Als een helicopter

Bisschop Hugo van Lincoln was een alleropmerkelijkste kerkvorst in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Hij was niet alleen een belangrijk hoogwaardigheidsbekleder, al tijdens zijn leven werd hij gezien als een man Gods. Kort na zijn dood werd hij heilig verklaard en zijn graf in de kathedraal van zijn bisschopsstad werd tot een van de belangrijkste pelgrimsattracties van Engeland.

HENK VAN OS

Eens was Hugo op bezoek in het beroemde klooster van Fécamp. Hij wist dat daar een reliek werd bewaard, een stuk arm van niemand minder dan Maria Magdalena. Hugo vroeg of hij dat heilig bot mocht vereren. Dit mocht. Toen het hem werd gebracht, bleek het in een foedraal van zijde te zijn genaaid. Hugo wenste alleen genoegen te nemen met echte knekels en liet zich een mesje geven om de zijden huls open te snijden. Daarna drukte hij het allerheiligste bot tegen zijn mond en ogen. Dit knuffelen was hem nog niet genoeg, de bisschop wilde het liefst een stuk van de reliek altijd bij zich hebben. Daarom probeerde hij een stukje van de arm af te breken. Toen dat niet lukte, nam hij hem in zijn mond en hapte er twee stukken af.

De abt en monniken, die hem eerst met stijgende verbazing hadden bezig gezien, werden nu razend en schreeuwden: “O wat een schande! Wij dachten dat de bisschop alleen maar deze heilige schat van ons wilde vereren, maar nu probeert hij hem als een hond (ritu canino) op te vreten.” Hugo had geen boodschap aan hun woede en nam de splinters mee met de mededeling, dat hij Maria Magdalena nu juist een bijzondere dienst had bewezen door haar, net als bij de eucharistie het heilige lichaam van de Verlosser zelf, metterdaad tot zich te nemen.

In de jaren zestig, toen ik begon met mijn studie van middeleeuwse spiritualiteit, werd je geacht je niet met zulke smakeloze verhalen bezig te houden. Sindsdien is er veel veranderd. Historici zien in dit soort verhalen tegenwoordig de kern van de middeleeuwse verering van heiligen en hun relieken: het gaat hierbij niet alleen maar om herinneringstekens, heiligenverering was op een onthutsende manier lichamelijk.

Titus Brandsma wordt vaak een moderne heilige genoemd. Maar wat dat is, blijft enigszins onduidelijk. Zijn er ook ouderwetse heiligen? Kunnen er nog wel heiligen zijn, zoals vroeger?

Op 8 februari 1124 overleed in Muret bij Limoges een roemruchte asceet, Stephanus van Thiers. Hij had zich een echte atleet van de versterving betoond; bijna zijn hele lange leven had hij op water en brood geteerd. Toen Stephanus was gestorven in een geur van heiligheid namen zijn discipelen het lichaam mee naar de eenzaamheid van Grandmont om daar met hem in stilte te leven, in dienst van hun Heer.

Van de stilte kwam niet veel terecht. Al gauw kwamen horden pelgrims naar het nieuwe klooster om te bidden voor de tombe van Stephanus. Er gebeurden daar zoveel wonderen dat de stroom vereerders met de dag aanzwol. Op een gegeven dag werd het de prior te veel. Hij stelde zich op voor de tombe van zijn voorganger en sprak hem ernstig toe: “Wij [van het klooster] zijn helemaal niet benieuwd naar jouw wonderen. We geloven ook zo wel, dat je heilig bent. Houd ermee op... Zo niet, dan zeggen we je nu, dat we je beenderen hiervandaan zullen halen en in de rivier gooien.”

Dat waren geen halve maatregelen. De prior ging uit van een veronderstelling die voor ons op zichzelf al een wonder voorstelt. Kennelijk was hij ervan overtuigd dat de tombe van Stephanus aanspreekbaar was. Het leven in de nabijheid van heiligen had zin omdat de gelovige overtuigd was van de lichamelijke opstanding uit de doden. Middeleeuws geloven was robuust en direct. God troonde in de hemel en was overal aanwezig. Tronen was echt tronen en aanwezig zijn betekende gewoon: Hij is present. In Zijn heiligen en in hun prachtige houders kwam Hij het meest nabij. Daar was je in de buurt van Gods gouden glans, waardoor wonderen gebeuren.

Het is duidelijk dat de boze prior van het klooster van Grandmont niet bereid was om het management van het vreemdelingenverkeer ter hand te nemen. Daarmee had hij de bezoekersstroom kunnen kanaliseren en behalve veel geld verdienen ook zijn monniken hun broodnodige stilte kunnen verschaffen. Elders gebeurde dat wel en vaak op grote schaal. Ringcrypten werden aangelegd met aparte tunnels voor de vele bezoekers. Kerken werden verbouwd om ruimte te scheppen voor de toenemende vereringen.

Maar de prior van Grandmont wilde dat allemaal niet meemaken. De ambiance voor spiritueel leven is stilte. “We zijn al verhuisd van Muret naar Grandmont. Dat moet genoeg zijn”, zo moet hij hebben gedacht. Je denkt al gauw dat de prior moet hebben neergezien op al dat ordinaire gedoe rond het lijk van zijn voorganger. Daar is geen sprake van. Reliekenverering was toen chique. Het begon met keizerin Helena (250-300), die naar het Heilige Land ging om daar het Ware Kruis te vinden en terugkwam met in haar kroon een elegante verwerking van een van de spijkers waarmee Jezus aan het kruis was geslagen. Aanvankelijk waren het de kerkelijke autoriteiten die dit christelijke fetisjisme nog met succes afhielden. Toen keizer Justinianus (482-565) relieken uit Rome vroeg, werden die hem onomwonden geweigerd. Maar de Karolingische en Ottoonse keizers organiseerden met steun van de paus al vrijuit hun rijken met behulp van strategische verspreiding van relieken. Nee, de prior van Grandmont wil gewoon rust. Indien hijzelf niet in relieken had geloofd, dan had hij nooit aan het lichaam van Stephanus kunnen vragen om het grootste wonder te verrichten, dat het in zijn ogen kennelijk verrichten kon, namelijk op te houden met wonderen doen.

Was er in de Middeleeuwen dan geen kritiek op reliekenverering? Vaak gaat men ervan uit dat pas met het humanisme en de reformatie die kritiek is losgebarsten. Dat is onjuist. Maar wat de kerk ook wilde regelen, de heiligenverering had een eigen dynamiek die niet te stuiten was. De aanvankelijk afwijzende houding tegenover relieken maakte al gauw plaats voor tolerantie en vervolgens voor actieve structurering van de verering. Zo verordende het concilie van Lateranen van 1215, dat relieken niet buiten hun reliekhouders vereerd mochten worden. De bedoeling van dit besluit was vervalsingen en diefstal te voorkomen. Maar het effect ervan was een ander. Nu de eenheid van heilige en houder officieel was geproclameerd, nam de magie van reliekhouders toe.

In de vijftiende eeuw liep het uit de hand. Vooral de koppeling van reliekenverering en aflaathandel had grote gevolgen. Door de stoffelijke resten van heiligen te vereren konden gelovigen aflaten verwerven, waarmee ze konden investeren in hun hemelse zaligheid. Er ontstond een bedevaarten-epidemie, gepaard met verschijnselen van religieuze massapsychose. Onderweg naar de heiligen werd er bovendien godsliederlijk gezopen en gevreeën. Erasmus ziet in zijn 'Lof der zotheid' alleen nog maar 'een zee van bijgeloof'. Met de inflatie van de reliekenverering is de kritiek erop steeds radicaler geworden. Luther zegt van relieken: “Alles tot Ding, das niemand heiligen kann”. Maar Luthers eigen beschermheer Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen, was een van de fanatiekste reliekenverzamelaars. Verzamelingen als de zijne kunnen beschouwd worden als de eerste musea. In Frederiks collectie bevonden zich 18.470 relieken die alles bij elkaar aflaten opleverden voor 902.202 jaren en 270 dagen.

Het concilie van Trente (1545-1563) moest orde op zaken stellen. De concilievaders besloten net als hun voorgangers tot het tegengaan van uitwassen. Het katholicisme moest opnieuw worden gelegitimeerd voor christenen die de kerk sinds de reformatie hadden verlaten. Hen verketteren was niet genoeg. De kritiek van Erasmus namen zij ter harte. Ook voor hen was er sprake van wijdverbreid bijgeloof en misbruik. Daarom stelden zij - op papier - paal en perk aan de wildgroei van vereringen. Ook kwamen er regels voor de vereringen die nog wel waren toegestaan. Heiligen mochten niet worden vereerd vanwege zichzelf, maar omdat gelovigen in hen herinnerd werden aan wat Christus had gedaan. Volledig afschaffen van de reliekenverering was niet aan de orde, omdat het vereren goed was voor het ongeletterde volk, al had het in de ogen van de concilievaders daarbij wel meer leiding van hogerhand nodig dan voorheen.

Van keizerin Helena met de spijker in haar kroon zijn we in de zeventiende eeuw terechtgekomen bij Jan met de pet, die opnieuw bij de kerk moest worden betrokken. Voor hem werd de heiligenverering nieuw leven ingeblazen. De heiligenverering werd door zo weliswaar bestendigd, maar was bijna gedoemd om een soort gesunkenes Kulturgut te worden. In elk geval ging men er meer dan ooit van uit, dat er binnen de kerk een permanente dialoog zou bestaan tussen de linea rationis van verlichte gelovigen en de intellectus rusticus van eenvoudige vromen voor zover het de verering van heiligen en zaligen betreft.

Hoe hoog de spanning tussen deze houdingen kon oplopen blijkt uit het leven van Jozef van Copertino, een van de weinigen die in de twee eeuwen na Trente heilig werden verklaard. Jozef werd in 1603 geboren in het dorpje Copertino ergens in Zuid-Italië. Uit alles blijkt, dat hij een zombie moet zijn geweest. Werken kon hij niet, daarvoor was hij te dom. Gelovig was hij wel. Hij was een buitengewoon rigoreuze asceet, met als gevolg dat hij op 4 oktober 1630 voor het eerst een levitatie ervoer.

Dat was nog maar het begin. Al gauw leek het alsof Jozef niet gewoon op de grond kon blijven. Hij vloog voortdurend rond. Op den duur was hij niet meer in het conventualenklooster, waarin hij na bemiddeling van een monastieke oom was opgenomen, te handhaven en moest hij naar Napels om zich voor zijn extases en vluchten te verantwoorden voor de inquisitie ter plaatse. Maar op 28 november 1638 zagen ook zijn rechters hem omhoog gaan. Zij schreven naar Rome, waar hij werd beschuldigd van schijnheiligheid en misbruik van volks bijgeloof. Paus Urbanus VIII stuurde hem terug naar zijn klooster, op de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij moest worden bewaakt en uit het zicht moest blijven.

Het hielp niets. Jozef zat veertien jaar lang opgesloten in het klooster van Assisi, maar van heinde en ver kwamen verrukte gelovigen hem vereren. In het geheim verhuisde men Jozef naar de Italiaanse streek de Marken bij Ancona, maar ook daar werd hij al gauw door boeren zwevend over het land waargenomen als een door de Heilige Geest aangedreven helikopter. Uiteindelijk stierf hij in 1663 in het stadje Osimo, waar rond zijn graf een intense verering ontstond die tot de dag van vandaag aanhoudt. Jozef bracht het zelfs tot beschermheilige van piloten van gevechtsvliegtuigen in de Tweede Wereldoorlog. Midden in de eeuw der Verlichting is hij zalig gesproken en kort daarna, in 1762, heilig verklaard.

Hier hebben we een extreem voorbeeld van een gelovige die door zijn vereerders tegen de klippen van de kerkelijke autoriteiten op omhoog wordt getild tot de glorieuze staat der heiligen. Humanisten, hervormers en de concilievaders van Trente ging het in laatste instantie om hetzelfde: het geloof moest gezuiverd worden. Ondanks alle bloed en tranen, die in de godsdiensttwisten van de zestiende en zeventiende eeuw zijn vergoten, stond het christelijk geloof op zich niet ter discussie. In de hitte van de strijd konden christenen elkaar in de krachtigste termen verketteren, maar het ging alle partijen nog steeds om geloof.

Dat is het grote verschil met wat er aan het einde van de achttiende eeuw in Frankrijk gebeurde. Toen werd het christelijk geloof geofferd op het altaar van de rede. Een linea rationis binnen het geloof was moeilijk vol te houden in een tijd, waarin verklaarde aanhangers van de ratio uitgingen van het inzicht dat het christelijk geloof onzin was. De verering van relieken was voor hen het beste bewijs tot welke uitzinnigheid christenen konden degenereren. Dood is dood. Het was niet meer mogelijk om te zeggen dat het zo goed was voor het domme volk. Dat domme volk moest juist van zijn domheid worden verlost.

Ondanks de heftige kritiek heeft ook de Verlichting het niet zonder verering van individuen kunnen stellen. Het is fascinerend om te zien hoe revolutionairen - van jacobijnen tot bolsjewisten - gebruik hebben gemaakt van traditionele gebruiken uit de verering van heiligen en relieken om hun helden onder de aandacht te brengen en te houden. Standbeelden, mausolea, optochten, seculiere bedevaarten, ook na de beeldenstorm van de zestiende eeuw kon men niet zonder. Onlangs heeft Wim Vroom een fascinerend boek gepubliceerd over seculiere relieken in de Republiek van de Verenigde Nederlanden - van het stokje van Van Oldenbarneveldt tot en met de uitgerukte tong van Jan de Witt. ('Alleen het wonderlid van Jan de Witt', 1997.)

In de Amsterdamse Nieuwe Kerk is de tombe van admiraal Michiel de Ruyter op de plek van het hoofdaltaar gezet. Weliswaar is daarmee het koor van de kerk ontdaan van zijn christelijk liturgische functie, maar voor de verering van een nationale held maakte men wel degelijk gebruik van die christelijke setting. Zelfs nam men de oude technieken van reliekenverering over, door aan de achterzijde van de tombe een gat te maken, waardoor je althans visueel zo dicht mogelijk bij de reliek van deze wereldlijke heilige kon komen. In de middeleeuwen kroop men zelfs in zo'n gat om de heilige te kunnen betasten. Ook in onze tijd wordt opnieuw door kunstenaars beeldend nagedacht over relieken, over voorwerpen die herkenbaar met een geheimzinnige kracht zijn geladen. Een voorbeeld is het werk van Joseph Beuys.

Nu lijkt het misschien alsof er tussen de Verlichting en de moderne tijd één doorgaande lijn van steeds verdergaande secularisatie loopt. Niets is minder waar. Omstreeks 1800 volgde een intense herleving van de intellectus rusticus. Op revolutie volgde reactie. In de negentiende eeuw kwamen de heiligen terug en werd de verering van hun relieken overal met groot succes nieuw leven ingeblazen. Denk maar aan de bedevaarten naar Lourdes of Kevelaer. De tochten naar Santiago de Compostela, die lange tijd geheel in onbruik waren geraakt, werden weer opgevat. De discussie, die ontstond naar aanleiding van de opnieuw gestimuleerde verering van Christus' gewaad in Trier was de hevigste en tevens meest gearticuleerde discussie over de verering van relieken.

Het is kenmerkend voor de negentiende eeuw dat meer dan ooit natuurwetenschappelijk bewijsmateriaal werd verzameld om bovennatuurlijke verschijnselen te 'verklaren'. Clemens van Brentano probeerde de mystieke ervaringen van Anna Katharina Emmerick medisch en psychologisch te onderbouwen. Deze bijzondere vrouw vertoonde volgens hem de reacties 'eines vollkommen Sacrometers'. Het is verbazingwekkend waar te nemen hoe sterk de macht en het geestelijk gezag van de kerk in die jaren is toegenomen. De negentiende eeuw is met de dertiende eeuw wel eens de meest kerkelijke eeuw van de westerse cultuurgeschiedenis genoemd.

Daarbij is het interessant op te merken dat sommige inflatoire tendensen in de verering van heiligen doorzetten tot in onze tijd toe. Dat geldt alleen al het aantal heiligverklaringen. Mocht een paus in de Middeleeuwen al blij zijn als hij tijdens zijn pontificaat één enkele heiligverklaring meemaakte, alleen al tijdens het pontificaat van Johannes Paulus II werden 279 gelovigen heilig verklaard en 779 zalig.

Titus Brandsma werd in 1942 door de Duitsers vermoord in Dachau omdat hij als hoogleraar wijsbegeerte college had gegeven over de bedenkelijke aspecten van de nationaal-socialistische wereldbeschouwing. Toen de vrijheid van de katholieke pers werd bedreigd door de nationaal-socialistische propagandamachine verzette hij zich daartegen. “Hij meent het christendom tegen het nationaal-socialisme in bescherming te moeten nemen”, verklaarde de Duitse rechter. Hij overleed op 26 juli 1942 in het concentratiekamp Dachau. In 1985 werd Titus in aanwezigheid van Paus Johannes Paulus II zalig gesproken.

Kunnen wij deze vrome karmeliet zien als een moderne heilige? Op die vraag wil ik antwoord geven langs weg der ontkenning, de via negationis, die in de Nederlandse mystiek zo'n belangrijke rol heeft gespeeld. Titus kwalificeerde zich niet als zalige door visioenen, levitaties of stigmatisaties. Integendeel, er was niets uiterlijks aan zijn spirituele leven. Dat is bijzonder omdat velen tot op de dag van vandaag nu juist heilig of zalig worden door ostentatieve geloofsbeleving. Als er inflatoire tendensen in die heiligenverering zijn op te merken, dan is het wel op dit gebied. Het moest steeds vaker en steeds heviger.

Titus Brandsma verrichtte ook geen wonderen. Zonder wonderen kon je vroeger noch heilig noch zalig worden. Zeker in de Middeleeuwen was dat zo. Ook nu nog hebben grote gelovigen zonder wonderen het niet makkelijk, wanneer ze heilig of zalig moeten heten. Handige hagiografen maken er wel eens van, dat van die hoogstaande gelovigen het leven zelf een wonder was, maar dat is te makkelijk. Titus wordt als zalige vereerd zonder tijdens zijn leven of erna mirakelen tot stand te hebben gebracht. Niemand is voor zover bekend door hem genezen van zijn kwalen en als iemand dat wel zou hebben beweerd, zou Titus daarover vrolijk hebben gelachen.

Van Titus bestaat bovendien geen primair reliek. Zijn lijk werd verbrand in de ovens van Dachau. Voor de Middeleeuwen gold: zonder reliek geen heilige. Heiligenverering was reliekenverering. Weliswaar deed de heilige wonderen tijdens zijn leven, maar verreweg de meeste wonderen vonden plaats na zijn dood, als antwoord op gebeden bij zijn of haar graf of bij zijn of haar relieken. Niet alleen het leven van Titus verzet zich tegen deze ouderwetse vorm van verering, ook zijn dood doet dat. Er is van hem niet meer overgebleven dan zijn voorbeeld.

Zijn leven en dood laten zich niet alleen herdenken in wat inderdaad een moderne heiligenverering genoemd kan worden, maar brengen ons ook terug bij de oudste aanleiding tot het eerbiedig uitzonderen van grote gelovigen. Want wat talloze heiligen en zaligen uit de geschiedenis missen, dat is nu juist wezenlijk voor de verering van Titus Brandsma. Hij was een martelaar: hij is 'gedoopt' met het bloed van Christus. Een moderne martelaar en een authentieke heilige. Of het nu over heiligen gaat of over gewone mensen, uiteindelijk gaat het erom betekenis te geven aan de herinnering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden