Als de tongen maar vrij zijn

In het Erasmusjaar staan denkers stil bij de

Désanne van Brederode, filosofe, schrijfster en lid van het bestuur van de stichting Praemium Erasmianum.

'Ja, maar Erasmus was natuurlijk geen échte gelovige', zei een van mijn medebestuursleden bij Stichting Praemium Erasmianum, oftewel de Erasmusprijs, een jaar of vier, vijf geleden. Hij - schrijver, wetenschapper, opiniemaker en uitzonderlijk erudiet - poneerde het zonder enig voorbehoud, en misschien nog wel stuitender: zonder te willen prikkelen of provoceren. Op een toon van 'dat weten we hier, in dit gezelschap, toch al jaren?'

Ik voelde mezelf naar voren schieten, fel - misschien om tranen te verbijten. Maar tot een vlijmende verdediging kwam ik niet. Alsof Erasmus himself me tegenhield. Hij had toch het goede voorbeeld gegeven? In plaats daarvan vroeg ik de spreker dus waar hij zich op baseerde. Zijn antwoord: "Wanneer je 'Lof der Zotheid' hebt gelezen, is dat toch duidelijk? Erasmus deed heel goed alsof hij geloofde, hij was slim genoeg om hier en daar iets vrooms in zijn teksten te verwerken, hij kende de Bijbel van begin tot einde en kon met die kennis spelen. Uit lijfsbehoud. Maar als je ook maar een beetje tussen de regels door leest, en erover nadenkt, dan besef je dat hij een voor zijn tijd veel te moderne vrijdenker was om serieus te kunnen geloven. Zoiets zou trouwens ook niet passen bij zijn humanisme."

Hoewel ik deze gedachtengang goed kon volgen, zag ik de blinde vlek in de argumentatie. Ik liet het erbij, mompelde iets vaags als 'wanneer gaan mensen nu eens inzien dat het christelijke geloof en geestelijke vrijheid niet per se met elkaar op gespannen voet staan?' Mijn ergernis betrof overigens niet de radicaal Verlichte atheïsten, onder wie deze spreker, maar al die christelijke gelovigen door de eeuwen heen, die tot op vandaag voeding geven aan dit hardnekkige misverstand.

Vrijheid is bij Erasmus niet hetzelfde als 'mogen doen wat je niet laten kunt'; hij vond niet dat je alles maar kon zeggen.

Vrijheid, opgevat als een gave, een geschonken talent, is voor Erasmus per definitie geestelijke vrijheid, die aan het vrije spreken en handelen voorafgaat. En dat niet alleen: ze dient eerst al ontdekt en ontwikkeld te worden. Dat kan alleen door een goede scholing, waarbij de leerling zich verdiept in een denktraditie van eeuwen.

Erasmus was een belezen man, die opriep om bij het denken terug te keren tot de bronnen (Ad fontes), maar boeken waren voor hem niet uitsluitend informatiemateriaal: het waren getuigenissen van mensen met wie je, over de dood heen, op vriendschappelijke voet kon verkeren. In plaats van op een hoge stapel boeken te zitten, stond hij op de schouders van reuzen, die verdienden om aan te zitten aan een dis, mee te eten, mee te spreken. In zijn eigen geschriften citeert Erasmus ze niet slechts, hij laat ze reïncarneren.

Dat is dus, tenminste wat mij betreft, een eerste daad van vrijheid. Een eerste verwezenlijking van geestelijke vrijheid. Niet alleen de erkenning dat je op schouders van reuzen staat, maar ook werkelijk, oog in oog met deze reuzen, je geestkracht ontdekken en door hen laten slijpen. Ruim voordat iemand eens even vlot gebruik maakt van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, of eerst al dit recht opeist, is er dus al een hele gang af te leggen. Dat wist Erasmus, simpelweg omdat hij deze gang zelf had afgelegd en er op terug kon blikken.

Hij blikte ook vooruit. In zijn talloze teksten over onderwijs en opvoeding wordt helder dat een goede leermeester zowel recht moet doen aan de leerling tegenover zich, als aan de bronnen. Het geeft geen pas om de schouders van de jonge leerling te belasten met, alweer, een heleboel imposante, gewichtige boekenwijsheid, als deze leerling zich niet werkelijk kan verbinden met, en inleven in de materie. Het blijft liefdeloze kennis. De cum laude student die aldus

wordt 'afgeleverd' wacht waarschijnlijk een indrukwekkende carrière, maar van geestelijke ontwikkeling zal geen sprake zijn.

Daarnaast zijn er de leraren die het hun studenten iets te graag naar de zin willen maken, en de lesstof aanpassen aan de zogeheten belevingswereld van jongeren. Waarom deze mensen nog lastigvallen met ouderwetse teksten, over onderwerpen en kwesties die allang hebben afgedaan? Ook dit beschouwt Erasmus, onder andere in 'Tegen de Barbaren', als heilloze weg die de leerlingen uiteindelijk onvrij houdt, of ze dit anders wel maakt. Er is geen prikkel. Ze worden niet uitgedaagd omdat ze voortdurend worden aangesproken op dat, wat ze toch al leuk en interessant vinden. Alle goede bedoelingen ten spijt: zo houd je ze op hun plek.

Een goede docent doceert dus. Met een c, dat is evident, maar hij doseert ook met s. Hij voedt jonge mensen op tot individuen die zelf willen blijven leren hoe in vrijheid kennis te verzamelen en daarover eigen ideeën te ontwikkelen die ze in een constructieve vorm kunnen uitdragen en voorleven, ten behoeve van de gemeenschap.

Juist omdat Erasmus mocht merken dat hij serieus genomen werd, dat er naar hem geluisterd werd - met afkeer, in vrees, met bewondering - was het voor hem zaak om te doseren.

Precies dat, wat bijvoorbeeld Luther niet kon, niet wilde, ook al dachten beide mannen tot op zekere hoogte hetzelfde over de misstanden in de (katholieke) kerk en kenden beiden hetzelfde sterke verlangen om de godsdienst te zuiveren van deze corrumperingen en van de pervertering van de bijbelse boodschap. Volgens Luther nam Erasmus deze missie onvoldoende ernstig: hij was niet bereid om met krachtige alternatieven te komen, hij was niet radicaal, stond niet op de barricades, hij dook weg als het hem te heet onder de voeten werd, of hij draaide zijn woorden handig bij, en dat allemaal alleen maar om 'de boel bij elkaar te houden' zoals dat nu zo ongelooflijk poëtisch heet.

De in alles hartstochtelijke Luther, die in Erasmus toch een medestander hoopte te vinden, zag met lede ogen aan hoe Erasmus zich juist meer en meer van hem distantieerde, en vatte dit op als laf en onwaarachtig. Duidelijk niet bereid tot een offer. Niet van zins om de prijs voor zijn scherpe woorden te betalen. 'Nee, dan ik!'

Misschien naïef van hem, maar ik vermoed dat Erasmus hoopte, geloofde, dat mensen zélf in vrijheid zouden ontdekken wat er niet deugde aan de kerk en haar gezagsdragers, en zelf pogingen zouden ondernemen om dit beschaafd aan de kaak te stellen, om de kerk van binnenuit te hervormen. Als ze maar zouden gaan lezen, leren denken, en met elkaar het gesprek aangaan, in de geest van Christus. Luther betwijfelde een dergelijke trage weg, waarbij het zou aankomen op de wilskracht, de moed, de vrijheid van enkelingen: men zat overduidelijk Nú op bevrijding te wachten, het gebouw was tot in de fundamenten verrot. Mouwen opstropen, aan de slag, desnoods het eigen leven op het spel gezet!

Terwijl het in Engeland Erasmus' vriend Thomas More was die vanwege de trouw aan zijn meningen ter dood werd veroordeeld, bleven Luther en Erasmus gezworen kemphanen die de strijd met elkaar hadden gestaakt, maar bevroren waren in hun houding tegenover de kerk en elkaar. Achter hun rug om gingen de beschuldigingen in beide 'kampen' door. Binnen de kerk waren er mensen die blij waren met Erasmus' vredelievendheid en hem graag voor hun karretje wilden spannen, en mensen die hem er heimelijk van verdachten wel degelijk een Lutheraan te zijn, een wolf in schaapskleren, een reformator die er flink de pest over in had dat die andere, échte reformator hem niet in zijn gelederen duldde, of omgekeerd, die niet duldde dat er naast hem per ongeluk zo'n schreeuwlelijk rondliep, die de massa's wél op de been wist te brengen. Kortom, precies de verdeeldheid waar Erasmus diep in zijn hart zo'n gruwelijke afkeer van zei te hebben.

Afkeer uit lijfsbehoud? Zou kunnen. Toch vermoed ik dat Erasmus vooral werd gedreven door een heel diep, bijna mystiek geloof. Niet uitsluitend in God de schepper en Vader, niet uitsluitend in de goddelijke Zoon Jezus Christus, niet uitsluitend in de Heilige Geest, maar evenzeer in de menselijkheid van Jezus én in mensen zelf. In hun vermogen om zelf, in vrijheid, geestelijke ruimte te scheppen voor inspiratie en liefde vanuit de geest.

Het is misschien vooral om die reden dat hij zijn emoties zo zelden écht de vrije loop laat. Hij wil zich er niet door laten meeslepen, en hij wilde zelf niet meeslepend zijn, om daarmee te treden in de vrijheid van de ander. Een werkelijk vrij mens kan nog steeds bloot staan aan heel heftige roerselen, zowel de heel verheven gevoelens, als de kleinzielige, kleingeestige, egoïstische. Maar hij weet ook: ik kan ze vóór me houden, als daar een groter belang bij gediend is. Dát is de ware vrijheid.

Ik vermoed dat Erasmus veel vaker aangedaan was dan uit zijn geschriften blijkt. Dat hij bijvoorbeeld intens veel hield van Thomas More, misschien zelfs verliefd op hem was, naar hem verlangde, maar er daarbij van doordrongen was dat er in zijn tijd, en bij Thomas zelf, geen plaats was voor die liefde. Dus sublimeerde hij die, en schreef de 'Lof der Zotheid'.

Erasmus laat zien dat er geen andere manier is om de geestelijke, de menselijke vrijheid te eerbiedigen, dan jezelf steeds weer in vrijheid af te vragen 'Is de vrijheid van de ander gebaat bij de vrije uitingen en meningen van mij?' Is de vriendschap erbij gebaat? De zaak? De leerling? Het geloof? Is de liefde erbij gebaat?

In zijn brieven aan de van oorsprong Utrechtse hoogleraar en nu paus Adrianus schrijft hij - uitgerekend hij, in Bazel woonachtig bij de enige drukker die zijn werk nog publiceerde: "Ik zou ook wensen, als het mogelijk was, dat de vrijheid van drukpers aan banden gelegd werd. Daarbij zou de wereld de hoop moeten krijgen dat bepaalde dingen zullen veranderen, waarvan ze niet ten onrechte klaagt dat ze eronder gebukt gaat. Ieder zal herademen bij de zoete naam van de vrijheid. Die moet op alle manieren beschermd worden, als het met de veiligstelling van de vroomheid mogelijk is. Er moet voor gewaakt worden dat de mensen hun geweten kunnen ontwikkelen, zonder daarom minder te kijken naar de waardigheid van vorsten en bisschoppen. Werkelijk, deze waardigheid moet beoordeeld worden op grond van die dingen waarin hun waardigheid echt gelegen is, zoals ook de vrijheid van het volk beoordeeld moet worden. Uw Heiligheid zal zeggen: 'Wat zijn die wortels of wat zijn die dingen die veranderd moeten worden?' Tot de inschatting daarvan moeten volgens mij uit alle streken eerlijke, ernstige, milde, genadige mannen worden samengeroepen, zonder hartstochten, wier mening..."

En hier breekt de tekst midden in de zin af, zoals de bezorger stelt.

Dit was Erasmus in zijn laatste jaren. De vermoeide vrijheidsdenker die niet meer inging op de uitnodiging om naar Rome te komen en de nieuwe paus te adviseren, vermoedelijk uit angst voor wespennesten. Maar ook de man die in het mooie Bazel stug bleef geloven dat men het ook, of juist, zonder hem wel afkon. En zonder strijd, zonder hartstochten, zonder publicaties van agressieve schotschriften, zonder te stoere manifestaties van moed en radicaliteit en onversneden eerlijkheid en felheid.

Nee, dat lijkt in de verste verte niet zo heldhaftig als de dood van zijn vroegere hartsvriend Thomas More. Het oogt zelfs wat zwak en laf. Maar voor mij getuigt deze terugtrekkende beweging van een diep geloof in de vrijheid en menselijkheid en liefde van anderen. "Mijn tijd zit erop, maar andere mannen kunnen het."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden