Als hij speelde moesten engelen zwijgen

Het liefst improviseerde hij op het orgel. Maar hij luisterde nooit naar opnamen daarvan. "Voor mij is het na de laatste noot afgesloten en uit."

'Jan, stop nu eens met rommelen en ga je muziekstuk eindelijk leren!" Als klein jongetje vond hij het veel leuker om thuis op het harmonium zelf muziek te maken dan om muziek van een ander te spelen. 'Rommelen' vond zijn moeder dat; zij bracht hem de discipline bij om ten minste zijn orgelboeken door te werken.

Dat Jan Jongepier voor het orgel koos - "op mijn tiende wist ik zeker dat ik organist wilde worden" - was niet zo verwonderlijk: Jans vader was organist in de gereformeerde kerk van Zaandam, gaf zijn zoon de eerste orgellessen en Jan ging mee, wanneer het orgel gestemd moest worden. Na verloop van tijd mocht hij eens na de dienst spelen en toen hij een jaar of dertien was begeleidde hij een complete dienst.

Ondertussen had hij al talloze schriftjes aangelegd, met orgelfoto's uit de NCRV-gids waarbij hij allerlei wetenswaardigheden overschreef in keurige blokletters. Op de mulo volgde de kweekschool want, zei hij later, "Mijn ouders vonden wel dat ik een echt vak moest leren". Toch wilde hij slechts één ding: orgelspelen.

Al op z'n zestiende was hij organist geworden van de Grote Kerk te Purmerend, waarin een groot, drieklaviers orgel stond, gemaakt door Rudolph Garrels. Het scheelde niet veel of die benoeming was niet doorgegaan. Jan had in zijn sollicitatiebrief 'vergeten' te vermelden dat hij gereformeerd was, waar het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde kerk een voorwaarde was. Toen dat uitkwam, werd hij gered door een van de predikanten die verklaarde 'liever een goede gereformeerde organist dan een slechte hervormde' te willen hebben.

Na de kweekschool ging Jongepier naar het Amsterdamse Muzieklyceum, waar Piet Kee zijn belangrijkste leraar werd. Tegelijkertijd gaf hij les aan de muziekschool in Purmerend, een baan die hij in 1972 - na het behalen van de Prix d'Excellence - verruilde voor het docentschap aan de muziekpedagogische academie (later conservatorium) in Leeuwarden.

Tot 1981 reisde Jongepier op en neer tussen de Friese hoofdstad en Purmerend. Hij was inmiddels getrouwd met Alie van der Land en samen kregen ze twee zoons: Matthijs (1973) en Vincent (1975).

Niet alleen orgelmuziek, ook het instrument zélf kreeg meer en meer Jongepiers belangstelling. Reeds tijdens zijn conservatoriumperiode deed hij onderzoek naar de geschiedenis van sommige instrumenten. Vooral de historische orgels in de provincie Friesland boeiden hem. Friese orgels hadden een eigen, herkenbare identiteit doordat ze veelal waren gemaakt door traditionele familiebedrijven zoals Van Dam, Van Gruisen en Adema. Ofschoon hij als organoloog volstrekt autodidact was groeide Jan Jongepier vanaf zijn eerste adviseurschap in 1974 uit tot dé autoriteit op het gebied van orgelrestauraties. Noord-Nederland mocht dan zijn 'hoofdwerkterrein' zijn, ook in andere regio's werd zijn oordeel gevraagd en zijn deskundigheid erkend. In talloze artikelen, brochures en boeken droeg hij die vakbekwaamheid en vooral de liefde voor de instrumenten uit, doorgaans ook voor de geïnteresseerde leek toegankelijk en inzichtelijk beschreven.

Een van die boeken was 'Vijf eeuwen Friese orgelbouw' (2004), waarin bijna vierhonderd Friese orgels werden gedocumenteerd. Was de kiem daarvoor misschien op de kweekschool gelegd? "Schrijven is een passie van mij. Ik vind het belangrijk de ins en outs van orgels met anderen te delen. Dat is de schoolmeester in mij", zei hij in 2006 tegen het Reformatorisch Dagblad. Kerksluitingen en het overheidsmonumentenbeleid stemden hem overigens niet erg optimistisch over de toekomst van het orgel.

Aan het pendelen tussen Friesland en Noord-Holland kwam in 1981 een einde. De organist van de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden was plotseling overleden. De aanvankelijk benoemde opvolger wilde niet naar Ljouwert verhuizen, maar de Jongepiers hadden aan één fotootje in de krant genoeg om verliefd te worden op een herenhuis aan de Leeuwarder Emmakade. Wat volgde was een project-van-lange-adem, want het grote huis uit 1909 was nodig aan onderhoud toe. De parallel oud huis/historisch orgel dringt zich op: wat is hoognodig, wat moet er worden gereconstrueerd, wat kan er worden geconserveerd, wat kunnen we betalen? Soms was het geld 'even' op en dan lagen de werkzaamheden een tijdje stil.

Als vaste bespeler van het monumentale Müller-orgel uit 1727 van de Jacobijnerkerk ontwikkelde Jan Jongepier een bloeiende concertpraktijk. Hij beheerste een breed repertoire, van Sweelinck tot en met de modernen, maar Johann Sebastian Bach was en bleef, óók voor Jongepier, de schepper van de volmaakte muziek. In 1985, het driehonderdste geboortejaar van Bach, speelde hij op een concertserie in zijn kerk alle orgelwerken van de Thomascantor. Vijftien jaar later, toen Bachs tweehonderdvijftigste sterfdag werd herdacht, deed hij dat nog eens over, maar nu verspreid over alle zondagen van dat jaar.

Ook de 'verkondigende waarde' van Bachs muziek speelde mee voor Jongepier als praktiserend christen. Daarom voelde hij zich vóór alles kerkmusicus, die er naar streefde in zijn orgelbegeleiding een eenheid te vormen met de zingende gemeente. In Leeuwarden keerde Jan Jongepier ook definitief terug naar het 'rommelen' uit zijn jeugd. In 1968 (Bolsward) en in 1970, 1971 en 1972 (Haarlem) had hij al prestigieuze orgelimprovisatieconcoursen gewonnen en de kunst van het improviseren perfectioneerde hij tijdens zijn Leeuwarder periode. Dat vond hij de mooiste vorm van musiceren.

"Het merkwaardige is, wanneer ik vóóraf denk: 'wat zal ik 'es gaan doen?' dat er dan niets gebeurt. Geluid, klank - dát is mijn materiaal en dan komt het vooral aan op de interactie tussen speler en instrument. Tijdens het spelen ontstaat er dan wel een idee, maar dat verloopt nooit op dezelfde manier. Er moet wel een zekere structuur zijn, spanning en ontspanning, rust en climax, lange lijnen, maar ook afwisseling... Toch weet ik niet écht hoe het precies in z'n werk gaat."

Jongepier beheerste alle mogelijke uiteenlopende muzikale stijlen. Een koraalfantasie naar Noord-Duits model, een improvisatie in 19de-eeuwse symfonische stijl of een moderne interpretatie met veel dissonanten en enorme klankerupties: ze kwamen ogenschijnlijk moeiteloos onder zijn handen en voeten vandaan. Cd-opnamen van zijn improvisaties beluisterde hij zelf nooit: "Het is de kunst van dát moment en na dat moment komt er weer iets anders. Ik vind het fijn, wanneer anderen daar keer op keer plezier aan beleven, maar voor mij is het na de laatste noot afgesloten en uit."

Veel kerkgangers bleven na de dienst luisteren naar 'de preek van Jan'. In Leeuwarden ging het verhaal dat God zijn eeuwig zingende engelen 's zondags om elf uur tot stilte maande, omdat Hij van Jongepiers improvisatie geen noot wilde missen.

Jan Jongepier was op kerkmuzikaal gebied geen scherpslijper. Hij was niet tegen het gebruik van andere muziekinstrumenten dan het orgel in de eredienst, maar had er wel moeite mee, als dat gebeurde met het argument 'laten we gezellig piano en gitaar gebruiken en niet meer op dat saaie orgel spelen'. Dat vond hij 'heel vervelend en niet zo intelligent'. Ook met het niet-ritmisch zingen van de psalmen, zoals dat in streng-protestantse kring voorkomt, had hij geen moeite, mits dat integer en mooi gebeurde. Tegelijkertijd vocht hij het zingen-op-hele-noten op historische gronden wel aan.

Ook al had hij in kringen van orgelliefhebbers een grote naam, daarbuiten bleef hij een onbekende. Hij kon er de humor wel van inzien toen een lid van de plaatselijke culturele commissie na afloop van een concert de bloemen overhandigde aan 'mijnheer Leen Jongewaard'.

Toen hij 65 werd, nam Jan Jongepier afscheid van de Jacobijnerkerk. Wel bleef hij titulair (een soort eretitel, zonder daadwerkelijk de functie te bekleden) van zijn eerste liefde, het Garrels-orgel in Purmerend.

Terug naar Noord-Holland gingen de Jongepiers niet, daarvoor waren ze te veel aan Friesland verknocht geraakt en bovendien was hun huis nu ook pas 'af'.

Opeenvolgende fysieke ongemakken (hij had bijvoorbeeld al jaren rugklachten) maakten dat Jan na verloop van tijd veel van zijn activiteiten moest beëindigen. Begin van dit jaar bleek dat deze pleitbezorger van het historische orgel niet meer kon genezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden