Als een gecontroleerde idioot, als een bezeten vrijbuiter, wint Mathieu van der Poel de Amstel Gold Race

Mathieu van der Poel stort ter aarde kort na de finish van de Amstel Gold Race. Beeld ANP

In 1990 leek de Belg Luc Roosen de Amstel Gold Race te gaan winnen. Roossen, een brave, redelijke alleskunner zonder duidelijke specialiteiten, rekende zich rijk, hief de armen richting hemel en voelde een warme schicht langskomen. De winnaar van die koers, voor een in stomme verbazing toekijkende kleine toeschouwersschare langs de stoep, was Adri van der Poel.

Dat was toen, dat was de oudheid. Die Van der Poel was een man die etappetje won, die een klassieker kon aanpakken, die veldritten in de kou bedwong, die geel droeg en kampioen werd en die een Brabantse piepstem en een goed hart had.

Tussen toen en nu veranderde de wielerwereld, won Erik Dekker in 2001 voor Oranje nog eens de Limburgse koers, en trad er een oorverdovende en giftige stilte in.

We gingen, terecht, heel anders de wielersport bekijken en zagen een sport zich met heel veel moeite opheffen na een toxisch proces van afsterven.

De komst van een boorling van de familie Van der Poel zou alles weerom veranderen.

Het was Paaszondagmiddag 16.03 en Mathieu van der Poel, al dagen zalig verklaard door een naar succes snakkende wielernatie, gaf gas. De AGR had met een gemene, krachten slopende wind te maken gehad, een groep onbekenden had het tableau van de dag licht gekleurd, bij de vrouwen had Annemiek van Vleuten het net niet gehaald tegen de jonge Poolse Katarzyna Niewiadoma en vol, verwachting klopte ons (oranje) hart.

Zou hij…kon hij, durfde hij?

Ja, hij durfde, maar zijn sprong in de ruimte bij de beklimming van de Gulpenerberg leek waanzin. Wat? Was waanzin. Rond hem keken kampioenen, karakters, sprinters, wereldkampioenen en angsthazen naar die rood, wit blauwe trui en witte koersbroek en alleen een Spaanse onverlaat die als Izagirre op de lijst stond, reed in het wiel van Mathieu van der Poel mee. Je kon immers nooit weten.

De heren waren, o zo fraai op deze Paasdag, op weg naar de Kruisberg; een stuk of wat kilometers verder weg; de sprong was nooit eerder vertoond, leek gekkenwerk en was dat ook, maar kijk…daar kwamen de dertigers, daar kwamen de kopmannen en voordat we honderd maal met de ogen geknipperd hadden, was de koers niet alleen ontbrandt, maar tevens in vorm getrokken.

Je zag al die buitenlandse gladjanussen denken:” Er mag veel in Holland, maar als zo’n beginneling ons hier met de voeten gaat spelen, dan weten we nog wel iets.”

De Poolse Katarzyna Niewiadoma, winnaar bij de vrouwen, en Mathieu Van der Poel op het podium van de Amstel Gold Race. Beeld BELGA

Om 16.12 was de oorlog voorbij, reden de twee beste coureurs van de afgelopen maanden (Alaphilippe en Fuglsang) broederlijk aan de leiding, volgde een wereldkampioen (Kwiatkovski) samen met een Europees kampioen (Trentin) en spartelden alle anderen en vooral ook Mathieu van der Poel in het achterland.

Zijn druistige solo was in schoonheid gestorven voor het zelfs vorm had gekregen en een zucht van verlichting trok door de rudimentaire overblijfselen van de hoofdmacht…zo deden ze dat in een echte koers van mannen.

Alle Spielereien van de laatste weken waren leuk en aardig geweest, maar nu was het serieuze kost: er moesten nog 42 kilometer koers afgelegd worden en je zag Van der Poel terugzakken. Zo zelfs dat de helikoptercameraman (een vakman van jewelste) op klinisch precieze manier “de man met de witte broek” ging zoeken in het bronsgroen onder hem.

Toen Van der Poel gevonden was en de achterstand van de vrij omvangrijke groep waar hij binnengewaaid was, aan de wereld getoond werd, bleek het een kleine minuut te zijn, met soms schommelingen naar 50 tellen. Kansloos dus volgens oude (en licht vergane) wielerwetten. Ooit reed men op naam, faam, geheime doping en hiërarchie, maar ook op bedrog en soms overtrokken standing.

Dat was vroeger: nu kwam er ineens een ander begrip bij: “op instinct”.

De hardst kraaiende haantjes, Alaphippe (slim en argwanend) en Fuglsang (niet ’s wereld grootste tacticus) maalden de kilometers weg en bewezen, op zo’n drie kilometer voor de streep in Vilt, dat wielrennen toch meer was dan alleen maar hard trappen. Fuglsang, de schat, plaatste minimale aanvallen die het ritme van hemzelf en van de koers direct verstoorden. Uit het achterland kwamen jonge mannen opzetten, zoals de Duitser Schachmann die Kwiatkovski en Trentin inhaalde, maar er was meer.

Een klein tiental geklopten, jonge gasten, opkomende talenten (twee zoons van renners uit de jaren negentig, Madouas en Van der Poel) waaronder ook de onverschrokken Aussie Clarke, duwden de pijnknop in hun lijf vol in en volgden de ineens ontketende Van der Poel in zijn bijna waanzinnige wederopstanding.

Sleurend en slepend, de wind splijtend, de tanden op elkaar, woest en wild, maar toch ook o zo gecontroleerd, scheurde hij de nieuwe generatie naar de oude jongens voor hem. Op 800 meter van de streep had hij oogcontact en ook nog vijf man voor zich. Binnen 200 meter liep het de mannen voorop dun door de broek, wel pvd (potverdrie, het is immers Pasen), daar was dat jonge canaille dus toch nog…maar wacht…

Vergeet het. Instinct bracht Mathieu van der Poel waar hij wilde wezen. Hij had, zo zei hij na afloop, “aan zijn benen gevoeld dat er nog iets inzat” en dus was hij gaan rijden, neen sprinten, drie kilometer lang.

Ongeloof

Als een gecontroleerde idioot, als een bezeten vrijbuiter, als een kind van een Franse moeder en Brabantse vader. Als een 24-jarige sportman die het in zich had en heeft geweldige prestaties neer te leggen, prestaties, waar dit sportarme volk achter de dijken, nog slechts van kon en kan dromen.

Met pedaalomwentelingen van dik meer dan tien meter kwam hij nader en nader; alleen Clarke kon ongeveer in zijn wiel blijven en in een cocon van gejuich, geroep, geschreeuw en vooral ongeloof, duwde de jongeling van 24 jaar zijn fiets als eerste over de finish.

Toegegeven, niet zo nipt als zijn vader het negenentwintig jaar geleden had gedaan, maar zelfs als je de uitslag wist en de beelden nog eens terugkeek, was je niet zeker van de winst van dit, alles bij alles, toch vrij nuchtere jongmens dat ons op prettige manier wist en weet te verbazen; keer na keer.

Op bewuste wijze weigerde hij, op het podium, een tweede glas bier. Jammer voor de sponsor, maar Mathieu heeft zo zijn principes. Hij laat zijn fiets door zijn vader schoonmaken, hij houdt zijn familieleven klein en hij bewees ons allen dat spectaculair winnen ook voort kan komen uit dat merkwaardige begrip dat we “instinct” noemen.

Wat dat is? Adri sprintte in 1990 tot de streep en won, Mathieu sprintte in 2019 tot de streep en won. Toen, lang geleden, haalden we onze schouders een weinig hautain op. Op 21 april 2019 wonnen “we” met zijn allen en keken we met bijna tranen in de ogen toe.

Dat is natuurlijk lichte onzin niet waar, maar het voelde wel zo. Merci Monsieur Van der Poel.

Lees ook: 

Een mededeling voor Mathieu van der Poel: witte koersbroeken kunnen niet. Nooit.

Hij is alweer minuten van het podium verdwenen, maar ik mijmer door. Je weet wat ze zeggen van renners die glanzen en glimmen: die zijn in vorm. Hij lijkt perfecter dan perfect, schrijft columniste Marijn de Vries, deze Mathieu van der Poel. En een lust voor het oog, bovendien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden