Als het uiteinde van de schepping waar geen distel meer groeit

Om de schilder Hercules Seghers, waarschijnlijk geboren 1590, laatste levenstekens 1633, hangt een waas van geheimzinnigheid. Zijn biograaf Samuel van Hoogstraten voert hem op als een typisch voorbeeld van een mislukte kunstenaar, iemand die alles tegen zat en wiens genie door niemand werd erkend. Zijn werk vond geen afzet, hij raakte aan de drank en viel, toen hij op een avond bezopen thuiskwam, van de trap en stierf. Een levensverhaal dat naar men aanneemt grotendeels uit de duim is gezogen.

Over het werk van Seghers is Van Hoogstraten betrouwbaarder, gezien de volgende karakteristiek: “Hij was van een gewis en vast opmerken, zeker in zijn tekening van Lantschappen en gronden, aerdich in verzierlijke bergen en grotten, en als zwanger van geheele provinsien, die hij met onmetelijke ruimtens baerde en in zijn schilderijen en printen wonderlijk liet zien.”

Hierin klinkt inderdaad iets door van het vreemde en raadselachtige van Seghers' werk. Het heeft tot de verbeelding gesproken van diverse dichters, van onder anderen Gerrit Achterberg, Hans Faverey en H. H. ter Balkt.

Ook tot de verbeelding van Theun de Vries, die zijn oeuvre nu afrondt met een kleine roman, 'De bergreis', waarin hij het leven van de ongelukkige Hercules oproept op basis van de spaarzame biografische gegevens die de kunsthistorici hebben opgedolven en, vooral, van het werk. Dat laatste levert een sterk staaltje op van inlevend beschouwen, waarbij het werk als informant wordt gezien in biografisch opzicht. Seghers is voor een romancier een dankbaar personage, dat vrijwel geheel door de verbeelding kan worden ingevuld.

In een 'Aantekening' achteraf schrijft De Vries dat hij aan de roman is begonnen na het zien van de grote Seghers-tentoonstelling in 1954 in het Rijksmuseum, Amsterdam. Dit is een mooi voorbeeld van het verschijnsel dat museumbezoek schrijvers aan het werk zet. Het verhaal bleef evenwel onvoltooid liggen, in latere jaren werd het enkele keren hernomen en in het voorjaar van 1997 ten slotte afgerond. Een lange ontstaansgeschiedenis dus, die zich ook wel uit de vorm en de verschillende vertellagen laat aflezen.

De Vries heeft zich wat het leven van Seghers betreft aangesloten bij het berichten over een bastaard, die hij zou hebben verwekt. Daar ligt een van de oorzaken van het schuldgevoel dat Seghers, in de visie van De Vries, zijn leven lang met zich zal meedragen. Anneken van der Bruggen, de oudere vrouw die hij vervolgens trouwt, of liever gezegd die zich als echtgenote tiranniek aan hem opdringt, doet hem zo mogelijk nog meer in zijn schulp kruipen. Het enige gebied waarop hij zich kan bezighouden met wat hem werkelijk bezielt, is zijn kunst.

Kunsthistorici hebben zich afgevraagd waar Seghers' berglandschappen vandaan komen, of hij ze gebaseerd heeft op echte Alpenervaringen, zoals Bruegel, of dat hij ze heeft afgeleid van kunst. De Vries sluit aan bij de gangbare idee dat ze niet uit aanschouwing zijn geëtst of geschilderd maar aan kunst en fantasie zijn ontsproten.

Hij ziet Seghers als iemand die vervuld is van maar één droom: bergen zien. Als de chirurgijn, die wel ziet hoe hij gebukt gaat onder het regime van zijn vrouw, hem een heilzame voetreis opdraagt, gaat Seghers via Utrecht, Nijmegen en de Maas naar het zuiden en ziet hij een glimp van beginnend gebergte bij Luik. De tijdsomstandigheden verhinderen evenwel een vervolg van deze reis en hij keert na wat omzwervingen berooid en geknakt in Amsterdam terug, zonder dat zijn bergdroom in vervulling is gegaan.

Naast het schuld- en het bergmotief legt De Vries vooral de nadruk op het bijzondere, wel experimenteel te noemen karakter van Seghers' etskunst. Hij speelde met het materiaal en was voortdurend op zoek naar nieuwe technieken, dat is af te zien aan de wonderlijke resultaten die hij wist te bereiken. De Vries geeft in de volgende, treffende passage een indruk van Seghers' artistieke queeste:

“Hij boog zich weer over zijn werktafel. Langzame terugkeer naar het eiland waar hij alleen is met de kleine, beheksende visioenen. De vellen papier met zorg prepareren voor iets dat nog niet is vertoond, kleuren tegen elkaar op werpen zoals men dat nog niet gewaagd heeft. Een eik laten groeien, barstig in de schors als een verweerde piekenier, een boerenbehuizing als een molshoop uit de potbruine aarde trekken, een uil in een boograam, zilver op zwart, trieste en schrille verwondering in zijn ogen.

Achter de deur waar hij nooit een vreemde binnenlaat broedt Hercules op nieuwe vondsten. Met kleurinkt tekenen op linnen, olieverf werken in een etsdruk, papier vernissen met olie. De kleine eikenhouten pers, die hij Anneken al in de begintijd afgetroggeld heeft, is Hercules' uitkomst; hij kan er één ets mee afdrukken op tien verschillende kleuren en dikten van papier, en hij kan in elke afdruk werken met andere stiften, penselen en verven. Hij heeft geen rust, de invallen dringen zich op, de creaturen van zijn droom en hand liggen en hangen rondom hem. Hij zit af en toe stil tussen dit bizarre kroost en bekijkt het en denkt na, maar hij weet niet goed meer wat het was dat daar een schaduw over zijn ziel trok. Hij verdringt zijn naargeestigheid met kleur en maakt beelden van eenzaamheid: een diep panorama van blauw en groen, gebroken door het hoog skelet van een windmolen.''

Ook kunsthistorici hebben de landschappen van Seghers wel geïnterpreteerd als uitbeeldingen van zijn innerlijk, zijn geestelijke beklemming of melancholische aard. Het blijft een subjectieve kwestie en de romancier is hier natuurlijk in het voordeel, want hij mag er in zien wat hij wil.

De Vries, als gezegd, ziet in de naakte rotslandschappen de droom die Seghers bezielde: “De bergen van zijn verbeelding stonden naakt en bijna schrikwekkend in een zonloos landschap waaraan elke lieflijkheid of leven ontbrak; een landschap zoals het niet eerder geschilderd was.” Deze bergen zijn “als het uiteinde van de schepping waar geen distel meer groeit en zelfs een vervloekte Kaïn nog geen woonstee zou begeren”.

Misschien zijn Seghers' rotslandschappen wel ontstaan uit doodsverlangen, of anders uit de behoefte aan boetedoening voor zijn schuld: “Straf! Was het dwingende, ziekelijke verlangen om bergen te zien soms al een begin van straf? Was er een begeren in hem verbannen te worden naar een onherbergzaam oord. . .?”

Zijn schuldgevoel wordt er niet minder op als hij na 's nachts stomdronken te zijn thuisgekomen, de volgende ochtend zijn vrouw dood onderaan de trap vindt liggen (een verrassende variant op het levensverhaal van Van Hoogstraten). Hij vraagt zich af of hij haar wellicht in zijn dronkenschap naar beneden heeft gestoten, en blijft met deze onbeantwoordbare vraag zitten.

Behalve een uitwerking van het personage Hercules Seghers en zijn persoonlijke omstandigheden biedt 'De bergreis' in al zijn beknoptheid ook nog veel couleur locale en beschrijvingen van de historische werkelijkheid. Aan het eind, in een epiloog die door een kunsthandelaar en Seghers-verzamelaar verteld wordt, ruim na Seghers' dood, treedt zelfs nog even Rembrandt op, die gezegd zou hebben: “De oude haspelaar is dus om zeep? Spijtig; hij kon wat.”

Het moet voor Theun de Vries zoiets geweest zijn als het rondmaken van de cirkel, want zijn eerste grote roman, uit 1931, was gewijd aan het leven en het werk van Rembrandt. Via Seghers, een voetnoot bij Rembrandts leven, kon hij terugkeren bij zijn eerste liefde en er tot slot aan toevoegen dat de dood van een kunstenaar, ook van Seghers, nooit het einde is, want “de vragen zouden zich voortslepen door de tijd zolang het werk bestond, en mensen zouden zich blijven verwonderen”.

Deze kleine roman is daar het mooie en levendige bewijs van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden