Als een schildpad trekt hij zijn nek weer in

Je nek uitsteken: feiten of meningen naar voren brengen die zo in strijd zijn met de heersende opvattingen dat je in de gaten loopt. De uitdrukking heeft een gunstige klank. Iemand die zijn nek uitsteekt, wordt gewaardeerd. Maar kijk uit! Als je op het verkeerde moment of in het verkeerde gezelschap je nek uitsteekt, kan je kop zover boven het maaiveld uitkomen dat hij eraf gaat.

Of dat gebeurt hangt goeddeels af van de heersende mode, de tijdgeest. Een voorbeeld. In 1978 maakte het Maandblad voor de Reclassering, KRI, bekend dat Wouter Buikhuisen hoogleraar criminologie te Leiden zou worden. Buikhuisen had als voorwaarde gesteld dat hij onderzoek mocht doen naar de biologische kenmerken van delinquenten. De schrijver van het stuk in KRI, Cees Brinkhuizen, brengt Buikhuisens plannen in verband met de theorieën van de beruchte Italiaanse criminoloog Lombroso en met de biologische criminologie in nazi-Duitsland.

Buikhuisen wordt in de pers afgemaakt. Piet Grijs voert in Vrij Nederland een wekenlange hetze tegen de verblufte criminoloog. Cherry Duyns opent een tv-interview met Buikhuisen met de pesterige vraag: 'Bent u een fascist?' Het zeikerige VPRO-toontje moet u er even bij denken. Van de vrije pers moet Buikhuisen het dus niet hebben. Maar ook zijn collega's laten hem bijna allemaal in de steek. Buikhuisen wordt uiteindelijk wel benoemd, maakt ook een begin met dat onderzoek, maar neemt na enkele jaren ontslag omdat hij naar eigen zeggen voortdurend wordt tegengewerkt. Hij vestigt zich als antiquair. Hoewel hij wetenschappelijk is vermoord, gaat het hem maatschappelijk goed. Twee jaar geleden heeft hij een tweede zaak geopend.

Met het in kaart brengen van de biologische kenmerken van delinquenten gaat het trouwens ook goed. In het buitenland ging dat onderzoek natuurlijk gewoon door. Buikhuisens veronderstelling dat het activatie-niveau van het autonome zenuwstelsel belangrijk is voor het gemak waarmee delinquent gedrag wordt aan- of afgeleerd, is ruimschoots bevestigd.

Elf jaar later, in 1989, was ik bijna klaar met mijn proefschrift. Dat ging over het verschil in crimineel gedrag tussen mannen en vrouwen. Vrouwen zijn veel minder crimineel dan mannen, en dat verschil verklaarde ik grotendeels uit biologische factoren. Om blunders te voorkomen, legde ik de biologische hoofdstukken uit het boek voor aan specialisten. Een van hen, de etholoog Van Hoof van de universiteit van Utrecht, zei: ,,Zou u het wel doen? U weet wat er met Buikhuisen is gebeurd.'' De tijdgeest had echter om onnaspeurlijke redenen een andere wending genomen. Mijn proefschrift werd zakelijk besproken, geen recensent legde een verband met de nazi-biologie, hoewel ik Lombroso's opvattingen over de criminele vrouw nogal instemmend had besproken.

Dat Buikhuisens kop werd afgehakt en de mijne niet, was niet Buikhuisens fout noch mijn verdienste. Het was de tijdgeest die Buikhuisen een kopje kleiner had gemaakt, en daarvoor gebruik had gemaakt van journalisten die zich kritisch en onafhankelijk waanden, maar niet meer waren dan stromannen.

Dat was het taboe van de biologische criminologie. Een ander taboe betreft de criminaliteit van etnische minderheden. Daarover moest lange tijd gezwegen worden. In 1980 was ik student-assistent bij het Criminologisch instituut in Nijmegen. Ik herinner me een gesprek van twee medewerkers van dat Instituut over een Amsterdams onderzoek, waaruit was gebleken dat de criminaliteit onder Surinamers in de hoofdstad gezien hun aandeel in de bevolking nogal fors was. Dat onderzoek werd natuurlijk niet gepubliceerd; het zou het racisme maar aanwakkeren. Hierover bestond geen verschil van mening. Niemand stak zijn nek uit.

Deze toestand heeft voortgeduurd tot het einde van de jaren tachtig. Toen werd het taboe beetje bij beetje doorbroken. De belangrijkste initiatiefnemer tot die taboedoorbraak was niet de vrije pers, zoals u misschien zou denken. Het was, hou je vast, het ministerie van justitie, lange tijd beschouwd als bolwerk van conservatisme en bureaucratische stoffigheid. Dat ministerie gaf, voornamelijk via het eigen wetenschappelijk instituut, het WODC, opdracht tot onderzoeken naar de criminaliteit van allochtone groepen. Uit die onderzoeken van bijvoorbeeld Marianne Junger en Ed. Leuw bleek dat sommige etnische minderheidsgroepen een veel hogere criminaliteit vertoonden dan de autochtone Nederlanders. Ook onderling waren er verschillen. Uiteindelijk bleken Marokkanen en Antillianen het meest crimineel, gevolgd door Surinamers en Turken.

Waarom doorbrak Justitie dat taboe? Niet om in de krant te komen, want dat gebeurde sowieso al te veel. Ook niet uit een nonconformistische gedrevenheid tot de waarheid en niets dan de waarheid. Maar simpelweg omdat de gevangenissen geleidelijk volstroomden met allochtonen. Als beheerder van die gevangenissen wil je wel eens weten hoe dat komt.

Om de finesses van het fenomeen 'je nek uitsteken' te leren kennen, verdient het aanbeveling de ontwikkeling van de antropoloog Frank Bovenkerk nauwlettend te bestuderen. In 1990 schreef Bovenkerk dat hij de vraag welke etnische groepen crimineler zijn dan andere niet interessant vond. Die vraag zou betekenen dat de oorzaak van criminaliteit bij die groepen zelf ligt, bijvoorbeeld in het onvoldoende functioneren van het gezin. Hij vond het beter het probleem te benaderen vanuit het ontstaan van een multi-etnische samenleving. Dan zou je ook de 'nieuwe criminaliteit' van de autochtone Nederlanders erbij kunnen betrekken. Hij denkt dan aan discriminatie en racistisch geweld. Vanuit die optiek zou je ook meer ruimte hebben voor wat hij noemt 'onderhandeling en strijd over de reikwijdte van de Nederlandse culturele dominantie', over de vraag 'welke handelingen als misdaad beschouwd moeten worden en welke niet'.

Ruim anderhalf jaar later schrijft Bovenkerk een advies aan het ministerie van justitie over 'crimineel gedrag bij Marokkaanse jongens'. Dat advies is precies tegengesteld aan zijn eerdere betoog. De vraag welke etnische groepen crimineler zijn dan andere interesseert hem nu ineens wel. Anders had hij dat advies niet geschreven. Uitvoerig gaat hij in op de factoren die volgens hem de hoge criminaliteit van Marokkanen verklaren en die voor een belangrijk deel bij die groep zelf gelegen zijn. Die factoren hebben óók betrekking op het gezinsleven. Ook legt hij zich volledig neer bij de culturele dominantie van de Nederlanders. Hij schrijft nog net niet dat onze cultuur de beste is, maar beveelt wel aan om Marokkanen voor te lichten 'over de Nederlandse opvoedingsmethoden en de normatieve grenzen die Nederlanders aan het gedrag van anderen stellen.'

In 1995 zou Bovenkerk voor de commissie-Van Traa de betrokkenheid van volwassen Turkse mannen in Amsterdam bij de handel in harddrugs schatten op enkele tientallen procenten. Die schatting moest hij drie weken later intrekken omdat ze gebaseerd was op onbetrouwbare gegevens. Bekeerlingen schieten soms door.

Nog weer wat later, in 1997, gaat Bovenkerk in het NJB tekeer tegen de criminoloog Ed. Leuw die het gewaagd heeft culturele factoren te betrekken bij de verklaring van de hoge criminaliteit van sommige allochtone groepen. Vervolgens schrijft Bovenkerk dat culturele factoren bij die verklaring wel degelijk een rol spelen en houdt dan een betoog dat inhoudelijk niet verschilt van dat van Leuw.

De vergelijking tussen Buikhuisen en Bovenkerk leert ons dat het ongestraft uitsteken van je nek een kwestie van persoonlijkheid en timing is. Bovenkerk steekt zijn nek pas uit nadat enkele anderen dat al gedaan hebben en veel anderen op het punt staan het te doen. Als een schildpad trekt hij zijn nek weer in als er iemand op het schild tikt. Hij is in staat in korte tijd van mening te veranderen, en zelfs om binnen één stukje twee tegengestelde standpunten in te nemen. Hem gebeurt niets. Buikhuisen was een beetje arrogant, maar ook naïef, zoals het een wetenschapper betaamt. Hij wist van geen tijdgeest. Zijn kop ging eraf, onder luid applaus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden