Als de huid lijdt, lijdt de ziel

Th. van Joost en J. J. E. van Everdingen: Omtrent de huid. Cultuurhistorische verkenningen; Boom/Belvedère, Amsterdam; 300 blz. - ¿ 55,00.

HANS VAN DER PLOEG

Nee, vervelen hoef je je als lezer allerminst met de pas verschenen essaybundel, 'Omtrent de huid'. Geen schimmel, mummie, porie, vingerafdruk, Pamela Anderson-syndroom, Lyme- of tekenbeetziekte blijft je bespaard. Onder de huidkundige redactie van Theo van Joost en Jannes van Everdingen trakteert een dubbel dozijn auteurs de lezer ruimhartig op niet minder dan 26 lichtvoetige cultuurhistorische verkenningen op dit even delicate als sensuele terrein. De door het boek verspreide platen met onder meer kunst en rimpelige oude mannetjes maken het bovendien tot een lust voor het oog.

Dat de naakte menselijke huid in de dierenwereld iets unieks is, behoeft geen betoog. Tijdens de evolutie ontdaan van haar vacht, wil zij trouwens meer zijn dan een zichtbaar omhulsel dat tegen de buitenwereld beschermt. De huid heeft haar eigen taal, betekenis en geschiedenis. Nu kan men de betekenis van de huid bekijken in het licht van het ontstaan van de mens, maar ook met het oog van natuur en cultuur, religie, kunst en wetenschap, en helemaal met de gevoelsblik van de ziel. Want elk mens beleeft zijn huid van binnenuit, al naar gelang zijn verbeeldingskracht.

Als een weerhuis weerspiegelt de huid je gevoel en je stemming. Aan de huid is te lezen of men zich belabberd voelt of onnoemelijk veel verdriet te lijden heeft. Zo zal een depressief iemand klagen over een vale of droge huid. Een angstig persoon heeft een spierwitte huid. Ben je erg gespannen dan voelt je huid klam aan en ziet er soms grauw uit. Bij inwendige ziekten zegt de huid soms wat er van binnen fout is, zoals geelzucht bij kanker.

Omgevingsinvloeden van de natuur en cultuur laten eveneens hun sporen na op de huid. Door de menselijke huid met inkervingen te bewerken draagt men in bepaalde culturen een boodschap uit. De drager van scarificaties in het gezicht of tatoeages op de arm wil daarmee iets zeggen. Net als bij kunst. Bij sommige natuurvolkeren zijn de aangebrachte tekens ernstig bedoeld, ze vormen het archief van leven en dood.

Zonder al die krassen en sneden biedt de menselijke huid al herkenning genoeg. In de pure, ongeschonden vorm draagt zij immers haar eigen tekens, die hoogst persoonlijk en uniek zijn met haar lijnen en bogen, de zogenoemde dermatoglyfen. Op die manier blijkt de individuele huid van een mens zo specifiek te zijn, dat zij tot teken van de waarheid kan worden, als aanklager of, veel gunstiger, als advocaat.

Als voorbeeld van de aanpak in dit boek, noem ik wat plastisch chirurg Klaas Marck ontvouwt over de geschiedenis van de vingerafdruk. Toen die in 1897 voor het eerst in de forensische wetenschap werd toegepast, had dit 'spoor van de hand' er al een hele geschiedenis op zitten. De duimafdruk van een ex-gedetineerde bleek identiek te zijn aan de afdruk die in de nabijheid van het slachtoffer werd gevonden. Niettemin durfde de rechter de man hierop niet te veroordelen. De man werd schuldig bevonden aan de roof, maar niet aan de moord die hij daarvoor zou hebben gepleegd.

Opmerkelijk genoeg plachten de schrijvers van kleitabletten in Babylonië hun tekst af te sluiten met een vingerafdruk. In China blijkt de vingerafdruk al vele eeuwen te worden gebruikt bij de bezegeling van transacties, maar of men zich bewust was van de uniciteit van de afdruk weten we niet precies. Ook de anatomen die als eersten afbeeldingen maakten van de papillairlijnen, zoals Govard Bidloo in 1685, hebben dit waarschijnlijk niet bevroed, evenmin als Purkinje, die in 1823 voor het eerst een systematische indeling maakte van vingerafdrukpatronen.

Pas in 1880 opperde Henry Faulds in een artikel in 'Nature' voor het eerst de mogelijkheid een mens te identificeren aan de hand van zijn vingerafdruk. Prompt schreef een zekere W. J. Herschel een ingezonden brief, waarin hij beweerde dat hij de methode al vele jaren in India gebruikte, niet zozeer voor het opsporen van misdadigers, alswel voor het vastleggen van de identiteit van de bevolking. Daarna raakte het onderzoek in een stroomversnelling. Precies een eeuw geleden werd het nog steeds in gebruik zijnde classificatie- en opbergsysteem van Galton-Henry ingevoerd.

Al snel ging de belangstelling niet langer uit naar de vingerafdrukken van alle burgers, maar veeleer van landlopers, inbrekers en moordenaars. Vanaf het begin van deze eeuw begonnen overal ter wereld recherches zich te bekwamen in het onderdeel van de dermatoglyfica dat zich richt op de identificatie van individuen: de dactyloscopie.

Dat de dactyloscopische diensten spectaculaire resultaten boekten met hun speurwerk blijkt uit de populariteit die de vingerafdruk de eerste helft van deze eeuw onder het publiek genoot. Volgens Marck heeft het boek 'Pudd'n head Wilson' van Mark Twain daar veel toe bijgedragen. Daarin geeft de nogal beklagenswaardige hoofdpersoon een fantastische wending aan een rechtszaak via een uiterst ingenieus 'dactyloscopisch' plot:

Een klein stadje in het zuiden van de Verenigde Staten wordt op een slechte dag opgeschrikt door de laffe moord op de rechter Driscoll. De twee hoofdverdachten zijn een rondreizende Italiaanse tweeling van adellijke bloede, omdat het moordwapen, een fraai bewerkte dolk, hun eigendom is. De wat suffe advocaat Wilson heeft al enige decennia nauwelijks werk. Als tijdverdrijf heeft hij een collectie vingerafdrukken aangelegd van bijna al zijn stadsgenoten. Tijdens de rechtszitting weet hij niet alleen de onschuld van de Italiaanse graven aan te tonen, maar laat hij tevens zien wiens vingerafdrukken wel op de dolk zijn terug te vinden: die van de zoon van de grootgrondbezitter.

Met grote zwier schrijven Van Everdingen en de neerlandicus Frans Meulenberg in 'De Gulden Snede' over schoonheid. Terwijl Petrarca de mimiek 'de aria van het gezicht' noemde, meende Sartre dat de mens existeert middels zijn gelaat. Merkwaardig is dat na de bekende verhalen over de noodlottige schoonheden Helena en Narcissus ineens wordt overgestapt op de schoonheid van Winnie Sorgdrager, onder het kopje jurisprudent, met de vraag wat er eerder was: haar schoonheid of macht. Wat leuk. Doordat de auteurs er haar niet minder machtige tegenspeler Doctors van Leeuwen bij halen, dwalen je gedachten ongemerkt af naar 'Antonius en Cleopatra', Shakespeares tragedie over deze noodlottige liefde in de herfst.

Een tikje te popi klinkt het hoofdstuk over de zintuigen dat opgeluisterd wordt door 'De hoer met cyclamen' van Herman Gordijn, met als onderschrift: “De huid speelt een rol bij het aantrekken en afstoten van soortgenoten en niet genode gasten”. De tastzin blijkt het eerste zintuig waarmee de mens zijn omgeving verkent. De reuk is ouder dan de tast, voor de ontwikkeling van de tast was er eerst een behoorlijke hoeveelheid hersen- en zenuwweefsel nodig. Bij neus en geur is hilariteit nooit ver weg: “Geuren ontglijden de spelonken van de huid om een ander kond te doen van hun boodschap.”

Niets is droeviger dan ouder worden. Sinds de mens zich bewust is van zijn vergankelijkheid, heeft hij ernaar gestreefd de vreugde van de jeugd vast te houden, lezen we in 'Het slijtend kleed', het aardigste hoofdstuk van dit boek. Cleopatra baadde zich in ezelinnenmelk om jong te blijven. Kwade tongen beweerden zelfs dat zij zich baadde in het bloed van jonge maagden. Dat neemt niet weg dat de ene mens sneller veroudert dan de andere. De één is op zijn vijfendertigste al grijs, terwijl een ander dat op zijn zeventigste nog niet is. Een troost is dat de uitwendige veroudering niets zegt over de toestand van inwendige organen.

Huidafwijkingen en huidziekten trekken een zware wissel op iemands lichamelijk en geestelijk welbevinden. Of je er depressief van kunt raken en of dat het mensen tot zelfmoord drijft, las ik nergens. Da's jammer. Iets meer psychiatrisch licht op de huid zou naar mijn smaak geen kwaad hebben gekund. De parasietenwaan wordt beeldend beschreven, maar hoe het komt dat borderline-patiënten zichzelf snijden wordt wel erg summier en eenzijdig afgedaan. Toch mogen we niet mopperen, ook niet over het feit dat sommige auteurs abrupt ophouden. En nog minder over het gegeven dat Sinatra's zwoelklinkende en met dikke rokerige stem omlijste song 'I've got you under my skin' wordt gemist. Die evergreen zing je er zelf gewoon bij.

De 'cri de coeur' van Midas Dekkers is voortreffelijk, maar of die veel met de huid te maken heeft? Eindelijk eens iemand die hardop durft te zeggen wat we allemaal wel eens hebben gedacht. Elke Jan Doedel zit maar met een interessant gezicht achter zo'n lullig schermpje te tikken of zijn leven ervan afhangt. “Eeuwenlang was andermans huid niet iets om in te willen kruipen, maar om mededelingen op te doen”, betoogt Dekkers apodictisch. “Schrijven deed je op perkament. Een mooie tijd was dat, want perkament is duur. Je dacht wel tien keer na voor je iets opschreef. Het oeverloze braaksel van tekstverwerkers bestond nog niet, laat staan dat mensen hun kleding zo vol merknamen, nooit bezochte universiteiten en andere zinloze mededelingen lieten zetten, zodat je na het lezen van je medemensen in de trein nauwelijks nog aan je krant toekomt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden