Klein verslag

Als de nood aan de man is hoe moedig zijn wij dan, of hoe zelfzuchtig en laf?

Een beeld uit de film Turist.

De vraag die mij hier even bezighoudt – even, niet te lang – is de vraag naar moed of lafheid bij de man. Bij de man, ja, omdat ik een man ben. Niet dat het direct om de vraag naar mijn persoonlijke moed of lafheid gaat, hoewel die wel door mijn hoofd speelt.

Kijk, eerst was er die film, ‘Turist’, alweer een paar jaar geleden, van dat Zweedse gezin dat ergens in de Franse Alpen een wintersportvakantie houdt. Man, vrouw, twee jonge kinderen.

Ze zitten op het terras van hun hotel als vanuit de verte een sneeuwlawine komt aangerold, recht op het hotel af. De man grist zijn telefoon van tafel en sprint, in paniek, als eerste weg, vrouw en kinderen achterlatend.

Van de lawine legt zich alleen wat stuifsneeuw over het terras, hij was nimmer levensbedreigend, maar in het leven van de man en de vrouw is in een oogwenk iets fundamenteels veranderd.

Was de man laf geweest? Had hij in dat moment van de waarheid uitsluitend aan zichzelf (en zijn telefoon!) gedacht? Aanvankelijk ontkent hij, maar de film gaat natuurlijk over die innerlijke worsteling.

Mij confronteerde hij destijds (de film is uit 2014) met de vraag hoe ikzelf zou hebben gehandeld, en die confrontatie is vermoedelijk door de maker zo beoogd. Als de nood aan de man is (‘aan de man’) hoe moedig zijn wij dan, of hoe zelfzuchtig en laf?

Ik hield een ongemakkelijk gevoel over aan de film, maar intussen was hij, de film, geheel en al weggezakt, totdat ik deze week een van de korte verhalen las van Joseph O’Neill uit de recente bundel ‘Good Trouble’.

‘The Poltroon Husband’ heet het verhaal, wat zoveel betekent als ‘de lafhartige echtgenoot’. Wat gebeurt er in deze vertelling? Niet veel, zo lijkt het.

Een man en een vrouw bewonen een modern vrijstaand huis van twee verdiepingen met geschakelde, doorlopende kamers. Het is omringd door een bosperceel.

’s Nachts hoort ze een geluid. Ze wekt haar man. Beiden luisteren ze. Ze horen een bons, ergens beneden in een van die kamers, alsof iemand tegen een bank loopt. En daarna nog eentje, wat minder luid. “Wat was dat”, fluistert de vrouw. “Misschien een dier”, zegt de man. Ze kunnen het niet goed lokaliseren. En dan is er ineens een luider geluid dat lijkt op een kuch.

“Misschien moet ik even gaan kijken”, zegt de man. Zij houdt hem niet tegen. Maar hij blijft liggen en luistert. Ze horen niks meer, op wat ver gebrom en gezoem na van apparaten in huis.

“Het was niks”, zegt hij, maar zij zegt: “Laten we 112 bellen”. Hij zegt dat de telefoons beneden aan de laders liggen. “Moeten we niet gaan kijken”, zegt zij. Ze bedoelt: moet jíj niet gaan kijken. Ze vindt het niet veilig.

Maar hij blijft liggen. Hij bevriest. Kan alleen voor zich uitstaren. Dan staat zij op. En gaat naar beneden. Hij luistert, hoort gestommel. En dan een stem, de hare? Of twee stemmen?

Als hij uiteindelijk naar beneden gaat treft hij haar aan aan de keukentafel, met een glas melk. Ze zegt niets. Hij vraagt niets. Ze gaan weer naar bed.

Het verhaal is veel gelaagder nog dan ik hier weergeef, maar het opgeroepen ongemak is hetzelfde als na het zien van ‘Turist’. Soms ook hoor ik in de nacht geluiden die ik niet kan plaatsen. En wek haar niet.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Lees meer afleveringen van zijn Klein Verslag op trouw.nl/kleinverslag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden