ALS EEN MAN

Vlak na de oorlog geloofde de Franse politiek filosoof Claude Lefort nog in een communistisch alternatief voor het stalinisme. Na de Oosteuropese opstanden van de jaren vijftig liet hij die illusie varen. Totalitarisme van links en rechts werd zijn voornaamste studieobject. "De democratie bestaat dank zij haar verdeeldheid, totalitarisme door zijn eenheid. De staat wordt een lichaam waaruit al het afwijkende als een ziektekiem moet worden uitgestoten." Eergisteren ontving hij een eredoctoraat van de Universiteit van Tilburg. Ter gelegenheid van het eredoctoraat van Claude Lefort verschijnt deze week een bundel met enkele van zijn artikelen: Claude Lefort, Het democratisch tekort. Ingeleid door D. Loose en Ph. van Haute. Boom, Meppel/Amsterdam, - f 28,50.

GER GROOT

"Het is - zegt hij - natuurlijk maar een kleine kwestie, maar ze is onthullend voor de tendens van onze tijd. Want er is hier sprake van een dwang die gevaarlijk is, omdat hij niet meer gedragen wordt door overtuiging. Zo'n wet heeft niet alleen een feitelijk effect op de werkelijkheid; zij heeft ook een symbolische strekking. En het is heel belangrijk dat mensen zich niet gevangen voelen in een reglementering die uiteindelijk een verandering teweeg wil brengen in hun mentaliteit."

Over staatsdwang heeft Lefort zijn leven lang geschreven. Totalitarisme, bureaucratie, macht en politiek zijn de sleutelwoorden uit zijn oeuvre. Net als democratie: de tegenpool van elk totalitarisme, maar - meent Lefort - op een vreemde manier tegelijk ook de voorwaarde daarvan. Nazisme en stalinisme hebben niet alleen dezelfde wortel, ze zijn ook beide ondenkbaar zonder de 'uitvinding' van de democratie, zoals die met de Franse Revolutie haar beslag kreeg.

Die mening is hem niet altijd in dank afgenomen. Lefort heeft zijn politieke denkbeelden in Frankrijk vaak tegen de heersende intellectuele mode in moeten ontwikkelen. Al in het begin van de jaren vijftig komt hij in heftige aanvaring met Sartre, wanneer hij in het mede door Lefort opgerichte tijdschrijft Socialisme ou barbarie niet alleen het stalinisme, maar na de Oosteuropese opstanden van 1953 en 1956 ook het communisme als geheel verwerpt. In mei 1968 grijpen de protesterende studenten terug op zijn kritiek op de 'staatsbureaucratie', en weer een paar jaar later worden zijn ideeen gepopulariseerd door de anti-marxistische 'nieuwe filosofen'.

De ineenstorting van het communisme lijkt Lefort alsnog gelijk te hebben gegeven, al is hij zelf allerminst gerust op de toekomst van de - altijd bedreigde - democratie. Eergisteren verleende de Katholieke Universiteit Brabant hem een eredoctoraat. Een eer vindt hij het, zegt hij aan het einde van het gesprek, onderscheiden te worden in het het land van de door hem zo bewonderde Spinoza.

De pijp is dan nog altijd niet aangestoken, al werd ze aan het begin van het gesprek zorgvuldig gestopt. Lefort lijkt haar al pratend te zijn vergeten. Hij spreekt bedachtzaam, steeds zoekend naar de juiste formulering. Elke zin wordt aarzelend aangezet, de beginwoorden herhaald, waarna zich een fraaie volzin ontrolt, klassiek en welgevormd. Mitterrand praat ook zo.

Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Leforts bemoeienis met de staatsmacht beperkt zich tot een uitzicht op de bomen van het hotel Matignon, de ambtswoning van de Franse minister-president, vlak om de hoek. Zelf woont hij op de vijfde etage van een klassiek appartementsgebouw: de binnenplaats over, geen lift. Aan de deur stelt hij tevreden vast dat zijn eigen conditie kennelijk niet voor die van een jongere generatie onderdoet. Ondanks zijn bijna zeventig jaar is hij nog altijd een rijzige figuur, al zijn de schouders licht gebogen - misschien meer door zijn eigen lengte dan door zijn leeftijd. Het plafond van zijn woning lijkt er nog lager door te worden dan het toch al is.

"Wat ik in mijn onderzoek naar de wortels van de democratie heb proberen na te gaan - zegt hij - is welke verandering er heeft plaatsgevonden toen in Frankrijk het ancien regime verdween. Voor de revolutie werd de macht belichaamd door de vorst. Die was zowel de bron van de macht als degene die wist hoe de samenleving geordend diende te worden."

"Maar met de Franse Revolutie raakt de macht los van zo'n duidelijk aanwijsbaar lichaam. Hij wordt een soort lege plaats. Hij wordt nu uitgeoefend door eenvoudige stervelingen die met het bestuur belast worden, maar onderworpen blijven aan controle en aan de stembus. De macht is niet langer hun onvervreemdbare, legitieme eigendom."

"Dat gaat samen met het feit dat er geen unieke bron meer is van onbetwistbare kennis over de vraag wat het doel is van de samenleving, en volgens welke wetten ze moet worden bestuurd. Democratie is de samenlevingsvorm geworden waarin zowel het bestuur als het recht als de kennis omtrent de juiste inrichting van de maatschappij onophoudelijk ter discussie staan. Er is geen laatste garant meer die weet wat er moet gebeuren en dat kan verordonneren."

Ten tijde van de absolute monarchie werd de samenleving bestuurd door een instantie die letterlijk boven de werkelijkheid was geplaatst. De vorst bezat een onaantastbare macht, die geconcentreerd was in zijn persoon. Met het verdwijnen daarvan, verdween echter niet de noodzaak van een wettelijke orde. Nog altijd staat de wet in zekere zin boven de samenleving: ze heeft een absolute geldigheid die van een heel andere aard is dan de terloopse of officieuze afspraken die mensen onderling kunnen maken.

Er ligt dus een scheiding tussen de samenleving aan de ene kant en de staat aan de andere, constateert Lefort. Hoewel wetten door mensen worden gemaakt en de staatsmacht door hen wordt uitgeoefend, stijgen deze boven de persoon van de gezagsdragers en wettenmakers uit. Dat onderscheid tussen de staat en de burgerlijke samenleving is volgens Lefort constitutief voor de democratie.

"Dat betekent ook - voegt hij eraan toe - dat de maatschappij zelf niet langer als een lichaam kan worden opgevat, zoals onder het ancien regime, maar ook in de corporatieve staat, gebeurt. De democratische samenleving accepteert dat zij geen organische eenheid vormt, dat ze inwendig verdeeld is: tussen klassen, maatschappelijke sectoren, etc. En op dezelfde manier kan zij binnen zichzelf ook een veelvoud van opinies en overtuigingen accepteren."

Maar die acceptatie laat het, onder druk van de omstandigheden, wel eens afweten. De plaats van de macht mag dan 'leeg' zijn, zoals Lefort zegt, wanneer de situatie hachelijk wordt blijken velen die plek liever opnieuw gevuld te zien door een man of instantie die de eenheid herstelt en duidelijk zegt te weten waar het met de maatschappij naar toe moet.

"Totalitarismen hebben hun kiemen dan ook mede in de democratische samenleving. Deze laatste leeft bij gratie van een interne verdeeldheid die in een crisissituatie de roep voortbrengt om een sterke macht, niet alleen in de zin van een dictatuur, maar ook een macht die normen oplegt: dezelfde normen over het geheel van de samenleving. We zien dat nu in Frankrijk met het Front National. Het idee om het volk te verenigen als in een groot lichaam wordt dan het antwoord op de afwezigheid van gemeenschappelijke normen, en de twijfels die dat in de maatschappij heeft voortgebracht. En daarmee gaat de neiging gepaard alles wat daar niet toe behoort uit te samenleving uit te stoten. Net als in het communisme en het nazisme gebruikt men daarbij een heel veelzeggende beeldspraak: de ander is een parasiet, een ziektekiem die het gezonde lichaam bedreigt. En die moet worden uitgesneden of verdelgd."

Maar ook al laten deze bewegingen zich veelal leiden door nostalgie naar een vroegere tijd, een terugkeer naar de premoderne situatie is onmogelijk. De moderne droom van een samenleving als een organisch lichaam verschilt hemelsbreed van die van het ancien regime.

"De samenleving van het ancien regime was, ondanks alles, zeer gedifferentieerd. Het was een hierarchische samenleving, waarin de centrale macht echter nauwelijks in staat was feitelijk tot de details van het leven van de mensen door te dringen. Het was een wereld die tot op zeer grote hoogte niet te controleren was, waarin tradities grote weerstand boden aan pogingen tot verandering, en waarin de aristocratie een duidelijke eigen plaats had, die ze tegen inbreuk vanuit de centrale staat verdedigde. Men sprak over de staat als een lichaam, maar toch was het een samenleving vol particularismen."

"In de tegenreactie op de desorganisatie en irrationaliteit van de moderne democratie komt het beeld van een gezond lichaam weer terug. Maar deze

r is dat geent op een samenleving die in zeer grote mate genivelleerd is, die niet een veelvoud aan particularismen met zich meesleept. Daardoor is deze samenleving veel doorzichtiger en manipuleerbaarder geworden. En daarom kan de ideologie van het gezonde lichaam in de twintigste eeuw veel effectiever zijn. De staat heeft veel meer middelen gekregen om diep in de samenleving in te grijpen."

Inmiddels lijkt het communistische totalitarisme - althans in Europa - verleden tijd. Lefort verwacht niet dat het zich ooit nog uit zijn eigen runes zal kunnen herstellen; daarvoor is het fiasco te groot en te totaal geweest. Wat, benadrukt hij, "beslist niet wil zeggen dat elke bedreiging nu zou zijn weggevallen, verre van dat" . De slinger lijkt nu eerder te zijn teruggezwaaid naar het extreem-rechtse alternatief. Vormt het nationalisme, zoals dat momenteel vrijwel overal herleeft, een opmaat naar een nieuwe reeks nazistische regimes?

"Sinds de val van de Berlijnse muur is het beeld van de twee grootmachten die tegenover elkaar stonden weggevallen. Maar in plaats van een hereniging van volkeren die onder dezelfde onderdrukking geleden hebben, zien we nu een enorme verbrokkeling optreden, die soms samengaat met vreemdelingenhaat, antisemitisme, racisme. Kijk alleen al naar de ethnische zuiveringen in Joegoslavie, die lijken terug te keren naar mythen waarvan we dachten dat ze voor altijd verdwenen waren."

"Het is voor ons echter heel moeilijk te oordelen over het beroep op nationale thema's, zoals die nu in Oost-Europa en de voormalige Sowjet-Unie opkomen. Het zou verkeerd zijn wanneer we die vanuit West-Europa zonder meer zouden verwerpen. We zouden daarmee de ogen sluiten voor een lange geschiedenis. Ook de opkomst van onze democratie ging tenslotte samen met de vorming van de moderne natie. En een beroep op nationale thema's en gevoelens kan heel legitiem zijn."

"We mogen niet vergeten dat we hier te maken hebben met volkeren die tientallen jaren geleefd hebben onder een totalitaire macht, en die nu teruggrijpen op nationale ideeen om opnieuw een identiteit te vinden, na de totale ineenstorting en ontwrichting van het rijk waarvan ze deel uitmaakten.

Het probleem is echter dat deze nationale thema's de vorm aannemen van een nationalisme, en dat is de bron van alle fanatismen. Als de westerse machten op tijd de gevaren van het nationale reveil hadden onderkend, hadden zij politieke en economische initiatieven kunnen nemen die de democratische stromingen een sterkere steun hadden verleend en het gras voor de voeten van de fanatici zouden hebben weggemaaid.

Maar al te vaak wordt de roep om democratie nu in de wielen gereden door het nationale streven dat daarmee aanvankelijk gelijk op ging. Nationale ideeen neigen immers altijd tot een idee van unanimiteit, terwijl de democratie vraagt om tolerantie ten opzichte van alle verscheidenheid."

"De nationalistische bewegingen die we nu zien dragen zelf het stempel in zich van het totalitarisme dat zo lang over hen geheerst heeft. Hun fanatisme wijst op een soort overdracht van de totalitaire geest onder de leiders, en ook onder een niet te verwaarlozen deel van de bevolking. In dat opzicht is dit niet hetzelfde als het nationalisme van voor de totalitaire periode."

Volgens sommige postmoderne denkers is er inmiddels een einde gekomen aan de geschiedenis en aan de grote, verwachtingsvolle verhalen van een betere toekomst. Het fiasco van het communisme lijkt elke marsroute naar een nieuwe samenleving definitief in diskrediet te hebben gebracht. Ook Lefort lijkt van dergelijke projecten weinig te willen weten, al was het maar omdat ze ervan uit gaan dat er absoluut zekere kennis mogelijk is over de vraag waar het met de samenleving naartoe moet. En juist die idee is met het einde van de absolute vorsten en het begin van de discussiedemocratie onmogelijk geworden.

"Het is misschien teveel gezegd dat de utopie voor altijd verdwenen is, maar de utopie maakt in ieder geval geen deel meer uit van het democratische denken. Betekent dat nu dat we alleen nog maar kunnen kiezen voor het meest platte realisme? Dat geloof ik niet. De samenleving is nog altijd verre van volmaakt, vol ongerechtigheid en ongelijkheid. Ik geloof dat er nog steeds een politieke passie kan bestaan: een passie voor hervorming, een passie om te zoeken naar een coexistentie tussen staten en een minimum aan internationale orde."

"Dit soort of-of dilemma's hindert me een beetje. Het zijn het soort vragen dat adolescenten zich stellen: welk doel moet ik aan mijn leven geven? We hoeven ons leven helemaal geen doel te geven, zolang we het maar een zin verlenen, wat iets heel anders is. We hoeven niet vanaf een afstand naar onszelf te kijken, om ons vervolgens - als het ware van buitenaf - een regel op te leggen. Het gaat er om te begrijpen wie je bent en hoe de wereld eruit ziet, van moment tot moment, en op basis daarvan een oordeel te vellen: dit is hetgeen waarvoor ik strijden moet, en daartegen moet ik me teweer stellen."

"Daarmee kiezen we, bijna terloops, voor wat wij waardevol achten en stellen we ons, als het goed is, teweer tegen relativisme, nihilisme, skepticisme, of - wat nog veel erger is - fanatisme. We oordelen en engageren ons in dat oordeel. Ik geloof nog altijd in de idee van sociale rechtvaardigheid, en dat is alleen maar werkzaam wanneer we die banier hooghouden."

"Maar - zegt Lefort met geemotioneerde nadruk - naast de plicht tot het streven naar sociale hervormingen, staan we momenteel ook voor de belangrijke taak de traditie van de humanistische cultuur voort te zetten. Je zou kunnen spreken van een mengsel tussen een bepaald soort conservatisme - dat niets te maken heeft met politiek conservatisme - en de durf om te zoeken naar sociale, economische en justitiele vooruitgang in de samenleving. Met dat conservatisme bedoel ik de zorg voor het behoud van een bepaalde cultuur, die niet wijkt voor de cultus van het nieuwe omwille van het nieuwe."

"Daarbij denk ik in het bijzonder aan de opvoeding en het onderwijs. Alle onderwijssystemen worden vandaag de dag beheerst door utilitaristische waarden. Kijk naar de hervormingen die over elkaar heen buitelen: uiteindelijk wordt daarbij het nut als onaantastbaar criterium gebruikt. Maar de paradox is dat dat utilitarisme uitmondt in het grootst mogelijke fiasco, zelfs waar het erom gaat mensen aan het werk te helpen. Het utilitarisme mondt uit in ijdelheid en leegte, terwijl het onderwijs het individu de mogelijkheden moet verschaffen om zich uit te drukken, om te begrijpen wat hem overkomt, kortom, om 'ik' te kunnen zeggen. Het moet leren zich niet te laten inpalmen door bestuurlijke en technische systemen. Dit gedachtenloos utilitarisme kweekt alleen maar de ideale volgelingen van een nieuwe totalitaire ontwikkeling."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden