Column

Als arts moet je de ellende die je meemaakt niet etaleren

Bert Keizer Beeld Trouw

In mijn jeugd kende ik wel artsen, maar ik keek er nooit naar met enig verlangen in de richting van ‘dat zou ik ook wel willen’. 

Ze woonden te hoog. Ze kwamen uit een maatschappelijke laag waar wij, kleine ­katholieke middenstand, toch echt ­onder zaten. Op mijn tiende brak ik mijn hielbot links en ik kreeg gips. De chirurg die toen voor mij zorgde gaf de indruk helemaal uit tedere goedheid te bestaan. En later toen mijn moeder ­dodelijk ziek werd, was er een internist van wie ik vermoedde dat hij de ernst van het leed van mijn moeder heel nauwkeurig kende, en voor een deel zelfs droeg, om het voor ons draaglijker te maken.

Na tweeënveertig jaar in hun gezelschap te hebben doorgebracht, kijk ik nu iets anders naar artsen. In één ­opzicht is het een beroepsgroep als vele anderen, dat wil zeggen dat er ook heel wat sukkels in rondlopen. Gelukkig is dat niet altijd even duidelijk. In haar ­column in NRC van 10 december kijkt Pia de Jong van buiten tegen een dokter aan en wat ze ziet is iets anders dan wat ik zie.

Ze is op een verjaardagsfeest in een club in New York tijdens Chanoeka. Ze komt daar dokter Larry Norton tegen, hoofd van een kankercentrum in New York. Dokter Norton heeft het zichtbaar moeilijk en Pia leidt hem even weg uit het feestgedruis zodat hij bij haar zijn hart kan uitstorten. Wat scheelt eraan? Dokter Norton vertelt: ‘Ik had mijn borstkankerpatiëntendag. Vandaag was het extra moeilijk. Met een van mijn patiënten, een moeder met jonge ­kinderen, gaat het niet goed. Ik kan er niet tegen dat ik niks voor haar kan doen’.

Vanuit de zaal klinkt luid gelach en er wordt gezongen. Maar niet door dokter Norton. ‘Ik kan niet feesten terwijl die vrouw zojuist te horen kreeg dat er geen hoop meer is.’ Wat later tijdens het diner breekt er toch wat zonlicht door, want dokter Norton heeft een ­oplossing! Hij is helemaal opgetogen. ‘Ik heb een behandelplan. Ik bel haar meteen op als ik thuis ben. Dat wordt laat, maar dat neemt ze me vast niet kwalijk’. Hij is nu een stuk vrolijker en neemt zowaar een slokje wijn. ‘Het is wel lastig hoor, zoveel empathie’, vertrouwt hij Pia toe, ‘ik kan mijn patiënten niet loslaten.’

Eenenzeventig

Beetje raar, dat een oncoloog tijdens een feestje ineens een briljant behandelplan te binnen zou schieten. En al die empathie, het lijkt me inderdaad lastig. Ongelooflijk eigenlijk. Hoe hou je dat vol? En die man is eenenzeventig.

Bij lezing kreeg ik een ongemakkelijk gevoel. Niet tegenover Pia de Jong, die mij treft als een ontvankelijke verslaggeefster van wat ze zoal ziet tijdens haar verblijf in Princeton. Maar ik zit met dokter Norton. Het is, vind ik, een zonde tegen de wellevendheid om als arts de ellende die je meemaakt tijdens een verjaardag op tafel te zetten. Waarom? Omdat je elk onderwerp doodslaat als je begint over ‘dat kindje had dus half onder het voorwiel van die auto gelegen en het hoofdje was...’ Het is een goedkope vorm van aandachttrekkerij. Niet doen, probeer interessant te zijn met iets eigens.

Naast dat onsmakelijke etaleren is er zijn obsessieve aandacht voor het lijden dat hij in zijn werk tegenkomt. Dat niet kunnen loslaten is iets dat bij de eerste co-schappen hoort, niet bij een zeventiger. Als co-assistent lig je soms te stuiteren in bed na al de narigheid die rauw op je dak valt. Maar dat slijt snel, en als het niet slijt moet je ander werk gaan zoeken. Van een verpleegkundige collega die eens mijn ontreddering zag kreeg ik te horen: je mag best huilen, maar niet meer dan één keer per maand.

Thuis

Ik ben bang dat dokter Norton, ­behalve een eminent, zeer vooraanstaand, uitermate kundig, vele malen gelauwerd en wetenschappelijk zeer diepgravend werkende arts, ook een rare poseur is die zich eigenlijk niet goed weet te ­gedragen buiten de kliniek.

Als Pia hem na afloop van het feest in de taxi ziet stappen heeft hij zijn ­telefoon in de hand (om die mevrouw te gaan bellen natuurlijk). ‘De arts die je elke patient gunt’, schrijft Pia. Ik kan het niet helpen, maar ik denk dan: hoe zou hij thuis zijn?

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden