet nu, maar al voor de eerste wedstrijd tegen Wit-Rusland in het Nederlands elftal teruggehaald - hij zou thans ongetwijfeld tot de afvallers hebben behoord.

De jongste Witschge, door Leo Beenhakker voor altijd als het zinnebeeld van 'de patatgeneratie' gebrandmerkt, is er de speler niet naar de kar te trekken. Zijn fijnbesnaarde techniek ten spijt, heeft hij regelmatig clubtrainers en bondscoaches in de gordijnen gejaagd. De nonchalante stijl en een ogenschijnlijk onderontwikkeld temperament, hebben nogal wat mannen in de dug out tot de conclusie gebracht dat Richard Witschge mentaal een zwakke broeder is. Als het slecht gaat, deugt de trainer niet in de ogen van deze zo vroeg tot het miljonairschap gestegen jongeman, die beter overweg kan met een gokkast dan met een slidingbroek; zo ongeveer wordt deze linksbeen - één doelpunt in zijn negentien interlands tussen februari 1990 en maart 1992 - ook door vaklui in de voetballerij bekeken. Toen Beenhakker genoeg van hem had, gooide Richard meteen met modder. Hij zou het wel eens laten zien bij Barcelona. Toen hij ook daar in hoofdzaak op de bank terechtkwam, stelde Don Leo schamper vast: “Het doet mij genoegen dat Richard onder zijn nieuwe trainer gelukkig een stuk beter is gaan voetballen . . .”

De naaste assistent van bondscoach Guus Hiddink is Rinus Israël. Niet hij, maar Olympisch coach Hans Dorjee werd naar Bordeaux gestuurd om eens te bekijken hoe het er met de broer van Robbie bij stond. Een eventueel rapport van IJzeren Rinus zou hoogstwaarschijnlijk weinig positiefs hebben bevat. De voormalige libero van DWS en Feyenoord hield altijd al van een stevig soort voetbal. Hij moest er nog niet zo lang geleden hartelijk om lachen toen een mogelijke kandidatuur van Richard Witschge even aan de orde kwam. Die druiloor?

Richard Witschge begint vanavond in de Kuip normaal gesproken aan zijn twintigste interland. “Hij moet voor de openingen zorgen”, zo heeft Hiddink aan de vooravond van het duel met Wit-Rusland aangekondigd. Met die verkiezing wordt nog eens aangegeven hoe smal de scheidslijn is tussen wel spelen en niet spelen in het Nederlands elftal. Zouden de ervaren Wim Jonk en de jeugdige Europa Cup-winnaars Clarence Seedorf en Edgar Davids plotseling mindere voetballers zijn dan enkele maanden geleden? Natuurlijk niet. Naast inderdaad tegenvallende prestaties, zijn zij bovenal het slachtoffer geworden van het eeuwige opportunisme rond een landenploeg. Als Oranje tegenvalt - en in deze EK-campagne zwaar tegenvalt - eist het publiek dat er koppen vallen. De bondscoach zal meestal beweren doof te zijn voor die roep om sportief-standrechtelijke executies, maar in zijn selectiebeleid denkt hij er vaak net zo ongenuanceerd over als de tienduizenden kaartjeskopers uit het land. Welke garantie heeft Hiddink nu dan wel dat een elftal met Richard Witschge en Aron Winter op het middenveld beter is dan met Edgar Davids en Wim Jonk? En hoe balvast en kopzeker is René Eijkelkamp?

De kwestie is eigenlijk: wie faalt op welk moment. Is dat falen een feit, dan is de volgende aan de beurt. Die gang van zaken is niet van vandaag of gisteren, maar van alle tijden bij Oranje. Het houdt de boel natuurlijk wel levendig en de mensen over dat vaak zo teleurstellende Nederlands elftal lekker aan het kankeren.

De praktijk van het incidenten-gezelschap dat het Nederlands elftal per definitie is, staat haaks op de aanpak bij de clubs. Bij de clubs wordt doelgericht gewerkt, wordt dagelijks aan het concept gewerkt en zijn de automatismen heel belangrijk. Eenmaal aan de slag bij Oranje, voelen nogal wat spelers zich als een kat in een vreemd pakhuis. Even goed worden hun prestaties kritisch bekeken en desnoods scherp veroordeeld. Soms heeft het slachtofferen van spelers iets bijzonder onrechtvaardigs. Wat te denken bijvoorbeeld van Davids en Seedorf. Davids is nu waarschijnlijk wisselspeler en Seedorf ligt er al helemaal uit. Hun falen tegen Tsjechië (Seedorf) en Wit-Rusland (Seedorf en Davids) had echter veel te maken met de 'onmogelijke' tactiek waarmee zij werden opgescheept. Bij Ajax, het voorbeeld van prachtig positiespel, is het de gewoonte altijd met iemand in je rug te spelen, bij het Nederlands elftal moesten Seedorf en Davids door het malle gedoe met die driemansverdediging middenvelder en back tegelijk zijn.

Het leidde andermaal tot de chaotische taferelen, die al gebruikelijk zijn sinds het najaar van 1990, toen Rinus Michels onder druk van nota bene een aantal jeugdige Ajacieden van 4-4-2 (waarmee in 1988 Europees goud werd behaald) op 3-4-3 of 3-3-4 overschakelde. Die nieuwe aanpak had toen veel te maken met de doorbraak van het grote talent Dennis Bergkamp, de schaduwspits. Marco van Basten deed ook nog mee en omdat Michels de 'operationele zones' (betekent onder meer: er als vleugelspeler niet 'staan', maar er af en toe zien te 'komen') meteen ook maar vaarwel zei en via John van 't Schip of Ruud Gullit en Bryan Roy ook nog eens min of meer orthodoxe buitenspelers opstelde, kwamen de verdedigers plotseling met zijn drietjes te staan. Het begon tegen Griekenland met, van links naar rechts, het trio Danny Blind, Graeme Rutjes, Jerry de Jong. Later groeide de collectie driemans-verdedigers uit tot negentien spelers. En maar zelden was er géén sprake van misverstanden, fouten en zo maar vrij doorlopende tegenstanders.

Reeks van 47

Cijfermatig bezien is de reeks van 47 interlands sinds de tactische omwenteling van vijf jaar geleden, niet imponerend te noemen. Het land dat met Ajax in die periode de winnaar van de UEFA Cup en de Europa Cup voor landskampioen kende, kwam in die serie van 47 interlands uit op 26 overwinningen, 11 gelijke spelen en 11 nederlagen. En dan te bedenken dat bij het rijtje overwinningen negen keer een opponent zat uit de categorie Malta, Finland, Luxemburg, Canada en San Marino.

Omdat ook Guus Hiddink de onrust in de verdediging - en de hiermee gepaard gaande feilen in de andere linies - nu beu is, wordt het Nederlands elftal vanavond voor het eerst sinds jaren weer op pad gestuurd in een 4-4-2 formatie. “Dat gepraat over systemen is vaak larie”, vindt Hiddink overigens. En dat is ook wel enigszins het geval. Want wat blijkt: in balbezit neigt Oranje met Marc Overmars en Ronald de Boer op de vleugels gewoon weer naar het als antiek beschouwde 4-2-4 model waarmee de Brazilianen al in 1958 de wereldtitel veroverden. Bij het Nederlands elftal duurde het nog zes jaar langer eer de stopperspil werd vervangen door een dubbel bezet centrum.

Dat was voor het eerst het geval op 22 maart 1964 bij de toen nog traditionele derby België-Nederland. Het was de tijd waarin onder impuls van Helenio Herrera's Inter Milaan het voetbal zware defensieve accenten kreeg en Oranje verscheen in een opstelling die qua veldbezetting veel weg had van de ploeg die vanavond speelt:

Eddy Pieters Graafland (Ed de Goey);

Guus Haak (Michael Reiziger), Daan Schrijvers (Danny Blind), Hans Kraay (Johan de Kock), Cor Veldhoen (Frank de Boer);

Bennie Muller (Aron Winter), Fons van Wissen (Richard Witschge);

Pummy Bergholtz (Ronald de Boer), Piet Kruiver (René Eijkelkamp), Klaas Nuninga (Dennis Bergkamp), Lambert Verdonk (Marc Overmars).

Met deze verschillen: Cor Veldhoen was een rechtsbenige linksback en Frank de Boer is een linksbenige linksback, Lambert Verdonk was een linksbenige linksbuiten en Marc Overmars is een tweebenige linksbuiten, met nog slechts een lichte voorkeur voor rechts. Toen werd het in een hopeloos saaie partij 0-0. Bij een zelfde uitslag kan Guus het vanavond wel schudden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden