Als er maar over gepraat wordt

Hoge verwachtingen waren er zeven jaar geleden bij het aantreden van Ivo van Hove als leider van het Holland Festival. Zeven jaar hebben we spraakmakend theater gehad. Maar terugkijkend waren de producties die een blijvende indruk hebben gemaakt op de vingers van een hand te tellen.

Bloemen liggen op straatstenen gevlijd bij de onderpui van een gebouw. Ertussen branden waxinelichtjes. Waar gewoonlijk het portret van een slachtoffer aangeeft voor wie de blijken van medeleven zijn bedoeld, staan hier twee maskertjes tegen het graniet geleund.

Het affiche van het Holland Festival 2004 ademt een ontegenzeggelijk weemoedige sfeer uit. Een sfeer van afscheid. Alsof het theater ter ziele is. De bedenker zal het vast anders bedoeld hebben, zoals ook eerdere affiches hun bedoeling voorbijschoten: een juichende Zappa in oranjeshirt als HOLND FSTVL-reclame tijdens het EK-voetbal 2000, verdorde oude-vrouwenborsten die een baby zogen als verkeerd begrepen variant op het werk van fotografe Margi Geerlinks, schaars geklede pin-ups met een wapen achter de rug alsof er een nieuwe 'James Bond' aankwam.

Eén ding hadden ze gemeen: ze gingen over de tong. En sloten aldus aardig aan bij het beleid van festivalleider Ivo van Hove, die het begrip 'spraakmakend' hoog in het vaandel voerde. Niet eens zozeer in kwalitatieve zin, maar eerder vanuit de gedachte: als er maar over geschreven wordt; liever negatief dan niet. Dat kreeg hij de afgelopen zeven jaar regelmatig voor elkaar.

Ook nu was het weer raak, bij Van Hoves laatste editie. Onwillekeurig associeer je dat betreffende affiche met zijn afscheid, sinds gisteren een feit, en met de vraag of daarmee het theater weer net als vóór zijn bewind tot stiefkind van de programmering zal worden. En hoe rouwig wij daar om moeten zijn. Om het beleid op het punt van de disciplines muziek, dans en toneel oogstte Van Hove al bij zijn eerste aflevering bijval en vooral ook verguizing. Dat had sterk te maken met zijn uitgangspunt, dat het festival toegankelijker, populairder moest worden, een breder en, graag, jonger publiek moest aantrekken. Kunst voor de elite moest van het volk worden. Een belangrijk middel daartoe was het mengen van zogenaamd hoge en lage kunst, met een voorkeursbehandeling van de laatste, leek het soms wel.

Geen smoking meer en geen, in 1998, serieuze moderne muziek en dans, maar pizzakoeriers, pop en tapdance. De liefhebbers knarsetandden. Alleen wat toneel betreft hield men zich nog even in, want met tien producties werd dat beter bediend dan iemand zich kon heugen. In kwalitatieve zin bleek het een interessante dwarsdoorsnede van klassiek en modern, van gevestigde namen en jong talent, van universele thema's en actuele verschijnselen. Met zijn programmering liet Van Hove als terloops iets van de kruisbestuiving binnen de kunsten zien en van de relatie tussen gevestigde orde en aanstormend talent. Hoe theatermakers (Guy Cassiers, Gerardjan Rijnders) geïnspireerd waren door een vroegere avantgarde (The Wooster Group) en daarin inmiddels een heel eigen ontwikkeling volgden. En door van elk een 'Tsjechov' op te nemen werd de kijk op het wereldrepertoire van verschillende toneelgeneraties (Peter Zadek, Christoph Marthaler, 't Barre Land) een betekenisvolle confrontatie.

Wat een veelbelovende aanpak leek, bleek echter een incident. Van Hove mocht dan met aplomb verklaren niet van blauwdrukken te houden, in andere opzichten zette hij tot op het laatst wel dezelfde accenten. Dol op de controverse, gespecialiseerd in effectbejag, liet hij hoog gekwalificeerde kunst liever links liggen als met amateurs bevolkte producties spraakmakender leken, en als er (levende) dieren aan te pas kwamen was dat helemaal mooi.

Een kat nu op de minicaravan in zijn enscenering van Auckbourns 'De kruistochten', veertien honden in Platels 'Wolf', kippen in 'True Love', zwerfhonden en een heus paard bij de Italiaanse maker Romeo Castellucci, die zich vooral profileerde met een rariteitenkabinet aan anorexia-meisjes, keel- en borstkankerpatiënten, softenonarmpjes, graatmagere of juist spekvette mannenlijven. Het trok de aandacht, zeker, en maakte discussie los over het begrip slachtofferkunst, maar het jaar daarop bleek Castellucci's aanpak niet veel meer dan een trucje, dat realiteit tot kunst wil verheffen. Dat gaat snel vervelen. Ivo van Hove rekent hem nog steeds tot de interessante nieuwe generatie theatermakers die hij heeft geïntroduceerd, feit is dat de Italiaan die pretentie niet heeft kunnen waarmaken.

Andere jonge makers lieten evenmin indrukwekkende sporen achter. Van Hove mocht afgelopen seizoen de Amerikaan Richard Maxwell, die graag met amateurs werkt -'omdat ze niet zo'n bagage met zich meezeulen'- nog eens voor een productie bij Toneelgroep Amsterdam uitnodigen, dat deze toch echt een bijzonder talent was viel ook toen bepaald niet op te maken.

Wat het belang was van de Colombiaanse regisseur Enrique Vargas, die je door zijn duistere doolhof 'Oraculos' liet struikelen, of van de Argentijn Federico León, die pubers langdurig met pantoffels liet smijten, bleef in vertoon van mystiek en non-acteren verborgen. Over de Amerikaan Richard Foreman zou je achteraf alleen willen zeggen dat hij de film 'Good Bye Lenin!' had moeten zien om te weten hoe je een verhaal (i.c. 'Now that Communism is Dead my Life feels Empty') moet vertellen.

Tot de weinigen die terecht werden teruggehaald behoorden de Duitse choreografe Sasha Waltz en de eveneens Duitse regisseur Thomas Ostermeier met een even eigenzinnige als verrassend eigentijdse 'Nora'. Dat hij vijf jaar eerder met poeha nog net op de valreep was geïntroduceerd met een stierlijk vervelende 'Shoppen & Ficken' waren we allang vergeten. Het Holland Festival zelf ook trouwens: op de lijst HF-producties ontbreekt deze.

Handig geënsceneerd rumoer veroorzaakte destijds een foto-expositie met erecties en blote jongelingen, wat wel veel publiek trok, maar een jammerlijk verkeerde toon zette. Op een andere manier omstreden was het optreden van krukkendanser Bill Shannon. Knap ja, maar dans? Deed dat niet eerder een beroep op sentiment dan op kunstgenot? Iets wat je je afgelopen jaar kon afvragen bij de Senegalese zwerfkinderen met wie de Fransman Jean Michel Bruyère een pikkedonker spookhuis, 'Enfants de Nuit', had geënsceneerd. Of dit jaar bij de ama's die opgetrommeld waren om in 'The Children of Heracles' en naast de Hoge Commissaris der Vluchtelingen te figureren. Een beter soort sentiment werd bespeeld met een muziektheatraal eerbetoon aan het werk van bijvoorbeeld Frank Zappa.

Onorthodox kon het programmeringsbeleid van Ivo van Hove zeker heten. Hij speelde het klaar om van meet af aan het stoffige en chique imago, dat het festival onder de veel eenzijdiger opererende voorganger Jan van Vlijmen absoluut had, weg te poetsen. Het zorgde voor meer en jonger publiek. Volgens op de afsluitende persbijeenkomst gepresenteerde cijfers schommelde de bezettingsgraad rond de 80 procent en daalde de gemiddelde leeftijd van 45 naar 35. Hoe belangrijk dat laatste is, is een tweede. Opvolger Pierre Audi, artistiek directeur van De Nederlandse Opera, heeft al laten weten dat een jong publiek niet zijn eerste streven is, wel het vormen van een kernpubliek. Dat lijkt een iets gezonder standpunt.

Volgens eigen zeggen heeft Ivo van Hove multidisciplinair theater ('onpure kunst' in zijn jargon) op de kaart gezet. Dat is iets te veel eer. Dat proces was al langer gaande. Denk alleen al aan het optreden op eerdere festivals, lang voor Van Hove, van oudgediende The Wooster Group. Wel zou het multidisciplinaire theater, helemaal als het ook nog eens om een mix van hoge en lage kunsten gaat (zoals zijn afscheidsproductie, het collagetheater 'Wolf' van de Vlaamse regisseur Alain Platel), aantrekkelijker zijn voor een breed publiek. Dat zou als een magneet werken.

Het zal best. Maar wat is er eigenlijk mis met puur theater, met pure dans en muziek? Dat is geen vraag voor iemand die de concertvorm op de helling wil zetten, die beweert dat deze niet hoeft uit te sterven, maar meer visuele aanvulling nodig heeft, een geënsceneerde vorm, om het toegankelijker te maken.

Niet topkunst, niet kwaliteit, maar toegankelijkheid was Van Hoves toverformule. Kwam de soms ondermaatse kwaliteit van zijn aanbod toch aan de orde, dan was dat immer de schuld van onvoldoende financiële middelen, waardoor al evenmin zelf geproduceerd kon worden.

Zelfkritiek is nooit Van Hoves sterkste kant geweest. Viel de belangstelling voor 'Guerre' van Lars Norén tegen? Dat lag aan het EK (tijdens de première was er niet eens een wedstrijd). Negatieve kritieken op 'Médée Matériau'? In Nederland had men geen voeling met ritueel theater. Tsja. Nu de slag om voldoende subsidie gewonnen is, moet het overigens nog steeds bij coproduceren met andere festivals blijven. Alsof dat erg is. Het gaat toch allereerst om het aanbod zelf en de neus die dat kiest. En heel fijnzinnig is die neus de afgelopen zeven jaar niet geweest.

Terugkijkend zijn, althans wat toneel betreft, de producties die een blijvende indruk hebben achtergelaten, de allure van een Holland Festival waardig, op de vingers van een hand te tellen. 'Rotjoch', waarin Guy Cassiers liet zien hoe de techniek als een werkelijke en gevoelige acteur kon optreden, was zo'n pareltje. En dan de filmisch gemonteerde, van drama zinderende 'Boris Godoenov' in de regie van de Engelsman Declan Donnellan. Groots en meeslepend, en ook nog eens mooi gekoppeld met de operaversie in hetzelfde festival. De al genoemde 'Nora', waarmee Ostermaier zich met glans afficheerde als een belangwekkkend regisseur.

Van Ivo van Hove zelf mag 'True Love' erbij genoemd worden als een verrassend vormgegeven staaltje van fysiek acteren tussen het publiek in, maar ontbreken mag zeker niet 'India Song', adembenemend mooi, zintuigelijk theater. Op een totaal van vijfenveertig toneelproducties is het niet veel, maar toppers waren het, zijn het nog in mijn herinnering. Mooie, festivalwaardige voorstellingen waren er natuurlijk wel meer, maar geen echt zich achter je netvlies vasthakende uitschieters, die je het allegaartje aan om andere dan om artistieke redenen geprogrammeerde projecten konden doen vergeten. Te makkelijk ook werd teruggegrepen naar al grijs wordende avantgarde zoals The Wooster Group, of Pina Bausch en Anne Teresa De Keersmaeker (bij de dans), of Dick Raaijmakers (bij de muziek).

Ivo van Hove mag de hoge verwachtingen van zeven jaar geleden niet echt hebben ingelost, kwantitatief heeft hij aan de opdracht voldaan om toneel weer een plek te geven op het Holland Festival, de laatste paar jaar wat meer in evenwicht met de andere disciplines. Terecht, dunkt me. Laten we hopen dat Audi die balans zal bewaren met een betere neus (of betere adviseurs) voor het opsporen van dwingend en onontkoombaar talent. Als de artistieke kwaliteit maar de norm is. En, o ja, puur mag best.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden