Als het vliegwiel eenmaal draait

De stad bloeit. De tijd dat mensen en masse de stad verlieten, weg van vervuiling en verpaupering, is al bijna vergeten. Toch behoren achterstandswijken nog niet tot het verleden. Deel 1 van een serie over de triomf van de stad.

Vergane glorie is het. Een pastelgeel huis, flink verzakt, het gras eromheen hoog opgeschoten. De NV Oliefabriek Insulinde - het is nog op de gevel te lezen - hield hier ooit kantoor. Vanaf 1913 werd er kokosolie verwerkt. De fabriek bloeide in korte tijd op, maar de neergang ging bijna net zo snel en al in 1926 ging Insulinde failliet. Een paar vervallen panden hier op Cruquiuseiland in Amsterdam, meer is er niet van over.

Schuin ertegenover staan twee panden waarin ooit verffabriek Sikkens huisde. Hekken met hangsloten eromheen, veel ingegooide ruiten. Toch schijnen er mensen te wonen, tijdelijk.

"Kunstenaars, geloof ik", zegt Adriaan Verstijnen. In een loods naast de voormalige verffabriek heeft hij een werkplaats waar hij dieselmotoren voor boten opkalefatert. Voor zolang het duurt. "Dit is een desolaat gebied, een van de laatste die er in Amsterdam nog zijn. De stad bloeit, de stad dijt uit, overal wordt gebouwd. Straks komen hier ook de hijskranen. En dan zoek ik een andere plek."

Cruquiuseiland, dat is zoals nog maar een kwarteeuw geleden het hele Oostelijk Havengebied erbij lag, vóór de stad weer opbloeide. Dit deel van de stad bestaat uit een aantal schiereilanden, eind negentiende eeuw aangelegd voor rederijen die op Indië voeren. Vanaf de jaren vijftig, toen de handel stilviel, raakte het gebied in verval, tot er alleen nog krakers en kunstenaars woonden.

Maar toen kwamen de jaren negentig. In hoog tempo werd in het Oostelijk Havengebied een hele nieuwe woonwijk gebouwd, met deels goedkope huurwoningen - zoals Amsterdam al jaren gewend was te bouwen - maar ook dure huizen voor de vrije markt. Spannend, vond men op het stadhuis, want zou daar wel vraag naar zijn? Ruim voldoende, bleek al gauw.

Neergang en opleving

"Het Oostelijk Havengebied is voor mij hét symbool van een keerpunt in de geschiedenis van de stad. En niet alleen van Amsterdam", zegt Wim Derksen, stadssocioloog en oud- hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Midden jaren zestig begon in de steden een tijd van neergang. In twintig jaar raakte Amsterdam zo'n 200.000 inwoners kwijt. Die trokken naar Purmerend of Almere - zoals stedelingen elders naar Spijkenisse en Zoetermeer trokken. De oude steden waren vies en verpauperd, de nieuwe woongebieden ruim en groen en schoon.

Rond 1985 begon het tij te keren. De steden groeien weer. Vorig jaar begon voor het eerst sinds jaren ook weer een voorzichtige stroom mensen de stad uit op gang te komen, maar toch groeien bijvoorbeeld Amsterdam en Utrecht nog steeds met anderhalf procent per jaar. Gezinnen hoeven niet meer zo nodig weg en ook hoogopgeleiden wonen vaak liever in de stad dan erbuiten.

"In het Oostelijk Havengebied zag ik dat voor het eerst gebeuren", zegt Derksen. "Toen ik daar halverwege de jaren negentig rondwandelde en bij mensen naar binnen keek, zag ik boekenkasten staan. Hier werd gebouwd voor een nieuw soort stedeling, de hoogopgeleide kenniswerker, het soort mensen waar de post-industriële economie op draait."

Er wordt nu zelfs gesproken van de 'triomf van de stad', naar een spraakmakend boek van Edward Glaeser, hoogleraar economie aan de universiteit van Harvard (zie kader) - Derksen geeft er een leergang over voor ambtenaren uit steden in heel Nederland.

Ook in politiek Den Haag wordt over de steden nu heel anders gedacht dan een paar jaar geleden. Decennialang draaide het in het grotestedenbeleid om achterstandswijken, om armoede en segregatie. Tot en met de Vogelaarwijken was de aanpak erop gericht arme buurten erbovenop te helpen. Maar het eerste kabinet-Rutte (aangetreden in 2010, met gedoogsteun van de PVV) brak zonder veel omhaal van woorden met dat beleid.

Als het nu in Den Haag over 'de stad' gaat, wordt er niet langer over achterstanden gesproken. Integendeel, het gaat over de stad als koploper, de stad als motor van de economie van heel Nederland. In de zogeheten Agenda Stad, waarmee minister Plasterk zich bezighoudt, draait het louter om de vraag hoe die motor het krachtigst kan draaien.

Uitzonderlijk

Wat is er gebeurd? Geografen, sociologen en economen zijn het erover eens dat de periode van ontstedelijking in de tweede helft van de vorige eeuw historisch gezien nogal uitzonderlijk was - iets wat zich trouwens niet alleen in Nederland, maar ook in steden als New York, Parijs en Londen voordeed. Uiteindelijk zal de verstedelijking doorzetten, wordt alom gedacht.

Die uitzondering is te verklaren, zegt Derksen. In de jaren zestig was veel industrie nog in de stad gevestigd en dat gaf vervuiling. Tegelijkertijd nam de welvaart toe en daardoor kwam de auto binnen bereik van veel mensen. "Wie dat wilde, kon dus net zo goed buiten die vieze stad gaan wonen en op en neer rijden naar zijn werk."

Maar in de loop van de jaren zeventig en tachtig verdween de industrie naar bedrijventerreinen aan de randen van de stad of naar lagelonenlanden. Ongeveer vanaf de eeuwwisseling kwam vervolgens een nieuw soort economie op, een economie die draait om kennis en creativiteit.

Voor die nieuwe economie is de stad de geschiktste plek. Want kennis is te vinden in de stad, waar de universiteiten staan, waar hoogopgeleiden elkaar tegenkomen en ideeën uitwisselen. Waar zich dus ook bedrijven vestigen die zulke hoogopgeleiden nodig hebben - banken, advocatenkantoren, it-bedrijven, de creatieve industrie, noem maar op. En waar dus nog meer hoogopgeleiden naartoe trekken, zeker als de stad ook op het gebied van vrije tijd en cultuur het nodige te bieden heeft. "Is dat vliegwiel eenmaal goed in beweging", zegt Derksen, "dan lijkt het bijna vanzelf beter en beter te gaan."

Amsterdam is in Nederland het beste voorbeeld van een stad waar dit gebeurt. In 2015 vestigden zich 140 nieuwe buitenlandse bedrijven in en rond de stad en die leveren zo'n drieduizend banen, maakte de gemeente begin dit jaar bekend. En dat is maar één teken dat het goed gaat met Amsterdam. Zó goed dat stadsbestuurders zich al afvragen of het vliegwiel niet te hard draait. Want de stad is vol, huizen zijn lastig te vinden en worden daardoor vanzelf duur. Blijft de stad betaalbaar voor gewone Amsterdammers?

"Maar die triomf van de stad doet zich niet overal voor", stelt Derksen. "Neem Heerlen, neem Enschede, daar lukt het niet. En kijk naar Rotterdam, daar gebeurt het ook nog niet echt. Die stad doet erg z'n best om hoogopgeleiden te trekken en vast te houden - want met laagopgeleiden en havenarbeiders red je het niet. Maar dat gaat moeizaam. Huizen bouwen op mooie plekken om meer welgestelden te trekken is niet genoeg."

Vroeger kwamen mensen naar de stad omdat daar werk te vinden was, vervolgt Derksen. Nu komen bedrijven naar de steden waar de beste, de slimste mensen te vinden zijn. Om het vliegwiel op gang te brengen, zijn er dus én bedrijven én hoogopgeleiden nodig. Maar bedrijven komen pas als er hoogopgeleiden zijn, en die komen pas als er bedrijven zijn. "In Rotterdam zijn de huizenprijzen nog vrij laag. Dat zegt genoeg: de stad is gewoon nog niet aantrekkelijk genoeg."

Ander soort toekomst

Steden die er niet in slagen hun motor aan de praat te krijgen, hebben reden zich zorgen te maken - of moeten zich instellen op een ander soort toekomst.

Hetzelfde geldt voor gebieden waar de bevolking krimpt. Zoals ooit de laagopgeleiden achterbleven in de verloederde binnensteden, zo blijven ze nu achter in de krimpgebieden, waarschuwde het Centraal Planbureau een paar jaar geleden al.

Een soortgelijke waarschuwing komt van het Planbureau voor de Leefomgeving in het vandaag verschenen rapport 'De verdeelde triomf' - de titel verwijst naar Glaesers boek. Niet elke stad triomfeert, stellen de PBL-onderzoekers, en ook binnen triomferende steden profiteert niet elke inwoner van de voorspoed.

Allereerst neemt de economische ongelijkheid in de steden toe, want de lonen van de best betaalden stijgen hard en die van de laagst betaalden dalen weliswaar niet, maar stijgen nauwelijks mee. "De lonen voor laagbetaalde banen liggen in de stad hoger dan elders", zegt PBL-onderzoeker Otto Raspe. "Maar wie zonder werk zit, komt in de stad niet sneller aan een baan dan erbuiten."

Minder duidelijk, maar desondanks zichtbaar, is dat her en der in de steden armen en rijken vaker in verschillende buurten terechtkomen. Welgestelden wonen vaak nog in gemengde wijken, armen komen steeds vaker in buurten terecht waar bijna alleen andere mensen met weinig inkomen wonen.

Is er op termijn dan toch weer beleid nodig voor de achterstandwijken in de stad? Zou kunnen, zegt Edwin Buitelaar van het PBL voorzichtig, maar dat moet dan vooral gericht zijn op mensen, en niet zozeer op buurten zelf. "Mensen zijn niet arm of werkloos omdat ze daar wonen, maar andersom", zegt hij. "Je kunt beter geld steken in goed onderwijs dan in nieuwbouw in die buurten."

Dat is precies wat ook Derksen aanraadt. "Achterstandenbeleid komt terug, ongetwijfeld", zegt hij. "Maar laten we niet de oude fout maken om wijken te gaan opknappen. Kijk wat er gebeurd is in Katendrecht, Rotterdam. Die wijk ziet er nu geweldig uit. Maar de bewoners van destijds wonen nu in Hoogvliet. Wat zijn die ermee opgeschoten?"

De stad triomfeert

De stad is 'onze grootste uitvinding' en die maakt ons 'rijker, slimmer, groener, gezonder en gelukkiger'. Edward Glaeser, hoogleraar economie aan de universiteit van Harvard, is al in de ondertitel van zijn boek 'Triomf van de stad' (uit 2011) heel duidelijk over zijn waardering voor de stad. "Elke burgemeester van een middelgrote en grote stad heeft het waarschijnlijk op z'n nachtkastje liggen", zegt stadssocioloog Wim Derksen, die een leergang voor ambtenaren geeft met dezelfde titel als Glaesers boek. "Of op de salontafel - niet iedereen zal het gelezen hebben. Maar de invloed van het boek sijpelt sowieso wel door."

Alle succesvolle steden hebben één gemeenschappelijk kenmerk, luidt de boodschap van Glaeser: grote steden trekken slimme mensen aan. Die komen elkaar tegen en werken samen, en daardoor verspreidt nieuwe kennis zich snel. Het ene nieuwe inzicht leidt tot het andere en zo ontstaat de vernieuwing waar de economie op draait.

Maar niet in alle steden. Neem Detroit, de stad die door de neergang van de autoindustrie in een diepe crisis is terechtgekomen. Geen wonder, stelt Glaeser. Detroit is de stad waar de lopende band is uitgevonden en voor lopendebandwerk zijn juist géén slimme mensen nodig. "En mensen die minder hoeven te weten, hebben de stad niet nodig om kennis te verspreiden. Als een stad zo'n kennis vernietigende uitvinding als de lopende band invoert, maakt ze zich in feite op voor zelfvernietiging."

En al die armen in de stad, zijn die het bewijs dat de stad niet op elk terrein triomfeert? Die komen naar de stad omdat ze daar kansen zien om het beter te krijgen, betoogt Glaeser. Dat lukt vaak ook, maar door de voortdurende stroom van armen vanaf het platteland neemt het aantal armen niet af. Zo bezien is ook die armoede een teken dat het goed gaat met de stad.

Voor dat laatste vonden de onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving weinig bewijs. Mensen met een laag inkomen trekken in Nederland niet naar de stad, al was het maar omdat ze er geen betaalbaar huis kunnen vinden. En het merendeel van de werklozen in de stad profiteert ook niet van de banengroei, maar blijft lang zonder werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden