Opinie

'Als ik groot verdriet heb, speel ik het mooist'

AMSTERDAM - “Het liefst zeg ik 'nee' tegen een rol. Ik doe het niet, maar ik aarzel wel en ga met de tanden stevig op elkaar naar een eerste bespreking. Toen ik voor 'De Dresser' werd gevraagd, had ik bovendien nog iets van: ik heb fysiek niets van die oude, afgeleefde acteur in dat stuk. Tom Jansen, de regisseur, zei: 'We doen wel iets met grime en verder speel je hem gewoon zoals je op jouw leeftijd zou doen. Dan komt het vanzelf.”

Porgy Franssen (geboren in 1957) is niet het type publiekslieveling, wel een heel bijzondere acteur. Met zijn beweeglijke gezicht en expressief hoekige gestalte kan hij mooi 'klein' spelen en tegelijk met onverwacht uitvergrote gebaren of grillige stembuigingen - een apart 'scheurtje' geeft zijn stem een zeer persoonlijk timbre - een ironische distantie aanbrengen. Verrassend en geestig vaak.

Tweemaal kreeg hij een nominatie voor de Louis d'Or, de belangrijkste toneelprijs voor acteurs. Bredere bekendheid verwierf hij door zijn rol in de televisieserie 'Bij nader inzien', die hem in 1991 een Gouden Kalf opleverde. In mei dit jaar kreeg hij de Mary Dresselhuys Prijs. Op tv is hij momenteel te zien in de serie 'Wij Alexander' als koning Willem III.

Op toneel speelt Porgy Franssen in 'De Dresser' van de Britse schrijver Ronald Harwood de rol van De Acteur, ooit een groot Shakespeare-vertolker, nu leider van een tweederangs ensemble in oorlogstijd en aan het einde van zijn krachten:

“Van Hans Dagelet, die de titelrol van de assistent/ verzorger speelt, kwam het initiatief voor de productie. De eerste twee bijeenkomsten voelde ik me heel lekker bij hem en Tom Jansen. Na de derde keer heb ik gebeld: 'Ik doe het gewoon.' Me op mijn gemak voelen is een voorwaarde om 'ja' te zeggen. 'Nee' zeg ik, als ik me niet op mijn gemak voel. Er zijn er die daar juist bij gedijen - vooral actrices, is me opgevallen, geen idee waarom - maar die zijn dan doorgaans wel van heel grote klasse. Ik ben één van de dertig avonden goed. Dan is het alsof je loskomt van jezelf, dat je jezelf als het ware van bovenaf kan besturen.”

“De andere negenentwintig avonden is het meestal vechten tegen het meedogenloze verschijnsel, dat het weer niet lukt, dat het net verkeerd is, net niet de goede toon, tegen het gehoest in de zaal. Dat is zo bot, zo gevoelloos. Alsof wij daar niets van merken, geen last van hebben. Bij een voorstelling van Orkater in een kleine zaal zat mijn vriendinnetje aldoor te hoesten én aan een haarlok te draaien. Zo. En daar moest ik al die tijd tegenaan kijken. Dat werd een fikse ruzie na afloop.”

“Als ik een groot verdriet heb en dus kwetsbaar ben, dan speel ik op z'n mooist. Waarschijnlijk omdat het tegenhouden van die emotie je heel echt maakt, heel gevoelig. Als je dan de sterren van de hemel speelt, is dat zo'n ultieme ervaring: door de ziel gezeefd en vertaald in ieder spiertje van je lijf. Dat is toch je instrument. In de televisieserie destijds over acteren en emotie noemde Victor Low dat het voelen van totale vrijheid. Dat vond ik mooi getypeerd. Vrijheid, dat is het geluk, terwijl in wezen niets zo onvrij is als theater: je moet op, je 'wacht' komt, je ontkomt er niet aan. Dat is zo'n straf, zo vreselijk. Ik heb daar bij tijden slecht tegen gekund en wel eens een jaartje niet gespeeld.”

“Indertijd bij toneelgroep Theater ben ik ertussenuit gegaan naar de tekenacademie. Waarom ik dat koos, weet ik niet meer. Het maakte me niet zoveel uit, als ik maar niet hoefde te acteren. Elke ochtend zat ik naaktmodellen te tekenen, met houtskool. Heerlijk. Ik bleek er nog talent voor te hebben ook. Maar er kwam geen brood meer op de plank.”

“Ik vind acteren al jaren helemaal niet meer vreselijk, al is tweehonderd avonden achter elkaar op het toneel natuurlijk verschrikkelijk. Maar dat gebeurt me niet meer. Ik kan het nu afwisselen met workshops, lessen op de toneelschool, televisie, film, regies. En dan is spelen juist weer heel erg leuk. Nu opereer ik minder solistisch, speel het spel meer mee dan vroeger. Tegen elkaar zeggen: waarom ging het niet goed. Daar kan je onder gebukt gaan en daar ga ik ook onder gebukt, maar het is toch prettig als dat allemaal tot een mooie première leidt.”

“Op de middelbare school, toen je moest aangeven wat je daarna wilde, heb ik drie kruisjes gezet: bij atheneum (ik zat op de havo), bij conservatorium en bij toneelschool. Daar werd ik aangenomen en toen voelde ik me een hele Piet. Er waren er veel meer die dat wilden, maar ik was de enige die was aangenomen. Niemand wist dat ik zoiets in me had. Aan schoolrevue-avonden deed ik nooit mee, hooguit speelde ik een duet met mijn zusje. Thuis zei men wel al vanaf mijn babytijd: 'Porgy is een acteur.' Misschien vanwege de behoefte om je aan te stellen.”

“We hielden thuis improvisatie-avonden. Cola en chips op tafel, de Berend Boudewijnquiz op de tv, daarna alles aan de kant en dan kreeg je opdrachten. Hoogtepunt was altijd: mijn vader en ik. Ik voelde me, in dat grote gezin in Eindhoven met dertien kinderen, een jongetje dat niet bestond. En dan, zo voelde dat, stond ik onder stroom, had ik contact: met de mensen, met de wereld.”

“Elke week traden we, als het zangkoor 'De Hollandse Franssen', op met het hele gezin - met z'n veertienen, mijn vader bleef thuis - in bejaardentehuizen, in gestichten. Dat was een avondvullend optreden. Als we bijvoorbeeld het 'Laudate Dominum' van Mozart inzetten, voelde ik wel ontroering, vooral als mijn moeder ging zingen en wij daarna invielen, maar het evenaarde toch niet de impro met vader.”

“Op de toneelschool was iedereen ervoor dat ik werd aangenomen, behalve de stemdocent. Die jongen komt nooit verder met die stem, vond hij. Eigenlijk ben ik een beetje tegengehouden door die man. Van hem kreeg ik altijd een slechte beoordeling en daar is een soort van frustratie uit gegroeid. Toen ik later eens in een recensie las, dat ik met mijn stembuigingen zoveel kon, leek het alsof het over iemand anders ging.”

“Nog steeds is dat iets heel vreemds voor mij. Als ik bij Orkater naast mensen als Gijs Scholten van Aschat en Peter Blok sta, denk ik: als ik ook zo'n mooie stem had... Toch heb ik een productie als 'De getemde feeks' bij het Amsterdamse Bos een hele zomer uitstekend kunnen doen, in de openlucht en voor tweeduizend man publiek. Ik zit nu op zangles. Over een jaar kan ik, volgens die docent, met een hele goede stem liedjes zingen.”

Na de eerste zes jaar bij toneelgroep Theater, van 1978 tot '84, is Porgy Franssen nooit meer lang aan één ensemble verbonden geweest. Hij speelde in films en op tv, deed en passant nog een televisiedrama-regiecursus in Hilversum, en zwierf langs diverse gezelschappen. Een tijdlang behoorde hij tot de steracteurs van Art & Pro van Frans Strijards, die hij als een van de beste regisseurs beschouwt.

“Niet direct om het resultaat, maar vooral om zijn manier van repeteren, om wat hij te melden heeft.” De Mary Dresselhuys Prijs kreeg Franssen om 'zijn veelzijdige creativiteit en totale inzet voor het theater, waarvan hij vele facetten beheerst'.

“Ik had geen idee. We speelden met Orkater 'De formidabele Yankee'. Om acht uur stond ik nog met koffie en cognac aan de bar toen ik allerlei kopstukken zag binnenkomen, zoals Hans Croiset. Als ik weet dat er collega's komen kijken, dan wil ik ze wel van Jetje geven. Dus ik schoot naar boven. Het werd een goede voorstelling. Na het applaus kwam Mary Dresselhuys op toneel en zei: 'Ik zoek een acteur, ik zoek Porgy Franssen.' Het was feest, een warm bad. In een interview heb ik me kort daarop laten ontvallen: 'Maar eentje was er niet.' Het was net uit met mijn vriendin en ik zat in een diepe crisis. Daarop heb ik wel dertig brieven van vrouwen gehad.”

“Het enige wat ik op het toneel toen heb gezegd was: 'Is het bruto of netto?' Voor het geld heb ik een digitale camera gekocht. Met actrice Saskia Rinsma ga ik een filmpje maken bij een papierafslag in Roermond. Het leuke is dat ik het door die camera nu thuis kan monteren. En daarna kant en klaar aan een omroep aanbieden. Wat ik ook ga doen is een zogenaamd zwembadproject, een bewerking van 'Oceaan van een zee' van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco, bij Orkater in 2000. Op een duikvakantie in Egypte kwam ik met technicus Stefan Dijkman op het idee van een onderwaterproject, waarbij ook het publiek onder water zou zitten. Het was wel de vraag of je dat mensen kon aandoen. Inmiddels is het zo geschreven dat het niet meer onder water kan. Wel wil ik scènes onder water gaan filmen, onder andere een ontmaagdingsscène, en die op de een of andere manier door de voorstelling weven.”

“Verantwoordelijk zijn voor zo'n heel project! Ik heb in mijn leven nooit eerder iets op toneel gedaan, wat ik zelf wil. Je staat daar immers alleen maar te doen wat een schrijver heeft bedacht. Mijn handen jeuken voortdurend om zelf wat te bedenken, ook bij 'De Dresser'. En toch vind ik dit heel leuk om te doen, zelfs toen het bij een try-out opeens frustrerend slecht ging. Of misschien wel juist daardoor. Als het allemaal heel goed gaat, ook privé zoals nu het geval is, heb je 't gevaar dat je niet meer weet waar je het vandaan moet halen. Dit stuk gaat toch over lijden, over doodgaan. Dat is niet niks allemaal.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden