Als het gordijn opengaat: vol gas

Zaterdagavond zullen in het Arnhemse Gelredome 33.000 anhangers nog een laatste keer høken, brekken en angoan bij Normaal. Daarna is Bennie Jolink er klaar mee: ajuus en de mazzel.

Na afloop van dit interview haast Bennie Jolink zich naar het ziekenhuis. Uit vrije wil, in het Slingeland gaan ze hem klaarstomen voor zijn allerlaatste optreden met Normaal. Na veertig jaar kraait zaterdagavond in de Gelredome de haan voor de laatste keer, drie maal kukelukuuu, waarmee de optredens van de boerenrockband traditioneel beginnen. Kijkt hij er naar uit? "Ik kijk uit naar de zondag erna", bromt Jolink.

Want Jolink is helemaal op. Dat was hij eigenlijk drie jaar geleden al.

"Ik ben zo ziek dat ik toen al had moeten ophouden. In 2013 kwam het bericht dat onze drummer Jan Manschot terminaal was. Na zijn overlijden besloten we toch de veertig jaar vol te maken. Vraag me niet wat dat gekost heeft. We zijn alleen maar aan het dokteren geweest. Het is maar goed dat ik geen plasje bij de dopingcontrole hoef in te leveren."

Astma, cara, COPD. De afgelopen jaren stond Bennie Jolink geregeld aan de beademing, tussen de nummers door, terwijl als vanouds het bier door de lucht vloog in feesttenten vol anhangers. Ook hier, aan de koffie, in de bossen op randje Achterhoek tussen Rekken en Haaksbergen, staat het pufapparaat onder handbereik. Naast het telefoontoestel, waar hij af en toe naar kijkt, het ziekenhuis kan elk moment bellen.

Bennie Jolink (Hummelo, 1946) werd als tweede zoon geboren, erna kwamen nog vier zussen. De man die de boerenrock groot maakte groeide niet op in een boerderij, maar als zoon van een huisschilder.

"Ik kan het nu wel vertellen. Allebei mijn opa's waren boer. Die aan mijn moederskant was een vooraanstaand lid van de kerkeraad. De ander was maar een keuterboertje. In 1941 belde mijn moeder naar huis. Ze voelde zich ziek. Ze ging met de dienstmeid naar de dokter. Zwanger, zeventien jaar oud. De andere dienstmeid werd op pad gestuurd met de uitzet, mijn moeder is niet meer thuis geweest. Ze ging direct door naar haar nieuwe schoonvader het keuterboertje. Daar heeft ze de oorlog doorgebracht."

"Mijn opa's verschilden niet zo veel. Ze hadden allebei onderduikers. Maar ja, dat standsverschil. En dat schandaal. Na de oorlog is het bijgelegd, mijn moeders pa kocht het schildersbedrijf voor mijn vader. Toen kwam er nog een kind, die moest natuurlijk naar die opa vernoemd worden. Dat ben ik."

"Als je in het centrum van Hummelo woonde, zat je aan de rand van het dorp. Ik was er altijd het buitenbeentje. Als ik speelde met andere jongens wilde ik het opperhoofd zijn. Of roverhoofdman. Als iedereen rechtsaf ging, ging ik linksaf. Als iemand gepest werd, nam ik het voor hem op. Dat was geen karaktertrek, maar puur dwarsigheid. Met z'n allen tegen een? Vond ik laf."

"Toen kwamen de jaren zestig. Beatles, Stones, Times They Are A Changin'. Ik wilde niet meer naar de kapper. Oa, dah jong van Jolink is zo'n amparten."

Catechisatie bij dominee Dunne

Apart, maar wel gelovig. Zoals heel Hummelo waren ze ook bij Jolink thuis Nederlands-hervormd. Hij was een kwakkelend kind, was veel ziek thuis, en las daar meer in de Bijbel dan zijn moeder goed voor hem achtte. Ondertussen volgde hij trouw de catechisatie bij dominee Dunne.

"Ik was alleen nogal verbaasd over die dingen, zogezegd, waar mijn favoriete schrijver Maarten 't Hart het over heeft. Hoe zat dat nou met die ark van Noach? En die Adam en Eva, die kinderen, dat was toch inteelt? Dominee Dunne was een geweldige dominee. Hoewel politiek conservatief, was hij best open en liberaal. Hij preekte voor de NCRV, daar was heel het dorp trots op. Maar op mijn zeventiende, in 1963...we hadden een dropping met de vierdeklas mulo. Toen is er een meisje waarvan ik dacht dat die later voor mij zou zijn doodgereden door een dronken kerel. Met het geloof was het in één keer gebeurd. Ik ging niet meer naar de catechisatie. Heb geen belijdenis gedaan. Een paar maanden later begon ik op de Academie voor Kunst en Industrie in Enschede, nou, daar werden de laatste restjes geloof vakkundig verwijderd."

Op de kunstacademie had de 18-jarige Jolink al snel door dat hij op de afdeling vrij schilderen moest zijn. Daar hadden ze baarden, slobbertruien en ze dronken er alcohol. Alleen dat figuratieve tekenen moest even worden afgeleerd. Abstract was het devies. Brandgaten in het gazon met blauwgeschilderde bomen, dat was kunst. Zijn afstudeerproject draagt de pompeuze titel 'IK BEN', hij heeft het nog liggen in zijn atelier - alleen schaamt hij zich er te veel voor om het tevoorschijn te halen. Bij zijn afstuderen verscheurde hij zijn diploma. Welgeteld één les zegt hij in die vier jaar geleerd te hebben.

"Altijd jezelf, oorspronkelijk en origineel zijn. Daar heb ik me mijn hele leven aan gehouden. Vooruit, ik leerde er nog iets: bluffen werkt - zo lang je er zelf maar in gelooft. Dat ging even goed in Amsterdam, waar ik werkte voor Toneelgroep Studio, het ontwerpen van affiches, kostuums en decors."

"Als kunstenaar was ik in Amsterdam eigenlijk heel succesvol. Ik woonde in 1968 op de Nieuwe Prinsengracht, en, niet onbelangrijk, ik verdiende duizend gulden in de maand. Ik wist niet hoe ik het op moest krijgen. Ik gaf rondjes, dat vonden die Amsterdammers wel mooi, al kreeg ik natuurlijk nevernooit een rondje terug. Ik liep met supermooie meiden, in mijn fluwelen pak, ik was de gevierde kunstenaar."

"Totdat ik mijn mond open deed. Waaruit een niet te verbergen Achterhoeks accent tevoorschijn kwam. Dan zag je mensen kijken - och, dat is maar een domme boer."

"Nee, Amsterdam bleek niks voor mij, al was het wel fijn dat je op elke straathoek iets te blowen kon krijgen. Na twee toneelproducties was het over, en ben ik op handen en voeten terug naar de Achterhoek gekropen."

Terug naar het platteland. Voor hij naar zijn geboortedorp terugkeerde, woonde hij nog een paar jaar in Enschede, waar hij een opleiding tot tekenleraar volgde. Hij trouwde, werd vader, gaf les, maar was nog altijd op zoek naar wat hij écht wilde. Tot hij op een muziekfestival gitarist Ferdi Jolij tegenkwam. Die was net zijn huis uitgezet, samen met zijn zwangere vriendin. Jolink had wel een kamertje over. Jolij speelde in een bandje, misschien was de muziek wel wat. Talent had Jolink natuurlijk niet, maar net als met tekenen: als je het maar genoeg deed kwam de rest vanzelf.

Een andere doorslaggevende ontmoeting was die met Jan Manschot in een café in Enschede, een stad die eigenlijk ook al te groot was. Jolink wilde terug naar Hummelo. In de zomer van 1973 schreef hij zich uit bij de gemeente Enschede. En dat moest gevierd.

"'s Avonds in café Het Bolwerk kwam ik Jan Manschot tegen. Flink blowen, drinken, de stad afkraken. We liepen allemaal op klompen, en riepen voortdurend, doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Zo zijn we die avond doorgezakt."

"De volgende dag stond ik met een kater bij de bushalte. Kwam Manschot daar langsgereden in zijn eend. 'Kom, rij mee!' Ik had nog een pretsigaretje. Op het laatst reden we tien kilometer per uur. Vlakbij Zelhem zijn we op het terras gaan zitten, voor een ontnuchterend biertje. Toen is besloten een bandje te beginnen."

De doorbraak volgde twee jaar later, Hemelvaartsdag 1975. Zwager Joost Carlier organiseerde festival Popmeeting Lochem, waar Jolink bijbeunde als podiumpresentator. Of hij met Normaal ook eens mocht spelen. Vooruit.

Het publiek zat er die ochtend iets na 9.00 nog versuft bij, op het gras voor het podium, allemaal gestoken in blauw denim. Na een paar Engelse nummers begon Jolink aan een lang, langzaam bluesintro. Niemand keek op. Tot die eerste zin, geschreeuwd in de microfoon, het moment dat in de Normaal-folklore de oer-knal is gaan heten.

"Ik zat laatst te driet'n op de plee..."

Verrek, dacht Jolink. Nu heb ik ze bij de togus.

"Joost Carlier zei meteen: ik word jullie manager. We kopen een zanginstallatie en jullie gooien die Nederlandse en Engelse nummers eruit. Alleen Achterhoeks. Binnen een jaar waren we beroeps."

"Alle optredens zijn vanaf het begin een succes geweest. Hoe je dat ziet? Nou, als het dak eraf gaat, om maar eens een cliché te gebruiken. En je ziet het aan de bierconsumptie, waarbij we zelf het voorbeeld gaven. Muziekkrant Oor schreef ooit 'dat Jolink in de fles zong en van de microfoon probeerde te drinken'.

"Wij zongen in het Achterhoeks en werden onmiddellijk voor boeren uitgescholden. Het werd onze geuzennaam, dat vonden plattelanders prachtig. Misschien heeft het te maken met wat ik in Amsterdam heb meegemaakt. We spraken over stadse stoepenschijters. Dat is geen minderwaardigheidscomplex, wel vind ik stadse lui altijd belachelijk bekrompen arrogante klootzakken. Dat je iemand om zijn accent niet serieus neemt."

Høken. Jolink heeft het al vaak gedefinieerd: alles wat ruig, woest en onbenullig is, zolang het niets met seks of geweld te maken heeft. Het bestond al, in uitdrukkingen als 'hij kwam daar op zijn motor onbenullig hard aanhøken'. Bij een optreden voor de katholieke plattelandsjeugd uit Groenlo bleef het kleven. Die wilden geen lieve liedjes. Høken! Høken! Høken!, scandeerden ze.

Oerend Hard

De man die het platteland een stem gaf? Och kom. Over zijn 40-jarige carrière met Normaal doet Jolink schouderophalend bescheiden. Hij schept niet graag op over hoogtepunten. Nou goed, dat 'Oerend Hard' in 1977 zo'n hit werd, daar is hij nog steeds wel trots op. Die bescheidenheid is moeilijk te rijmen met trefwoorden die mensen uit zijn omgeving op hem plakken: haantje de voorste, iemand die een hekel heeft aan verliezen, iemand die nergens bang voor is. Koppig. Eigenwijs. Roekeloos. Een doorzetter.

Dat erkent Jolink allemaal direct. Dat doorzettingsvermogen komt misschien wel door die astma, denkt hij, en dat stuk tussen Hummelo en Doetinchem dat hij altijd naar school moest fietsen - echt niet dat hij zijn vriendjes niet zou kunnen bijhouden. Hij heeft in 1989 zelfs de marathon van New York uitgelopen - ondanks, maar vermoedelijk doordat iedereen zei dat dat hem nooit zou lukken.

Die bescheidenheid is er na 1996 ingeslopen, zegt hij. Dat was een keerpunt, zowel persoonlijk als zakelijk. Veel details wil hij er niet over kwijt, maar het was iets met een zoveelste schimmige manager, domme beslissingen en heel veel geld dat verloren ging. En ondertussen zat Jolink maar bij het raam.

"Het absolute dieptepunt in mijn leven. Ze noemden het een burn-out, maar ik was gewoon depressief. Tijdens optredens was alles nog hetzelfde, maar thuis...mijn vrouw heeft de huisarts gewaarschuwd. 'Hij eet niet meer. Hij slaapt niet meer. Hij zit maar naar buiten te kijken.' Ik had geen controle over mijn gedachten. Ik breek liever elk bot in mijn lichaam twee keer dan dat nog eens mee te moeten maken.

"De huisarts zag het meteen. 'In je hersenen wordt de verkeerde stof aangemaakt. Die gaan we aanvullen met pillen.' Die pillen heb ik een jaar moeten slikken, Trazolan, dat vergeet ik ook nooit meer. En praten met de psychiater."

"Maar wat echt hielp was dat ik in 2000 opa werd. Daarvoor stak het soms de kop op. Maar kleindochter Luna bleek een probaat middel. Toen wilde ik ook weer oud worden."

En daar gaat hij na zaterdagavond nu eens écht voor zorgen. In bed blijven liggen wanneer nodig. Uitzieken, en dan van zijn pensioen genieten. Jolink wil meer gaan schilderen, en zal heus nog wel eens muziek maken. Met de Pensionado's, die zittend spelen. Dat had met Normaal nooit gekund: rustig høken bestaat immers niet."

"Ik ken maar één manier, dat doe ik al veertig jaar. Meteen vol gas. Dat is voor je geest heel goed, maar voor mijn lichaam niet meer. Zaterdagavond zal mijn instelling niet anders zijn dan bij ieder ander optreden. Alsof je met de crossmotor aan de start staat. Vrrroaaaam, draaien aan de hendels. En als het gordijn opengaat: vol gas en proberen te winnen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden