Als een man lijdt aan papillitis

Ironie tekent ziekteverslag van een herontdekte Hongaar

Opvallend veel Hongaarse schrijvers uit de eerste helft van de vorige eeuw zijn de laatste jaren in Nederland succesvol gebleken. Naast de bestsellerauteur Sándor Márai zijn dat de grote Dezsö Kosztolányi, wiens romans 'Anna' en 'Leeuwerik' vele herdrukken haalden, maar ook Antal Szerb met 'Reis bij maanlicht'. Het rijtje wordt nu mogelijk uitgebreid met Frigyes Karinthy, die ook al tot de kring behoorde rondom het legendarische tijdschrift 'Nyugat' ('Westen'), waarmee de Hongaarse literatuur aansluiting vond bij de moderne stromingen uit Parijs, Londen en Wenen.

De veelzijdige en productieve excentriekeling Frigyes Karinthy (1887-1938), die ook als journalist en vertaler van Engelse literatuur actief was, staat bekend als humorist, satiricus en eersteklas stilist. Veel van zijn taalvondsten en titels als 'Humor neem ik serieus' of 'Alstublieft, meneer de professor' zijn in Hongarije gevleugelde woorden. Karinthy wordt nu in Nederland geïntroduceerd met zijn laatste, in 1937 verschenen roman 'Reis om mijn schedel', elegant vertaald door Frans van Nes.

Deze sterk autobiografische roman begint in het voorjaar van 1936 in het beroemde café Central in Boedapest. De schrijver zit aan zijn vaste tafeltje en mijmert over een schrijfproject als hij plotseling last krijgt van hallucinaties. Aanvankelijk neemt hij dat niet al te serieus, maar als hij later ook nog eens gekweld wordt door duizeligheid en zijn handschrift begint te veranderen, besluit hij toch maar een arts op te zoeken. Dit leidt tot een hele reeks van onderzoekingen in Boedapest, Wenen en Stockholm, waarbij de eerst nog optimistische diagnose (nicotinevergiftiging) langzamerhand wordt bijgesteld. Uiteindelijke diagnose: een hersentumor met de omvang van 'een klein bloemkooltje'. In Zweden wordt de schrijver door een medische autoriteit succesvol geopereerd, waarna hij vol goede moed de thuisreis aanvaardt.

In zijn voorwoord laat Karinthy weten dat hij deze roman heeft geschreven om anderen een beeld te schetsen van zijn ziekte, maar ook als 'zalf' en 'elixer' voor de psychische genezing. Dat verklaart de deels klinische toon van de schrijver, die overigens zelf korte tijd geneeskunde studeerde. Zonder emoties of zelfs maar een zweem van zelfbeklag rapporteert hij over zijn belevenissen, waarbij hij zijn betoog doorspekt met termen als 'eencellige amoebe', 'papillitis' of 'regurgiterende galstroom'. Geen wonder dat Karinthy deze roman aan 'de nobele, ware wetenschap' opdraagt, en dat de Britse neuroloog Oliver Sacks het boek een meesterwerk noemde.

Toch is de nuchtere betoogtrant slechts één aspect van deze roman. Nog opvallender is misschien de spottend-ironische, zelfverzekerde houding die de dandyachtige wereldburger Karinthy tentoonspreidt. Achteloos strooit hij met citaten en verwijzingen naar Tolstoj, Thomas Mann, of zijn vriend Kosztolányi. Soms ontaardt zijn superieure houding in lichte snoeverij, bijvoorbeeld als hij zijn grote bekendheid in binnen- en buitenland ter sprake brengt en laat weten dat hij nooit te beroerd is om bewonderaars een handtekening te geven. Gelukkig is hier ook veel zelfironie in het spel, die een hoogtepunt bereikt als de verteller vooruitloopt op de necrologieën die binnenkort over hem gaan verschijnen.

Soms vraag je je af hoe het mogelijk is dat iemand die vrijwel ten dode is opgeschreven zo onbekommerd en bijna dartel kan vertellen. Het antwoord hierop geeft de schrijver halverwege in het schitterende hoofdstuk 'In godsnaam - op naar het noorden!', waarin hij per trein op weg is naar Stockholm. "Ik besef dat mijn opgewektheid en mijn hang naar grappenmakerij niet uit mijn gemoedstoestand voortkomen, maar dat ik ze nodig heb als een soort verdovend middel."

Karinthy's alleszins geslaagde en originele roman is deels ook een ode aan zijn geboortestad Boedapest. Soms ruik je de speciale, melancholieke odeur van de Donaumetropool. Maar ook de saillante beschrijvingen van artsen, medepatiënten of collega-schrijvers springen in het oog. Vooral de vrouwen komen er opvallend goed vanaf, ononderbroken praten ze de patiënt moed in en maken ze hun opwachting met presentjes. In een van de vele oneliners van Karinthy: "Als God de menselijke soort ooit vergiffenis schenkt, zal het vanwege de vrouwen zijn - heilige Maria bid voor ons!"

Frigyes Karinthy: Reis om mijn schedel. Uit het Hongaars vertaald door Frans van Nes. Van Gennep, Amsterdam; 253 blz. euro 19,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden