'Als de akoestiek niet goed is, ga ik verbouwen'

Soms is de bijrol belangrijker dan de hoofdrol, soms zit een hoofdrol er niet in, en vaak blijven belangrijke bijdragen voor het grote publiek 'buiten beeld'. Bijrollen dus, in soorten en maten. Vandaag Dolf Planteijdt, geluidsman.

PETER SIERKSMA

Wie zich de denderende en snerpende experimentele herrie van The Ex kan herinneren of het steunende en ijsbrekende geluid van De Kift in hun laatste project 'Gaaphonger' (thema: de overwintering op Nova Zembla), snapt meteen dat voor Planteijdt muziek niet ophoudt bij een gangbaar instrument. In de hal van zijn bovenwoning in De Pijp in Amsterdam heeft hij bijvoorbeeld een kniehoog apparaat staan, waarmee je kurken op flessen zet. Duw je de handel van de kurk-pers naar beneden, dan hoor je een krakend geluid. Hij doet het voor en zegt: 'Klinkt goed hè?' En jawel, voor wie niet weet wat Willem Barentsz ooit gehoord heeft, zou het ding grote uitkomst kunnen bieden.

Het kraken van het ijs, het draaien aan een lier, spuwen, tromgeroffel en gerochel, het trappen op een harmonium en het hijgen van de inspanning daarbij, schuurpapier en nog meer van die bizarre geluiden; bij de jongste optredens van De Kift, zal iedere luisteraar al die geluiden zo 'naturel' mogelijk horen. Het is ook het woord dat bij Planteijdt (44) het meest terugkomt.

Planteijdt: “Bij De Kift móet het geluid 'naturel' klinken, al was het maar omdat de muziek en de vaak half gezongen, half gesproken tekst zeer nauw op elkaar aansluiten.”

In de zaal zorgt hij bij 'Gaaphonger' dan ook voor een 'kil' geluid, dat past bij de barre omstandigheden van het optreden. “Er zit slechts één warm nummer in en dat is een soort dodenmars aan het eind. Dan haal ik voor het eerst wat hoog van de trombone af. Verder klinkt het allemaal heel schel. Het snijdt als de poolwind.”

Planteijdt: “Ik ben niet iemand die het geluid softer maakt dan het is. Ik voeg er nooit veel aan toe. Probeer het zo kaal mogelijk af te stellen. Het gaat bij 'Gaaphonger' vooral om de tekst. . . die wordt op een slimme manier door de muziek ondersteund en versterkt. . . Die verhouding muziek-tekst is bijvoorbeeld een andere dan bij Toon Hermans. Daar is de muziek zo weinig verrassend dat je automatisch alleen naar hem luistert. Maar bij De Kift hoor je ondertussen juist de gekste dingen. Alleen ze zijn (ook qua volume) zo ingepast, dat je àlles registreert. . . dat is tenminste de bedoeling. . . Als ik de blazerssectie bijvoorbeeld zo zou laten klinken als bij Duke Ellington, dan zou dat niet passen. Dat zou te 'rond' zijn. Hier moet alles kraken, het harmonium, de bijgeluiden, je moet alles gewoon horen. Hoe ik dat doe? Door het er niet uit te halen. Door ze niet te laten overwoekeren door andere geluiden. Door te veel galm bijvoorbeeld, waardoor het allemaal één brij wordt.”

Zijn liefde voor geluid en voor (experimentele pop-)muziek is niet van gisteren. Aan het eind van de jaren zeventig had Planteijdt al een geïmproviseerde studio even buiten het IJ in Zeeburg, waar hij eigen, instrumentale nummers maakte en luisterde naar Robert Fripp (van King Crimson), vrije jazz en een groep als The Band. Het was de tijd van de opkomst van Drukwerk (waar Dolf ook zelf nog een blauwe maandag in speelde), van 'Van Agt Casanova' ('en zijn bekkie gaat van kwek-kwek-kwek-kwek'), 'Geen Kroning zonder woning' en de opkomst van de punk, waar Planteijdt via de kraakbeweging mee in contact kwam. Later verhuisde hij naar een oude, gekraakte, veldwachterswoning iets verder richting Ransdorp, waar veel punkbandjes hun plaatjes kwamen opnemen, The Ex voorop. Als geluidsman van The Ex kwam hij vervolgens halverwege de jaren tachtig in het Emma Pakhuis aan de Van Diemenstraat terecht, waar The Ex een thuisbasis vond.

Zelf speelde Planteijdt ondertussen regelmatig gitaar bij zeer uiteenlopende bandjes, zoals de Tresspassers W, Morzelprunk en het gezien de bezetting achteraf 'legendarische' Pandorra Ensemble, waarin behalve Dolf ook broer Wouter (later bekend van Sjako!) zat, Gert-Jan Blom (nu leider van The Izzies en het Boulevard of Broken Dreams-orkest) bas speelde en Wilfred Snellens (nu onder meer bekend van Sesamstraat) drumde.

Op de vraag of hij niet liever op het podium staat dan ervoor, haalt Planteijdt de schouders op: “Als ik niks te doen heb, dan mis ik het podium wel. Maar sta ik in de zaal achter de P.A. (Engelse afkorting van Public Address en een synoniem van een geluidsinstallatie van een groep of zaal, red.) dan voel ik mij ook prima. Ik vind het niet zo erg om in de schaduw te staan. Ik heb altijd zeer bewust in de marge van de popmuziek gewerkt.” Lachend: “Een soort bij-rock 'n roll dus.”

Terug naar de zaal en een 'lekker' geluid. Planteijdt heeft er een theorie over en handelt daar ook naar: “Ik vat de taak van een geluidsman heel breed op. Als mensen met mij in zee gaan, dan moeten ze weten dat ik niet alleen maar aan de knoppen ga zitten. Ik kom een zaal binnen en kijk eerst hoe die in mekaar steekt. En als de akoestiek niet goed is, moet er verbouwd worden. Heb je bijvoorbeeld alleen maar stenen muren, zoals in het Oostblok vaak het geval was, dan spijker je wat oude gordijnen en kleden op de wand. Doe je dat niet dan resoneert het geluid te veel en gaat het snel galmen. Het gevolg: de bandleden horen niet meer wat ze aan het doen zijn, zetten hun versterker harder om zichzelf wel te kunnen horen, het geluid gaat rondzingen en het eind is zoek.”

“In het Emma Pakhuis daarentegen was het (houten) podium helemaal kaal. Er was een houten vloer, het plafond was van steen en in de zaal hadden we stro-cementplaten aangebracht. Het gevolg was dat de band zichzelf goed hoorde en lekker 'nat' stond te spelen, terwijl het geluid in de zaal goed werd geabsorbeerd en een beetje hoog werd teruggekaatst. Dat gaf een mooi, definieerbaar geluid.”

Niet minder belangrijk voor het geluid, is het aantal mensen in de zaal. Planteijdt: “Je kunt uitrekenen dat je aan volume ongeveer 2000 watt per 100 man nodig hebt. Een beetje overmaat is altijd goed. Vaak zie je dat wanneer een zaal of een band een te kleine installatie heeft, er problemen ontstaan. Dan zet men de volumeknoppen helemaal open en krijg je een slecht, vervormd geluid. De Kift speelt niet zo op 'power', zij moet altijd akoestisch blijven klinken en dat betekent dat ik genoeg geluidscapaciteit moet hebben. Want elk spoortje in het rood maakt het geluid 'elektrisch'.”

De invloed van 'mensenvlees', zoals Planteijdt het noemt, is zo essentieel dat het eigenlijk niet eens zin heeft om voor een optreden in een lege galmende zaal een 'sound-check' te doen: “Je doet het omdat je even moet kijken of alles werkt, maar verder is het zinloos. Mensen absorberen vooral de hoge en middentonen. Zijn er veel mensen in de zaal, dan wordt het geluid dus bassiger. Veel geluidsmensen maken daar de fout. Ik haal vaak de bas een beetje weg en zet verder wat meer 'hoog' bij. Dan krijg je een wat feller geluid.”

Hoewel bij in de meeste zalen het geluid eerder te hard dan te zacht staat, was het beste geluid dat hij hoorde juist oorverdovend hard. Het ging om een concert van PIL (Public Image Limited, met Johnny Rotten, red.) in Paradiso. “Die lui speelden alle galm die er in die zaal zit, helemaal weg. Geweldig. Het klonk kurkdroog. Alle galm werd opgevangen door een P.A. die ongeveer vijf maal zo veel vermogen had, dan er normaal in Paradiso staat. Het geluid kam overal vandaan. Een muur van speakers, een echte wall of sound, waardoor het geluid van de zaal geheel naar eigen hand werd gezet. Ja, dat was wat.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden