Als ik zelf erts was

“Het bestaan in de bergen is groots maar even eentonig als eenzaam. Als ik erts was - maar wie ben ik? - zou ik toch het kleine, historische leven verkiezen. Als delfstof maakt het erts heel wat mee. Staal brult als het de smelthoven ingaat.” Wat is natuur eigenlijk? De filosoof Theo de Boer beschrijft het verschil tussen het wetenschappelijk beeld van de natuur en de natuur zoals die beschreven wordt door de dichters Rilke en Gerhardt, en door de schrijver Nescio: “Aan den anderen kant liepen de slooten 't land in en waren heel even rose gekleurd, zoo heel even dat ik eerst meende dat 't aan mijn oogen lag, doordat ik zoo erg in 't licht had gekeken.”

THEO DE BOER

De gedachte dat de natuur naderbij is gekomen, veronderstelt dat de natuur eerst veraf was geworden, en dat is ook zo. Natuurwetenschap en techniek hebben een beschermend scherm opgetrokken tussen ons en de natuur. De natuur zit ons niet meer op onze huid. Zeker in Nederland is dat zo, waar we ons grondgebied op het geweld van de natuur hebben moeten veroveren. Daarmee is de natuur op afstand gezet. De natuur als wildernis bestaat in Nederland niet meer. Op zichzelf is dat nog geen reden om te treuren. We worden in onze huidige situatie echter geconfronteerd met negatieve bijeffecten van deze ontwikkeling.

Ik wil hier aandacht vragen voor nog een heel andere manier waarop de natuur van ons vervreemd is, en wel in het zogenaamd 'wetenschappelijk wereldbeeld' wat, dat wil ik van meet af aan benadrukken, geen produkt van wetenschap is maar van wijsgerige (sciëntistische) interpretatie van de wetenschap. Wat is natuur eigenlijk?

De eerste gedachte van die moderne mens is uiteraard dat die vraag alleen beantwoord kan worden door de wetenschap. Die gedachte is zelfs bepalend voor zijn moderniteit.

Wanneer we het 'wetenschappelijk wereldbeeld' bekijken, vinden we weinig terug van wat wij in het dagelijks leven natuur noemen. De natuurwetenschap blijkt een wetenschap zonder natuur te zijn, althans zonder de natuur zoals wij die ervaren en willen beschermen. Laat ik dat aan een eenvoudig voorbeeld duidelijk maken.

Groen is de kleur van het milieu. We spreken van 'groenvoorzieningen', 'groene partijen' en het 'groene hart' van Nederland. De natuur van de natuurwetenschap kent echter helemaal geen groen. In de filosofie wordt veel aandacht besteed aan zogenaamde categoriefouten. In dagelijkse taal noemen we dat appels met peren vergelijken. Wie een categoriefout maakt doet een bewering die niet zozeer onwaar is als wel onzinnig. Een voorbeeld daarvan, dat je nogal eens in filosofische leerboeken aantreft, is de uitspraak: 'Het electron is groen'. Die uitspraak is niet onwaar. Het probleem is dat je niet kunt uitmaken of zij waar of onwaar is. Zij is 'onzinnig'. Het is een even onmogelijk bewering als: de som van de hoeken van een driehoek is paars. In de wereld van de wiskundige entiteiten komen kleuren niet voor en zo is het ook in de natuur van de natuurwetenschap.

Waar zitten die kleuren dan? Daarop geeft de filosofie sinds de 17de eeuw een eensluidend antwoord: de kleuren zitten in ons, ze zitten van binnen. Wij zijn het zelf die de kleuren maken, evenals de geluiden en de geuren. De natuur zit tussen onze oren. Er zijn natuurlijk wel variaties op die innerlijkheidsthese. Volgens sommigen zitten de kleuren in onze zenuwen, volgens anderen in de hersenen en volgens weer anderen in het bewustzijn (in dat deel van ons waarin ook de natuurwetenschap bedacht wordt).

Veel maakt dat niet uit, want of de natuur nu in je oren zit, tussen je oren of iets boven je oren, hij zit in ieder geval van binnen. Het groene hart zit in ons eigen hart, althans de groenheid of groenigheid ervan. Maar wat blijft er van de natuur over als we alle zintuiglijk waarneembare eigenschappen er van aftrekken? Wat is er nog buiten? Het antwoord ligt voor de hand: buiten zijn de atomen, de electronen en nog kleinere dingetjes. Atoomsplitsing vindt niet in ons hoofd plaats, dat staat wel vast. Het barstensvolle hoofd heeft het al druk genoeg.

Dit is een beeld van de natuur waaruit de natuur is verdwenen, merkte ik eerder op; de natuur zoals we die ondergaan. Er is maar één plek waar we de natuur echt ervaren en dat is buiten, voor onze lijfelijke ogen en oren. We moeten daarvoor er op uit trekken. 'De paden op, de lanen in' zoals ik me van een schoolliedje herinner. In deze theorie is de natuur in feite verdonkeremaand, verdwenen in theoretische abstracties.

Een kritische analyse van dat wetenschappelijk wereldbeeld vinden we bij de filosoof Whitehead. Vanaf Galilei, zegt hij, beschouwt men de eigenschappen van 'kwantitatieve massa' en van 'enkelvoudige locatie' als wezenlijk. Andere eigenschappen bestaan 'eigenlijk' niet. Of men het licht nu zag als kleine deeltjes of als golven, gemeenschappelijk aan al die theorieën is dat licht of kleur in de werkelijkheid niet echt voorkomen. En dat geldt ook voor geluid en geuren. We moeten dus niet, zo formuleert Whitehead de conclusie uit dit wereldbeeld, de natuur de eer geven die aan ons zelf toekomt. Wij zijn het die de geur van de roos en het lied van de nachtegaal produceren en vervolgens op de natuur projecteren die in feite uit deeltjes en golven bestaat. De dichters hebben het mis als ze de natuur bezingen. Zij gaan uit van de populaire, onwetenschappelijke mening, de schijn der zinnen. “De natuur is een saaie bedoening, klankloos, zonder geur, kleurloos: er is daar alleen het haastige beweeg van de materie, eindeloos, zinloos.”

Ik zal op dit moment niet ingaan op de argumenten waarmee het wetenschappelijk wereldbeeld door Whitehead en anderen wordt bestreden. Eerst wil ik hier het wereldbeeld tegenover stellen dat de dichters ons voorhouden. De Tsjechische schrijver Milan Kundera heeft eens opgemerkt dat in de moderne tijd, sinds het opkomen van de natuurwetenschap, de literatuur heeft moeten voorzien in de leemte die het wetenschappelijk wereldbeeld achter liet. In de roman vinden we de leefwereld terug van alledag. Van mensen die leven in een gemeenschap, temidden van de natuur, gedragen door een traditie. En ook verscheurd door de passies die in die wereld een rol spelen. In die wereld is het helemaal niet saai.

Wanneer de natuur met het object van de natuurwetenschap vereenzelvigd wordt, kan de wereld van de literatuur, zoals de moderne esthetica leert, alleen maar 'schone schijn' zijn, geen beschrijving van de werkelijkheid. Laten we die schone schijn eens nader bekijken bij een schrijver van wie het verzameld werk onlangs verscheen en die een uitvoerig natuurdagboek blijkt te hebben bijgehouden: Nescio.

We vinden bij Nescio in het verhaal Buiten-IJ een beschrijving van precies dat gebied dat nu IJburg heet en binnenkort volgebouwd dreigt te worden.

“Wij waren blij en uitbundig om niets, om 't mooie weer, om den zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen'... 'Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld naar binnen en leefde in onze hoofden. En onze gedachten gingen woordeloos uit over de wereld, ver over den gezichtseinder gingen zij. En zoo vloeiden de wereld en wij beurtelings in elkaar over. Bekker zei datti z'n hart voelde uitzetten en toen ik m'n oogen dicht deed, was 't of m'n hoofd vol goud licht en blauw water was en wonderlijke rillingen gingen door m'n ruggemerg. Ik voelde daar de wereld, die om mij lag'.

'En toen wij op den dijk liepen tussen Schellingwou en Nieuwendam met 't Binnen-IJ links en de onafzienbare weiden rechts, toen was al 't water fel geel tot aan de stad; aan den anderen kant liepen de slooten 't land in en waren heel even rose gekleurd, zoo heel even dat ik eerst meende dat 't aan mijn oogen lag, doordat ik zoo erg in 't licht had gekeken'.

Nescio schrijft dat door zijn ogen de wereld naar binnen kwam en leefde in zijn hoofd. De wereld die blij en uitbundig stemt is er blijkbaar al, dáár, buiten in de zon en in de lucht om ons en boven ons. Op een of andere manier is zij in al die uitwendige pracht ook in zijn hoofd. Als de schrijver zijn ogen dicht doet, is het of zijn hoofd vol goud licht en blauw water is. Maar het is niet zo dat hij die lichtende wereld zelf produceert. De hoofdpersoon meent wel een moment dat het felle geel van het water en het rose van de sloten in zijn ogen zit maar kan die vraag alleen zinvol stellen omdat hij weet dat het niet zo is. Het hoofd is wel vol maar niet met eigen maaksel. Hij voelt de wereld die om hem heen ligt. Hij heeft wel gedachten maar die blijven niet binnen. Zij gaan woordeloos uit over de wereld. De wereld en het ik vloeien in elkaar over. Zijn vriend voelt zijn hart uitzetten.

Nescio contra het sciëntisme. Wie beschrijft hier de ware werkelijkheid? Als Nescio gelijk heeft, vinden we bij hem een antwoord op een aantal vragen die binnen het wetenschappelijk wereldbeeld niet gesteld, laat staan beantwoord kunnen worden en toch in een eeuw van openluchtrecreatie en natuurbescherming zich aan ons opdringen.

Als de verschijnende natuur 'eigenlijk' in ons zelf zit, hoe is het dan mogelijk dat mensen rust en ontspanning vinden in een natuur die bestaat uit 'haastig beweeg' van kleine deeltjes? Word je daar niet eerder zenuwachtig van? En hoe kunnen we uitbundig of weemoedig gestemd worden door een natuur die een 'saaie bedoening' is? Hoe, tenslotte, kan daarbij ons hart uitzetten en kunnen we ervaren dat God groot en goedertieren is? We kunnen dat, nogmaals, alleen begrijpen als Nescio gelijk heeft. Maar hoe kan hij gelijk hebben als de literatuur alleen 'schone schijn' produceert? Nog eenmaal Nescio:

'En toen wij op den dijk liepen tussen Schellingwou en Nieuwendam met 't Binnen-IJ links en de onafzienbare weiden rechts, toen was al 't water fel geel tot aan de stad; aan den anderen kant liepen de slooten 't land in en waren heel even rose gekleurd, zoo heel even dat ik eerst meende dat 't aan mijn oogen lag, doordat ik zoo erg in 't licht had gekeken.'

“En aan 't einde der weiden zag je nog even den dijk van de Zuiderzee, het land was zo weemoedig in die Novemberschemering, de vierkante toren van Ransdorp in de verte en de rij van nietige huisjes aan weerszijden er van, ze scheidden zoo noode van de dag dat 't was alsof 't na deze schemering niet licht meer zou worden, zoo zou 't wezen als wij stierven, nog maar een korten tijd dan zou alles afgeloopen wezen, en wij waren zeer droevig. Maar Bavinck zei, dat hij eerst nog 't een en ander uitrichten wilde. 't Geel in 't water was nu rose geworden. Een eind verder was een stuk bouwland buitendijks. Beneden aan den dijk stond een rijtje boomen er voor, daarachter lag het omgeploegde vette land, zwart en glimmend. En toen dachten wij aan 't voorjaar, dat zou komen na dien winter en voelden ons weer onsterfelijk en heelemaal niet droevig meer.”

Wie over een paar jaar datzelfde traject loopt van Schellingwou naar Nieuwendam zal rechts de weiden en links het water volgebouwd zien en, denkend aan de winter die komt voor het voorjaar, zich droevig en sterfelijk voelen.

Ik heb tot nu tot twee wereldbeelden geschetst die sinds Verlichting en Romantiek tegenover elkaar staan en elkaar determineren en compenseren? U moet mij niet misverstaan. Ik wil hier niet beweren: Nescio heeft gelijk en de wetenschap heeft ongelijk. Zo eenvoudig is het niet. Ik heb al een onderscheid gemaakt tussen de wetenschap en een bepaalde filosofie van de wetenschap en daarop is heel wel kritiek mogelijk. Ik wil echter op iets anders wijzen.

Ik kan alleen al niet tegen de wetenschap kiezen omdat de wetenschap met bijbehorende techniek het beleven van de natuur à la Nescio heeft mogelijk gemaakt: Nescio liep op een dijk. Er is al eens opgemerkt dat pas sinds Rousseau de natuur ontdekt is. Om de schoonheid van de natuur te zien moet, denk ik, de meest primaire angst bezworen zijn en dat danken we aan de wetenschap en de techniek.

Wanneer zijn Nederlanders, die eeuwenlang een strijd op leven en dood met het water hebben moeten voeren, op het idee gekomen gedeeltelijk of geheel bloot op het strand te gaan liggen? Sinds zij het idee hadden dat de natuur bedwongen was. Achteraf moeten we zeggen: Rousseau ontdekte niet de natuur maar het cultuurlandschap. We vermeien ons niet in een vrije maar in de gerepte natuur, in de tuin. In die zin is de natuur ons écht naderbij gekomen.

Er schuilt zeker hybris achter de idee dat de natuur bedwongen is, maar dat is nog geen reden naar de wildernis terug te keren zoals tegenwoordig gepropageerd wordt. In ondoordringbare oerwouden en onherbergzame gebergten hebben wij als mens niets te zoeken. Heimwee naar een tijd waarin de mens in harmonie met de ongerepte natuur leefde, is vrees ik, een heimwee naar iets dat nooit bestaan heeft. Iets wat echt tussen de oren zit, tussen de oren van overgeciviliseerde burgers. Een voorbeeld van een dergelijke nostalgie vinden we bij Rilke. Van hem zijn de beroemde woorden: 'Das Erz hat Heimwee'.

Das Erz hat Heimweh. Und verlassen will es die Münzen und die Rüder, die es ein kleines Leben lehren.

In het hooggebergte was het erts nog een deel van de grootsheid van de natuur. Die grandeur heeft het verloren. Het erts leidt nu een klein bestaantje in muntjes en raderjes. Het erts wil terug.

Als ik zelf erts was zou ik daar, geloof ik, heel anders over denken. Het bestaan in de bergen is groots maar even eentonig als eenzaam. Als ik erts was - maar wie ben ik? - zou ik toch het kleine, historische leven verkiezen. Als delfstof maakt het erts heel wat mee. Staal brult als het de smelthoven ingaat (Ida Gerhardt), een louterende ervaring. Daarna raakt het wellicht in handen van een bedreven en gedreven kunstenaar. Als sieraad kan het een groot leven gaan leiden. Het kan bijvoorbeeld terecht komen in de ketting van Catharina Bolnes en vervolgens geschilderd worden door Vermeer. Daarna kan het bewonderd en beschreven worden door Proust en een eindeloze reis beginnen door de hoofden en de harten van kijkers en lezers.

Dit is misschien te menselijke gedacht over de bestemming van erts, maar ik ben nu eenmaal een mens. Ik zou als erts misschien mijn oorsprong niet vergeten, maar heimwee? Laten we eerlijk zijn, het leven in de natuur buiten het evolutieproces op planeet aarde is een 'saaie bedoening'. Ook de bergen hebben een geschiedenis maar het is wel een hele langzame. Buiten ons in het heelal is nog minder te beleven. De aarde draait in 24 uur om haar as, nooit langer nooit korter. De getijden van de wereldzeeën wiegen mee in dit ritme. Dag na dag, miljoenen jaren na miljoenen jaren. (Eens houdt het op maar daar denken we liever niet aan.) Er is geen cumulatie van ervaring in het universum, geen gedachtenis en daarom geen 'betekenis'. Daarvoor is de mens nodig en zijn verbeelding. (In zekere zin had Bloem gelijk: Natuur is voor tevredenen en legen.)

Terug naar het begin. In onze situatie zijn twee dingen bedreigend. Wat in miljoenen jaren van evolutie is opgebouwd dreigt vernietigd te worden; het cultuurlandschap gaat ten onder in vlakten van asfalt en hoogten van bazalt. Natuurbeheer is natuurbeheersing, cultuur is technologie geworden. Omdat er een grens is overschreden, wordt er een tegenbeweging opgeroepen, het verlangen naar de oertijd. Het is winst als men in onze tijd weer oog heeft gekregen voor die dimensie van de natuur die zowel in de Verlichting als de Romantiek was vergeten: het tohoewabohoe van Genesis 1. De dreigende chaos achter al onze bouwsels die tot bescheidenheid maant en waarvoor dichters als Eliot en Wallace Stevens oog hadden.

Soms denk ik wel eens dat het wetenschappelijk wereldbeeld nodig geweest is als een tijdelijke illusie. Om in de wetenschappelijke onderneming te kunnen geloven, moest de wetenschap aannemen dat zij het enig ware wereldbeeld kon voortbrengen. Na zoveel successen is die ideologie overbodig geworden. De natuur die wij waarnemen is geen schijn en de literatuur geen schone schijn. De wereld waarin wij dagelijks leven, de wereld van het Buiten-IJ van Nescio, die bestaat natuurlijk gewoon buiten. Aan de horizon daarvan vinden we het buitenste buiten, de wildernis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden