Als het stiller wordt vanbinnen

De religieus getinte roman 'Mintijteer', in Nederland eerst alleen opgemerkt door christelijke bladen, beleeft een bescheiden opmars. Net als in het Duitsland van schrijfster Esther Maria Magnis. 'Als er iemand doodgaat, laten mensen God liefst in scherven uit elkaar vallen.'

RIANNE OOSTEROM

Toen de 15-jarige Esther Maria Magnis haar tanden poetste en in de spiegel keek, dacht ze: ik wil papa niet kwijt. Toen ze 's avonds in bed lag en buiten het beekje hoorde ruisen, dacht ze: ik wil papa niet kwijt. Toen ze gele boter over haar boterham uitsmeerde, dacht ze: ik wil papa niet kwijt.

De zin werd een refrein dat door haar hoofd denderde. Hij opende zich in haar buik, trok in haar voeten, groeide uit haar vingernagels, verstrikte zich in haar haar en lag in het zweet op haar huid, schrijft de Duitse schrijfster (35) in haar pas vertaalde, autobiografische boek 'Mintijteer'. Daarin schrijft ze in filosofisch getint en elegant proza over het probleem van het lijden waarmee ze geconfronteerd wordt.

Want het ik-wil-papa-niet-kwijt haakte zich aan haar 15-jarige zelf vast, schrijft ze. Tot opeens het woordje 'God' viel; mensen zeiden dat het uitkomst zou bieden. Daardoor werd het akelige refrein een gebed, dat Magnis dan weer fluisterde, dan weer prevelde, dan weer uitschreeuwde. Tevergeefs. Twee jaar later stond Magnis aan het graf van haar vader - als een stuk onbenul, schrijft ze, een boeketje bloemen losjes in haar hand. Een 17-jarig memento mori, dat was ze, schrijft ze zelf.

undefined

God luisterde niet naar uw gebed. Wat deed dat met u?

"Ik brak met hem en zei: ik praat nooit meer met u. Ik vond vanaf dat moment dat alles bewezen moest worden, want de dood was zo'n harde realiteit. Ik wilde alleen nog maar dat soort voelbare realiteit, ik geloofde niet meer dat mensen een ziel hadden, dat ze waardigheid bezaten. Menselijke waardigheid is onaanraakbaar - je kunt het niet zien, je moet erin geloven en ik geloofde in niets meer. Ik begon mijzelf te verliezen en daarmee, ironisch genoeg, de realiteit."

undefined

In uw boek schrijft u over 'mevrouw Klikspaan' die u steeds vergezelt. Zij lijkt de personificatie van nihilisme en fluistert u in dat het leven geen zin heeft. Heeft u haar verslagen?

Magnis zucht. "Daar gaat ongeveer het halve boek over. Moet ik dat kort gaan samenvatten? Da's heel moeilijk, daar loop ik steeds tegenaan. Ik wil dat het boek poëtisch blijft, vol open vragen die een eigen leven gaan leiden in iemands hoofd, vol zinnen die de ruimte krijgen. Als ik over geloven of niet ga praten in korte antwoorden op interviewvragen, haal ik het leven eruit en doe ik alsof er geen complexiteit in zit."

undefined

Maar dat zit er juist in, daar getuigt uw strijd met mevrouw Klikspaan van.

"Nadat ik met God brak, ging ik de bossen in en ik zat elke dag bij een toren te roken. Ik stond daar op het leven te reflecteren. Mijn gedachten gingen heel ver: ik vroeg me af waarom ik in vredesnaam een naam had. Ik heb niet eens een ziel, dacht ik, ik ben gewoon een mix van DNA en opvoeding; waarom geven ze ons geen nummers? Niets deed er meer toe, ik voelde niets meer. Ik stopte zelfs met denken, ook dat vond ik belachelijk."

undefined

Maar u sprong niet van de toren.

"Ik was te bang om de consequenties van mijn gedachtenpatroon te overzien. Ik wilde overleven, en voelde me daardoor nog meer dier. Ik denk dat er twee dingen moesten gebeuren: ik moest weer geraakt worden, ik moest weer in verbintenis staan met de pijn die ik had - eigenlijk moest ik me mezelf herinneren."

Jaren en dozen vol zwarte gedachten later zit Esther Magnis (met de immer aanwezige mevrouw Klikspaan in de hoek van de kamer), aan het bed van haar zieke oma. Op haar nachtkastje staat ontsmettingsmiddel, een inhaleerapparaat, er liggen een paar wegwerphandschoenen. Magnis zingt al drie jaar lang iedere avond kinderversjes voor haar. Ze kent ze allemaal uit haar hoofd.

Vanavond is niet anders dan andere avonden. Magnis zingt, haar oma murmelt mee. Zo gaat dat een half uurtje. Ze begint aan een liedje van vroeger. "Aan die duizend duizendtallen, heeft de Heer een welgevallen, en ook mij bemint hij teer, en ook mij bemint hij teer", ze graait in haar geheugen - wat was dat woord nou - langzaam komt het, alsof ze zich de naam van die acteur in die goeie film herinnert: Mintijteer.

Haar hart slaat over. Dit is haar vergeten woord; haar kinderlijke verbastering van 'bemint hij teer'. Ze heeft er zo lang naar gezocht toen ze 15 was, toen haar vader ziek werd. Maar ze herinnerde het zich niet meer. Terwijl het een heel kostbaar woord was voor haar.

Magnis: "Ik ontdekte op dat moment de eerste waarheid van dit leven; namelijk dat ik ben. Ik werd me weer bewust van mezelf, accepteerde dat ik hier op aarde was, kreeg mijn naam terug. Dat het 'ik' een waarheid was, opende voor mij de deur naar andere waarheden."

undefined

U vond God terug, beschrijft u. Ook door nieuw lijden heen. Was lijden voor u geen argument meer tegen het bestaan van God?

"Het is een goede reden om je van God af te wenden. En natuurlijk kan het kwaad een argument zijn voor de gedachte dat er niets is - dat er geen liefde achter het leven schuilgaat, dat er geen God bestaat die om ons geeft. Maar de majesteitelijkheid van het leven, de stille schoonheid van de mens die het mysterie van zijn eigen bestaan amper doorgrondt, kunnen argumenten zijn voor de mogelijkheid van het idee God.

"De vraag is vanaf welke kant je de mogelijkheid of de onmogelijkheid van God benadert. Als mijn dochter de weg op wil rennen en er komt een auto aan, houd ik haar tegen. Dat is logisch. Ik snap niet waarom God lijden niet tegenhoudt. Je kunt dat proberen te verklaren vanuit de vrije wil - maar uiteindelijk kun je het probleem niet oplossen omdat het niet in onze logica past.

"Maar als je lijdt, moet je God - als je de gedachte dat hij er is een kans geeft - daarmee confronteren. Dat is de dapperste en beste manier vind ik, want misschien is God wel anders dan we verwachten of kunnen begrijpen. We zullen nooit veel over hem, het leven en de wereld te weten komen als we op onze stoel blijven zitten en kijken naar het schouwspel dat ons leven heet. Als je blijft praten tegen God terwijl je lijdt, geeft hij je misschien geen antwoord, maar zorgt hij er wel voor dat het stiller wordt vanbinnen. Net als dat mijn kind huilt in mijn armen. Dat is toch minder erg - ze schuilt namelijk ergens, ze is veilig."

undefined

Hoe blijft u nu dichtbij God?

"Ik heb twee kinderen en ik werk vanuit huis. Ik heb geen tijd meer om gewoon bij een toren te zitten en na te denken, met mijn sigaret in mijn hand. Ik ervaar wel een speciale genade in het moederschap. Het is veel makkelijker voor mij om te bidden in de weinige stille momenten die er zijn. Liggend in bed, terwijl ik mijn kind voed, denk ik vaak aan God. En als mijn hart niet bij hem is, helpt het mij om naar de kerk te gaan; daar gedenk ik de dood en vier ik het leven, ik zing erover en geef het lijden een plaats."

undefined

Ziet u achteraf ook nut in lijden?

"Ik zou nooit nooit nooit zeggen dat er ook maar iets goeds is aan de dood. Een asshole is hij, hij leert me niets, verwoest alles en is het tegenovergestelde van leven. Ik had de dood niet nodig om te beseffen dat ik van mijn vader hield - hoe zielig is dat, als je de dood nodig zou hebben om dankbaar te zijn voor een ander?

"Alleen God kan iets zeggen over het nut van de dood, geloof ik. Als je al een antwoord krijgt op het waarom van lijden, is dat in de meeste gevallen door een intiem begrip dat ontstaat door een gebed dat je draagt, dat luider wordt, en de waaromvraag laat verzwakken, dan door iemand die het op het kerkplein aan je uitlegt.

"Het wonder van het leven is niet dat we doodgaan, maar dat we bestaan. Ik kan de dood alleen accepteren als een moment van verandering waar we doorheen moeten gaan, doordat ik mij richt op God en op het feit dat hij liefde en leven laat winnen. Anders zou het voor mij volledig onacceptabel zijn dat de mooie mensen gewoon vertrekken alsof ze nooit bestonden."

undefined

Had u eigenlijk het idee dat u God goed genoeg kende om over hem te schrijven?

"Ik wist vaak niet wat ik over hem moest schrijven. Ik was beschaamd, en dacht: misschien wil God niet dat ik dat doe. Soms schreef ik iets wat ik dagen daarna niet meer geloofde. Terwijl het toch mijn geloof moest zijn. Dat was moeilijk. Ik denk dat ik daarom in zo'n open taal schrijf. Aan het begin van het boek beschrijf ik dat ik als kind op het strand sta en iets bijzonders voel. Je kunt dat op verschillende manieren lezen: als een religieuze ervaring, of filosofisch, als het moment dat het subject de wereld voor het eerst tegemoet treedt."

undefined

Is het open proza waarin u schrijft niet gewoon een veilig muurtje om u heen?

"Ik ben niet bang om te zeggen wat ik geloof, maar ik was wel bang om een geloofsrecept aan de lezer voor te schotelen. Ik wil dat de lezer zich vrij voelt. Het proza was de enige vorm waarin ik kon schrijven over lijden; ik schrijf op mijn gevoel, ik denk niet bewust na over de taal. Hoewel ik me ook wel weer achter de taal kon verstoppen, vooral omdat ik beschaamd was om over mijn eigen leven te schrijven.

Ik had op honderd manieren over lijden kunnen schrijven, puur theologisch of filosofisch bijvoorbeeld, maar op een gegeven moment dacht ik: ik moet over mezelf schrijven, ook al ben ik daar de persoon niet voor. Mijn vader was dood, mijn broer werd ernstig ziek; mijn filosofische vragen waren niet los te zien van mijn eigen leven. Shit, dit is de enige manier, besefte ik. Toen wilde ik stoppen met het schrijven van het boek."

undefined

Waarom ging u door?

"Ik kon het geld niet terugbetalen aan de uitgever. Dat was de enige reden waarom ik het afmaakte. Ik wilde mijn visie op het geloof in eerste instantie al niet delen, maar ik was aan het eind van mijn studententijd gevraagd om een boek te schrijven. Ik ga het gewoon proberen, dacht ik, maar ik was me totaal niet bewust van wat ik aan het doen was. Uiteindelijk ben ik blij dat het er is, dat mensen zich in mijn verhaal herkennen. Ik geloof dat taal noodgedwongen gesloten is; dat we daar als mensen met elkaar aan vastzitten, ook als het gaat om God. Om hem te zoeken, moeten we eerst erkennen dat we mensen zijn, en dat we dus onbeholpen naar woorden moeten zoeken. Maar we moeten nooit opgeven om over God te praten omdat het te moeilijk is."

undefined

Wie is Esther Maria Magnis

Esther Maria Magnis groeide op in Westfalen, waar ze iedere zondag met haar broer, zus en ouders naar de kerk ging. Haar vader overleed toen ze 17 was. Daarop verklaarde Magnis God dood. Toch bleef ze geboeid door religie en studeerde ze religiewetenschap en geschiedenis in Saarbrücken, Hannover en Rome. Ze werkte als journalist voor diverse kranten en voor Deutschlandradio Kultur.

Magnis begon op haar 27ste met het schrijven van 'God braucht dich nicht' (Nederlandse titel: 'Mintijteer'). Ze werd voor allerlei talkshows uitgenodigd nadien, maar verscheen in geen - dat durfde ze niet. Toch verkoopt het boek heel goed volgens Magnis; in Duitsland is het geprezen, de vierde druk is verschenen. In Nederland merkten aanvankelijk alleen christelijke bladen het op, maar nu beleeft het ook buiten die kring een voorzichtige opmars, volgens vertaler Van Wijnen. Trouw prees het de hemel in. Magnis woont in Berlijn met man en twee jonge kinderen. Ze werkt daar als 'moeder en huisvrouw' en tussendoor schrijft ze drie boeken tegelijk, waarvan twee kinderboeken.

Haar hart slaat over: ze hoort 'bemint hij teer'. Als kind hoorde ze dat als mintijteer.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden