Interview

Als bron van kennis en vernieuwing hadden universiteiten vroeger meer gewicht dan nu

René Boomkens. Beeld Maartje Geels

De hervormingen na de jaren zestig schoten door, jawel. Toch is een nieuwe universitaire revolte tegen de neoliberale verschraling nodig, meent cultuurfilosoof René Boomkens.

In het roemruchte jaar 1968, toen in Parijs het studentenoproer losbarstte, zat hij nog op de middelbare school in Boxmeer. Maar hij bezette al driftig mee, vechtend voor een onafhankelijke schoolkrant en betere koffie. De kritische (kritiese) universiteit die toen werd gebouwd zag hij al snel te gronde gaan door het neoliberalisme en verworden tot het wetenschappelijk bedrijf van nu waarin metingen van productiviteit en prestatie, indexen en ranglijsten, wel en wee bepalen. Het maakte hem boos, hij schreef er een aanklacht tegen, en het veranderde niet. Nog niet, zegt cultuurfilosoof René Boomkens: “We zijn in actie.”

Ook een 14-jarige schooljongen in Boxmeer voelde in 1968 dat er iets ging veranderen?

“Absoluut. Er gebeurde van alles: andere kleding, Britse popmuziek, we gingen een beetje blowen. Het gebeurde niet alleen aan de universiteiten, maar was veel breder. Sterker: het oproer is in Nederland niet aan de universiteiten begonnen, maar op de kweekschool (de huidige pabo). Het gezag dat er altijd was geweest, was ineens niet meer vanzelfsprekend. Ook bij ons op school niet; er kwam een medezeggenschapsraad, we maakten een schoolkrant met een onafhankelijke redactie. En op de rooms-katholieke school waar ik zat kwam er zelfs een eind aan het ochtendgebed.”

Die schooljongen ging vier jaar later naar Amsterdam om aan de UvA te studeren. Waarom de UvA?

“Ik wilde theologie studeren. Ik ben niet gelovig opgevoed maar religie boeide me. Dat kwam door een bijzondere ervaring. Op onze rk-school kwam er na die eindeloze stoet van paters ook eens een dominee als godsdienstleraar. Dat was een omslag. Die organiseerde vredesweken! Ik raakte betrokken en geïnteresseerd. Die dominee kwam van de UvA. Vandaar. Maar eenmaal in Amsterdam ben ik wel snel overgestapt, van theologie naar filosofie. Niet dat theologiestudenten buitenbeentjes waren. Integendeel. Tegen de verhoging van het collegegeld demonstreerden ze net zo hard mee. ‘Ook God is tegen de 1000 gulden!’ stond er op hun spandoek. Daar is wel wat gedonder over gekomen.”

En hoe was de universiteit toen?

“Een klassieke universiteit, waar de hoogleraren de baas waren. Nog niet zo lang daarvoor was het regel dat de studievereniging sigaren kocht voor de hoogleraren als er een feestje was. Hoogleraren hadden enorme status. Dus een klassieke academische instelling. En zonder bureaucratie! Het kon gebeuren dat je naar Vinkeveen moest om bij de prof thuis examen te doen, en dat zijn vrouw dan opendeed en even later thee kwam brengen.

“Het studentenoproer dat op gang kwam was heftig. De hoogleraren voelden dat, en ze verzetten zich er ook niet tegen. De nieuwe situatie werd heel snel geaccepteerd. Verbazingwekkend snel. De democratisering nam absurde vormen aan; op sommige faculteiten gold ‘one man one vote’ voor de gekste besluiten. Maar de verandering was positief. We wilden zeggenschap over ons onderwijs, niet om het af te breken maar om het inhoud te geven. We organiseerden onze eigen colleges, maar wel in overleg met de hoogleraar. Studenten waren enorm betrokken bij hun onderwijs.”

Daar werd de kritische universiteit geboren.

“Ja. De universiteit, het onderwijs en het onderzoek moesten in dienst staan van de sociale emancipatie, in eigen huis en in de samenleving. Kennis moest eerlijk worden gedeeld, wetenschap moest maatschappelijk relevant zijn. De universiteit keerde eigenlijk terug naar de oude idealen van de Verlichting: verheffing en emancipatie door kennis. Maar die kritische universiteit heeft een heel korte geschiedenis gekregen, die nog geen vijftien jaar heeft geduurd. Begin jaren tachtig begon het al in te zakken. Onder druk van het profijtbeginsel dat toen zijn intrede deed, werd ‘maatschappelijk relevant’ verengd tot ‘rendabel’. Wetenschap moest economische winst opleveren.

“Twente ging zich ‘de ondernemende universiteit’ noemen. Daar werd toen lacherig over gedaan. Maar het was geen uitvinding van Twente, het was de uitdrukking van een verandering in het maatschappelijk denken. Alle universiteiten werd ondernemend. Ze zeiden het niet hardop, maar ze werden het wel. Ze móesten wel. De overheid verstevigde haar greep op de universiteiten. Er kwam druk op docenten om te promoveren, terwijl voordien niemand zich druk maakte over de academische graad van een docent. De rol van studenten werd ingeperkt. Dat was een nieuwe cultuuromslag. Een neoliberale cultuuromslag die ervoor heeft gezorgd dat we sinds de eeuwwisseling output-universiteiten hebben, die worden beoordeeld op hun productie.” 

U bent er boos over geworden, getuige ‘Topkitsch en Slow Science’, de aanklacht die u tien jaar geleden publiceerde. Maar u bent aan de universiteit gebleven.

“Ja. Ik ben een wetenschappelijk onderzoeker. En zo lang ik in vrijheid onderzoek kan doen, blijf ik. Ik heb wel vaak op de rand gestaan. Het universitaire klimaat is onaangenaam geworden. Maar vooral voor de jongere generaties. Ik heb een bevoorrechte positie, dat besef ik. Mensen die nu aan hun loopbaan beginnen hebben het slechter. Het is een heel andere universiteit geworden. Je moet onderzoeksfinanciering binnenhalen, en de concurrentie is moordend. In het onderwijs moet voor iedere toets een compleet dossier worden aangelegd. Door de overheid opgelegde bureaucratie. Maar de neoliberale ommekeer heeft ook studenten veranderd: die voelen zich klant en dienen al snel een klacht in als ze niet tevreden zijn over wat ze krijgen.

“Het probleem is niet alleen die bureaucratie. Probleem is ook dat de overheid te weinig investeert in onderwijs en onderzoek. De universiteiten staan er financieel beroerd voor.”

Als u op een feestje mensen vertelt dat u wetenschapper bent en aan de universiteit werkt, voelt u dan nog trots?

“Ja. Het is enorm belangrijk dat universiteiten bestaan, belangrijk voor de samenleving. En de universiteit is ondanks alle problemen nog wel een plaats waar geëxperimenteerd kan worden.”

In uw verhaal was de kritische universiteit van vijftig jaar geleden een gemeenschap van mensen. Is ze dat nu nog wel?

“Dat vind ik een moeilijke vraag. Een goede vraag, maar moeilijk te beantwoorden. De studenten waren toen meer een gemeenschap dan nu. Nu wonen veel studenten nog bij hun ouders thuis. Ze zijn minder politiek georganiseerd. En ze zijn er maar even. Begin deze eeuw werd het onzalige plan opgevat om in de hele Europese Unie de bachelor-masterstructuur in te voeren, met een driejarige bacheloropleiding en een eenjarige master. Idee was dat studenten ook na die bachelorfase zouden kunnen uitstromen. Maar het zijn eigenlijk halfbakken academici, en er is toen helemaal niet gekeken of daar behoefte aan was.

“Kijk naar de wetenschappelijke staf: het aandeel tijdelijk personeel is enorm toegenomen. De termijnen van onderzoeksprojecten en aanstellingen zijn korter geworden. Jonge onderzoekers moeten springen van de ene baan naar de andere. Het is natuurlijk prachtig dat ze op verschillende plaatsen en vaak in verschillende landen ervaring kunnen opdoen. Maar het geeft de academische gemeenschap weinig structuur; de vaste kern is klein geworden.”

De gemeenschap heeft plaatsgemaakt voor een individuele overlevingsstrijd?

“Ja. Veel studenten willen na hun masteropleiding promotieonderzoek gaan doen. Dan moet je een plek veroveren. Dat kan nu bijna uitsluitend door een subsidieaanvraag in te dienen bij NWO (Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek) of een andere onderzoeksfinancier. Dat is een slagveld. In het verleden hadden universiteiten de financiële ruimte om talentvolle onderzoekers een promotieplaats te bieden. De ruimte is er niet meer; die normale route is afgesloten.”

Hebben jullie dit voorzien toen de neoliberale aanval op de universiteit werd ingezet?

“We zagen wat er verloren ging, maar we konden niet bevroeden dat het hierop uit zou draaien.”

Je kunt weerzin hebben tegen de neoliberale kentering, maar zo gek is het toch niet om te eisen dat onderzoek economisch nut oplevert en dat ze met bedrijven aan innovaties werken? Voordien bleef veel moois op de academische plank liggen en bereikte dat nooit de markt.

“Er zijn vele wetenschappen die innovaties opleveren waarmee je geld kunt verdienen. Dat is prima, maar het moet niet de kern zijn van de universiteit. We moeten niet output centraal gaan stellen. Er moet ruimte blijven voor het toeval, voor de ontdekking die per abuis wordt gedaan, en voor de langere termijn. Dat wordt nu de pas afgesneden.

“De introductie van ondernemerschap en markt- denken is bovendien gepaard gegaan met enorme bezuinigingen. De universiteiten hebben hetzelfde meegemaakt als eerder de cultuursector. Dat is de ellende. Ik zeg niet dat de universiteit absolute autonomie moet hebben, dat had de klassieke hooglerarenuniversiteit, en daar hebben we destijds een eind aan gemaakt. Maar overheid en samenleving moeten niet volledig gaan bepalen wat wij uitspoken.”

Om het tij te keren heb je misschien een nieuwe revolte nodig. Maar de individuele overlevingsstrijd waarin studenten en wetenschappers verwikkeld zijn lijkt daarvoor geen goede bodem.

“Inderdaad, en ik ben er niet erg optimistisch over. Het neoliberalisme heeft een individualisering gebracht die diep geworteld is. Het idee dat jij je kapitaal bent, en dat je moet zorgen dat je rendeert. Het zal ooit veranderen, want het geeft veel afbreuk, depressie, schade.

“Maar het neoliberalisme staat of valt niet met de universiteiten. Er is een veel bredere verandering nodig. Dat was vijftig jaar geleden ook zo; er kwam een erosie op gang van allerlei instituties, het was veel breder dan een studentenoproer. Maar de universiteiten hadden toen wel meer gewicht dan nu. Ze zijn minder belangrijk geworden. Een bron van kennis en vernieuwing, maar een van de vele bronnen; er zijn er meer. Het gaat te ver om te zeggen dat de Silicon Valleys de universiteiten van nu zijn. Maar de grote technologische vernieuwingen komen van mensen als Gates, Jobs, Zuckerberg; niet bepaald academici.”

Een paar jaar geleden hebben studenten het Maagdenhuis, het hoofdgebouw van uw universiteit, bezet. Net als toen. Was dat de aankondiging van een nieuwe revolte?

“De bezetting van het Maagdenhuis heeft medezeggenschap weer op de agenda gezet. Maar een fundamentele verandering moet nu van het personeel komen, niet van studenten. We moeten studenten meekrijgen, maar de medewerkers moeten het doen. Daar ligt de druk.

“Het komt op gang, we zijn in actie. Er is verzet tegen de werk- en prestatiedruk. WO in Actie, een initiatief van mijn collega Rens Bod, krijgt navolging aan alle universiteiten. Er is veel onvrede onder het wetenschappelijk personeel. Het oude ideaal van onderwijsgebonden onderzoek gaat verloren. Je krijgt een tweedeling, met aan de ene kant succesvolle onderzoekers die steeds meer subsidies binnenhalen, en aan de andere kant wetenschappers die het onderwijs verzorgen. Dat zit iedereen dwars. Ook succesvolle onderzoekers willen dit niet; de meesten van hen vinden onderwijs belangrijk, en leuk.”

René Boomkens (1954) is cultuurfilosoof en hoogleraar aan de UvA. Hij promoveerde in 1998 Groningen bij de filosoof en PvdA-ideoloog Lolle Nauta, op een onderzoek naar moderniteit en stedelijke cultuur. Een jaar later kreeg Boomkens in Groningen al een aanstelling als hoogleraar. “Dat is nu ondenkbaar”, zegt hij. Boomkens publiceerde over o.a. populaire cultuur, globalisering, geweld en media, schreef een inleiding in de cultuurfilosofie (‘Erfenissen van de Verlichting’) en in 2008 een kritiek op het wetenschappelijk bedrijf (‘Topkitsch en Slow Science’).

Lees ook: 

Op naar Parijs, waar het allemaal gebeurde

Waarom in Leiden de brave student uithangen als in Parijs de opstand van mei 1968 om zich heen grijpt? Roel Janssen, Koos Plantenga en Jaap Morel blikken terug op die roerige meidagen in de Franse hoofdstad.

Zeggen wat je wilt: kan dat nog aan de universiteit?

De universiteit, daar mag je álle vragen stellen. Of toch niet?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden