Als de maffia losgaat in een rustig Italiaans provinciestadje

Giuseppe T. (linksonder) en zijn maffiabende, bestaande uit Albanezen en Italianen.

In Viterbo, een rustig stadje in de lieflijke heuvels van midden-Italië, was georganiseerde misdaad ver weg. Totdat een Calabrees uit een beruchte ’ndrangheta-familie er begon huis te houden.

In de nacht van 24 op 25 september 2017 ligt Fabiola Bacianini samen met haar man en dochtertje in haar appartement te ­slapen als ze door lawaai buiten wordt gewekt. Haar Lancia, die ze voor de deur heeft geparkeerd, staat in brand. De brandweer vermoedt dat er sprake is van een ­ongeluk; vast een gevalletje kortsluiting. Bacianini denkt er verder niet veel over na en ze leent de Citroën van haar zwager.

Als die tien dagen later ook midden in de nacht in de fik vliegt, beseft ze dat er iets mis is. De carabinieri, agenten van het militaire politiekorps, vragen haar of ze soms is bedreigd. Dat is niet zo.

“Ik snapte er niks van. Wilde iemand iets van me?”, vertelt Bacianini, een beheerste vrouw van vijftig met een vriendelijk gezicht, omgeven door lange zwarte krullen. In haar donsjas zit ze weggedoken in een café in een zielloze buitenwijk van Viterbo. “Waarom wilde iemand iets van mij, een gewone vrouw met een normaal leven?”

Dat leven, waarnaar Bacianini nu terugverlangt, ziet er zo uit: ’s ochtends brengt ze haar dochtertje naar school en dan rijdt ze door naar haar werk. Ze heeft een winkel in de Via Genova, in een klein winkelcentrum aan een drukke doorgaande weg. Het is het soort zaakje dat in Italië een compro oro heet: ‘Ik koop goud’. Ze handelt er in tweedehands gouden ringen, zilveren armbanden en diamanten oorbellen. De zaken gaan best goed en Bacianini is tevreden.

Fabiola BacianiniBeeld Pauline Valkenet

De tevredenheid slaat om in groot onbehagen als ze, tien dagen na het uitbranden van de Citroën, haar winkel vernield aantreft: de ruit is ingeslagen en er staan twee kaarsen voor van het type dat Italianen bij een graf zetten. Als Bacianini drie weken later ’s ochtends vroeg door de carabinieri wordt verzocht om naar de kazerne te komen, hebben ze ijzingwekkend nieuws voor haar: die nacht zijn twee afge­hakte koppen van lammeren aan haar winkel opgehangen. Bacianini kent zulke maffiamethoden alleen uit films; nu wordt zij, in dit kalme stadje in midden-Italië, op zo’n angstaan­jagende manier geïntimideerd.

“De carabinieri lieten me alleen een glimp van een foto opvangen. Ze wisten natuurlijk dat ik enorm van streek zou raken, als ik die scène goed zou zien”, zegt Bacianini. “Twee koppen, dat interpreteerde ik als een bedreiging van mij en mijn dochtertje van zeven. Vanaf die dag zat er een knoop in mijn maag. Ik vertrouwde niemand meer. Ik sliep slecht. Mijn smartphone werd een obsessie: ’s nachts keek ik een paar keer of de carabinieri me niet hadden gebeld. Ik kreeg last van paniekaan­vallen. En op straat hield ik constant de hand van mijn dochtertje vast.”

Buongiorno Napoli

Viterbo, tachtig kilometer ten noorden van Rome, is een universiteitsstadje waar doorgaans weinig gebeurt. Toeristen komen op het sfeervolle middeleeuwse centrum af, omringd door een hoge, antieke muur, waar in de dertiende eeuw pausen zetelden. Daar omheen liggen de buitenwijken, waar het merendeel van de bijna zeventigduizend inwoners hun leven leidt. Die wijken zijn, zoals vaak in Italiaanse steden, spuuglelijk: lage flats zijn schots en scheef neergezet en aan elkaar geregen met asfaltwegen vol scheuren en gaten.

Die wijken lopen uit in zacht glooiende heuvels waarop schapen tussen olijfbomen grazen. Iets verderop ligt het diepblauwe Meer van Bolsena. In een van de afzichtelijke buitenwijken ligt restaurant Buongiorno Napoli. De roezemoezende klanten zitten er op rode en oranje stoelen onder rode en oranje lampen. Serveersters in het zwart zetten de borden en glazen wijn op zwarte tafels.

Het winkelpand waarin voorheen de winkelzaak van Fabiola Bacianini zat.Beeld Pauline Valkenet

Voordat hij aan zijn nachtelijke strafexpedities begint, eet de man die Fabiola Bacianini de stuipen op het lijf jaagt hier vaak spaghetti of een pizza. Giuseppe T., een veertiger, is altijd keurig gekleed en heeft een verzorgd baardje. Hij valt niet op. Sinds hij in 2005 in Viterbo kwam wonen, heeft hij er drie compro-orowinkels geopend en draait hij een omzet van zo’n twee miljoen euro. Maar in 2016, als zijn stadsgenoten, uitgeperst door de lange economische crisis, zo’n beetje al hun juwelen lijken te hebben verpatst, halveren zijn inkomsten. En dan komt de gewelddadige maffioos in hem boven: T. is geboren in het zuidelijke gewest Calabrië, in een familie die tot de beruchte ’ndrangheta behoort. Die maffia-organisatie bestaat uit honderden families en wordt door justitie in Italië bestempeld als de gevaarlijkste, machtigste en grootste van het land. Wat doet een telg uit een ’ndrangheta-familie als hij, waar in Italië hij zich ook vestigt, iets van anderen gedaan wil krijgen? Hij grijpt naar maffiose methodes. “Dat zit in zijn DNA”, weet luitenant-kolonel Guglielmo Trombetta van de carabinieri van Viterbo.

Giuseppe T. wil zijn zes concurrenten dwingen hun winkels te sluiten, zodat zijn omzet weer zal stijgen. Hij verzamelt een groepje van twaalf Albanezen en Italianen om zich heen en begint het nietsvermoedende stadje te terroriseren. Eerst rijdt hij bijna dagelijks in zijn zwarte Audi langzaam langs de winkels van zijn concurrenten, draait het raampje omlaag en staart zonder iets te zeggen naar binnen. Daarna gaat hij met zijn hand­langers over tot het zwaardere werk. Laat in de avond eerst pasta bij Buongiorno Napoli, dan op pad.

Luiers

Met bivakmutsen op zetten de leden van deze minimaffia, zoals het Openbaar Ministerie de bende later zal noemen, in maart 2017 de auto van concurrent nummer één in brand. Later die maand sturen ze een kogelbrief naar een belastingconsulent, die voor de concurrentie werkt. Op 1 april steken ze de Smart van concurrent nummer twee in de fik, de week erop de auto van concurrent nummer drie. Twee weken later doen ze in Capodimonte, aan het Meer van Bolsena, hetzelfde met de BMW van nog een andere compro-oro-eigenaar uit Viterbo. Ze beschieten ’s nachts een winkel in de stad.

In juni breken ze de auto van de vriendin van concurrent nummer één open en laten er een bebloede lamskop achter. De carabinieri van Viterbo luisteren de telefoongesprekken van T. in zijn auto inmiddels af en ze horen hem vertellen dat hij precies weet wat het effect van die beestekoppen is: “Als wij langs zijn geweest, moeten ze luiers dragen.”

Er volgen nog meer afgebrande auto’s, meer kogelbrieven, varkenskoppen. In september is Fabiola Bacianini aan de beurt. Als zij niet onmiddellijk haar winkel sluit, gaat een razende T. in zijn auto tekeer: “Dat klotewijf, ik breek haar benen. Ik sla die kuthoer dood met mijn vuisten. Ze moet zonder werk komen te zitten!” Later, begin 2018: “Ze is nog steeds open, dat teringwijf, ze wil niet sterven. Ik maak haar dood!”

Niet alleen concurrenten van T. zijn slachtoffer van deze importmaffia. Ook de auto van de directeur van het postkantoor gaat in vlammen op als hij een rekening van T. sluit vanwege verdachte transacties. Een van de bendeleden heeft een verhuisbedrijf en dus gaat de verhuiswagen van een concurrent in vlammen op. Een ander bendelid heeft een discotheek en dus krijgen de eigenaren van een andere discotheek te maken met intimidaties en bedreigingen.

Geen lire

Piero Camilli, een bekende en grote ondernemer uit de streek, wordt ook door T.  en zijn bendeleden bedreigd. Camilli is een grote, robuuste man van bijna zeventig met waterige blauwe ogen. Bij het Meer van Bolsena heeft hij slachthuizen en in Viterbo bezit hij de Serie B-voetbalclub. Al roerend in een plastic bekertje koffie vertelt Camilli in zijn kantoor hoe T. met twee mannen bij hem langskwam en hem probeerde af te persen. Daarbij vertelde de Calabrees over ‘de zware jongens in het zuiden’ die hij kent. Camilli: “In mijn lange loopbaan als zakenman had ik nog nooit zoiets meegemaakt. Dit was altijd een schone streek. Ik zei tegen hem dat-ie geen lire van me zou krijgen. Na vijf minuten stonden ze weer buiten.”

Piero CamilliBeeld Pauline Valkenet

Later weten de carabinieri te verhinderen dat de minimaffia varkenskoppen voor de villa van Camilli neerzet, en horen ze dat de maffiosi overwegen een zoon van de ondernemer te ontvoeren. Zover is het niet gekomen. “T. maakte mij niet bang”, zegt Camilli. Toch gedraagt hij zich sinds die poging tot afpersing anders. “Ik kijk vaker over mijn schouder. En op mijn nachtkastje ligt nu een geladen pistool.”

Fabiola Bacianini is wél bang gemaakt. In maart 2018, nadat de maffiabende heeft ge­probeerd om haar winkel in brand te steken, zwicht ze voor de Calabrees en sluit haar zaak. “Ik denk dat als ik mijn winkel open had gehouden, ze me in elkaar hadden geslagen of een molotovcocktail naar binnen hadden gegooid. Het sluiten van mijn winkel was natuurlijk een nederlaag, het was mijn inkomen.” Een andere concurrent volgt haar voorbeeld, vier anderen zijn zo bang en geïntimideerd, dat T. hen kan opleggen welke prijzen ze hanteren. Zij doen geen aangifte en houden hun mond; ook in Viterbo weet de maffia omerta af te dwingen.

In januari worden de elf mannen en twee vrouwen van de minimaffia gearresteerd; ze zijn kort nieuws in kranten en in journaals, zoals in Nederland terloops wordt bericht over een illegale hennepplantage. Giuseppe T. zit nu in een gevangenis met een streng regime op Sardinië. Fabiola Bacianini is zich aan het herpakken, vertelt ze, ze is bezig een nieuwe compro-orowinkel te openen. Ze is achterdochtig geworden, constateert ze.

Palmgrens

In de blauw-wit geblokte kazerne van de carabinieri vertelt luitenant-kolonel Guglielmo Trombetta dat hij in dit stadje nog niet eerder op deze schaal met maffiosi te maken heeft gehad. “Drie jaar geleden bleken twee voortvluchtige leden van de Napolitaanse camorra zich hier schuil te houden als bloemist. En in 2013 waren twee broers uit Calabrië hier geld voor de ’ndrangheta aan het witwassen. Dat was het wel.” Trombetta kijkt er niet van op dat ook in Viterbo maffia opduikt. Dat gebeurt overal in Italië, ook al zijn duizenden mensen bij justitie en politie dag in, dag uit bezig om deze georganiseerde misdaad uit te roeien.

De militair googelt een citaat van de Siciliaanse schrijver Leonardo Sciascia, uit 1978, en leest hardop voor: ‘Misschien is heel Italië wel Sicilië aan het worden. Terwijl ik lees over de schandalen van dat regionale bestuur heb ik een fantasie: wetenschappers zeggen dat de palmgrens, het klimaat dus dat geschikt is voor palmbomen, naar het noorden opschuift, ik meen elk jaar met vijfhonderd meter ... de palmgrens ... maar ik zeg: de grens van sterke koffie .... en die stijgt als het kwik in een thermometer, die grens van de palmen, die van de sterke koffie, van de schandalen, steeds verder naar het noorden, en is Rome al voorbij.’

Lees ook:

Maffianetwerk ’ndrangheta is opgezet als een familiebedrijf - en daar heeft justitie last van

De Italiaanse maffia heeft haar eigen ontstaansmythe. Die gaat terug op drie Catalaanse, adellijke broers uit de zeventiende eeuw, Osso, Mastrosso en Carcagnosso.

De ‘vergiftigende maffia’ kreeg een flinke klap

Wat begon met een onderzoek naar witwassen bij twee Italiaanse restaurants in Limburg, resulteerde woensdag in de aanhouding van negentig leden van de Italiaanse maffia in verschillende landen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden