Almere gaat aan vlijt ten onder

Aan aspiraties geen gebrek: sinds Pieter Hoexum Almere enkele jaren geleden bezocht kreeg de stad een nieuw hart van Rem Koolhaas en stelde zich kandidaat als culturele hoofdstad van Europa. Hoog tijd voor een nieuw bezoek. „Zou je in Almere inmiddels kunnen flaneren?”

Hun stad werd verkozen tot ’lelijkste plek van Nederland’. Toch bleef een drietal inwoners onvermurwbaar en richtte een comité op dat zich sterk maakt om Almere te kandideren als Culturele Hoofdstad van Europa in 2018. Dit burgerinitiatief krijgt steeds meer erkenning en kon afgelopen januari melden dat „de directieleden van alle grote culturele instellingen in Almere” het manifest Almere 2018 hebben ondertekend.

Aangezien ik enkele jaren geleden Almere bezocht en daarvan in deze krant uitgebreid verslag deed, durfde ik wel te zeggen dat het ronduit belachelijk is om Almere te verkiezen tot ’lelijkste plek van Nederland’. Het toont alleen maar aan hoe onzinnig dit soort verkiezingen zijn. Maar Almere leek me nu ook weer niet écht een kansrijke kandidaat om Culturele Hoofdstad van Europa te worden. Of zou de ’open hartoperatie’ die de stad de afgelopen jaren heeft ondergaan, onder leiding van de wereldberoemde architect Rem Koolhaas, geslaagd zijn? Had hij Almere een heus stadshart geschonken? Was Almere een ’echte stad’ geworden? En wat is dat dan, een echte stad?

In een echte stad kun je op goed geluk ronddwalen, flaneren. Flaneren gaat verder dan een luchtje scheppen of een blokje omgaan – dat doe je in een vertrouwde omgeving. Maar het is ook weer geen reis ’in den vreemde’. Flaneren is op klein avontuur gaan, een paradoxale zoektocht naar verrassingen. Flaneren is zoiets als bladeren in een nieuw, of althans onbekend boek. Maar in tegenstelling tot dergelijk ’neuzen’, dat dient om te beslissen over aankoop, heeft flaneren door de stad geen ander doel dan zichzelf. Het is geen verkenning om te zien of je er zou willen wonen; de combinatie van voortbewegen en kijken vormt het doel. Een flaneur is hoofdrolspeler, regisseur én toeschouwer van zijn eigen film.

Zou je in Almere inmiddels kunnen flaneren? Het wordt tijd voor een nieuw bezoek aan de stad met het nieuwe hart en nieuwe aspiraties .

Voor de zekerheid doe ik stevige schoenen aan en pak een makkelijke schoudertas, waar ik bovendien een paar krentenbollen in doe, want je weet maar nooit. De vorige keer huurde ik een fiets , omdat ik had gelezen dat „de bijzondere architectuur bij uitstek geschikt is om te verkennen per fiets”. Dat viel tegen, Almere bleek nog ’verstrooider’ dan ik voor mogelijk had gehouden. Er waren hier en daar weliswaar interessante dingen te zien, maar verspreid over zo’n groot gebied dat ik me helemaal suf fietste.

Vlak na de ochtendspits arriveer ik met de trein. Het is een zonnige, maar echt winterse dag, het vriest en waait ongenadig hard. De vorige keer was alleen al het vinden van de juiste uitgang van het station een helse opgave, nu wandel ik al snel door de Stationsstraat, een winkelstraat met filialen van de overbekende ketens. Die leidt naar het Stadhuisplein met daarop het alles overheersende stadshuis, een betonnen kolos die als een koekoeksjong in een ’nest’ van bakstenen gebouwen ligt.

Ergens in dit gebouw moeten momenteel tientallen mensen druk bezig zijn met communiceren. De afdeling Communicatie van de gemeente telt veertig (40) medewerkers. Almere loopt sowieso voorop als het gaat om stadspromotie, ook wel citymarketing of citybranding genoemd. Bij de stichting Almere City Marketing zijn nog eens dagelijks vijf (5) medewerkers bezig het merk Almere te positioneren. Zo hebben ze een ’kennismakingsprogramma’ ontwikkeld. Ondernemers, persvertegenwoordigers en opinieleiders kunnen hier een op maat gemaakte rondleiding door de stad krijgen. Per jaar krijgen vijfentwintigduizend (25.000) personen een dergelijke tour.

Even heb ik overwogen ook zo’n tour te maken, maar zag er van af. Ik ben hier niet om rondgeleid en voorgelicht te worden. Een rondleiding maakt van een stad een soort biljart of flipperkast, waar de bezoeker als een willoos balletje doorheen gestuiterd wordt. Dan verwordt wandelen tot slenteren, zoals gebeurt wanneer je iemand begeleidt bij het winkelen, terwijl de producten (schoenen, auto’s) je niet interesseren. En al interesseert het product je aanvankelijk wel enigszins, dan nog leidt het passief meegevoerd worden al snel en onvermijdelijk tot apathie en verveling.

Ik werp nog een blik op het stadhuis. Het moet het toch echt afleggen tegen het pal tegenovergelegen nieuwe stadshart, dat zijn voltooiing nadert en er onverwacht uitnodigend bij ligt, zeker met deze koude wind. Maar ik weersta de verleiding van het nieuwe en loop eerst naar de Grote Markt. Die ligt er ronduit verslagen bij. Het was al een tamelijk wanhopige poging Almere een intiem, knus centrum te geven, maar het ligt nu zelfs niet meer ’in de loop’. Halverwege het plein kom ik langs een speelhal, in de uiterste hoek tref ik een seks- en een coffeeshop.

Ik loop terug over het plein en kuier het stadshart binnen. Ik ga eerst meteen door naar de andere kant en kom uit op een vlakte die ’Esplanade’ heet en, zoals een esplanade betaamt, aan het water ligt. Het is het zogeheten Weerwater, een groot kunstmatig meer waar het in de zomer heerlijk moet zijn. Dan zal hier vast geflaneerd worden in de zin van wandelen om gezien te worden, te pronken. Maar nu sta ik hier in de snijdende kou.

Verkleumd en wel ga ik op zoek naar de V & D in het nieuwe stadshart, want iemand had me verteld dat het restaurant op de bovenste verdieping een fraai uitzicht biedt. Dat uitzicht houdt niet over, je kijkt vooral uit over de lager gelegen verdieping met kinderkleding Ach, het is hier warm en ze hebben koffie. Ik pep mezelf op om de stad weer in te willen, want het moet natuurlijk wel van twee kanten komen: een ideale stadswandeling is een samenspel tussen wandelaar en stad. Vooruit, kop op: de stad in.

Het verlaten van het nieuwe stadshart aan de andere kant, die van het ’oude’ centrum, is een eigenaardige ervaring. Alsof je uit een tijdmachine zo de jaren tachtig binnenstapt. Een overdekte winkelstraat wordt ’passage’ genoemd en krijgt een malle naam zoals ’De Zoetelaar’. In tegenstelling tot de Grote Markt zouden deze winkelpassages wel eens kunnen profiteren van de luwte waarin ze nu liggen. Toen ze het gezicht van Almere moesten vormen oogde het geheel een beetje treurig, maar nu het niet meer zo nodig hoeft, zouden de passages wel eens op kunnen bloeien.

Hier stuit ik op een typisch Almeriaans fenomeen, het ’stadsbouwhuis’, waar de inwoners op de hoogte worden gehouden van de bouwplannen. In de lobby ligt een enorme maquette op de grond. De plannen zijn groots, het lijkt erop dat Almere samen met Amsterdam en Schiphol een machtige driehoek wil vormen. Op grote posters staan breed uitgemeten toelichtingen. Almere blijkt zich in ’transitie’ te bevinden, in een „overgangsfase tussen bouwen en integratie”. Tussen de regels door lees ik dat Almere enigszins is overvallen door haar eigen succes. Recentelijk is de stad zelfs door het Rijk gevraagd door te groeien van een kleine 200.000 naar 350.000 inwoners.

Als ik het centrum uitwandel zie ik langzaam de ’lage hoogbouw’ overgaan in woningbouw. Rijtjeshuizen en bloemkoolwijken, heel gewone wijken, zoals je die overal in Nederland aantreft. En waar ik zelf trouwens met veel genoegen woon. Na een paar straten houd ik het voor gezien en loop naar het Weerwater, om langs de oever naar het centrum terug te keren. Het uitzicht op het nieuwe stadshart, over het Weerwater is ronduit spectaculair. Zo zien citymarketeers een stad vast het liefst, namelijk met een heuse skyline.

Lunchtijd. De van huis meegebrachte krentenbollen blijken werkelijk overdreven. Het wemelt hier van de grand café’s, saladebars, fusion restaurants, happerijen en koffie- en theeschenkerijen. Ik laat me niet van de wijs brengen en ga net als de vorige keer naar hotel-restaurant Anno, aan de Grote Markt.

Na de lunch is het de hoogste tijd dat nieuwe stadshart eens grondiger te verkennen. De wind is wat gaan liggen en het stadshart lijkt zowaar tot leven te komen. Hier en daar zie ik zelfs al een groepje jongeren samenscholen op een trapje, maar van echt ’hangen’ is nog geen sprake. Er wordt ook niet gekust trouwens. Niet dat dat van mij zo nodig moet, maar Arnold Reijndorp verhief dat onlangs in een essay in het boek ’Adolescent Almere. Hoe een stad gemaakt wordt’ overtuigend tot een heus criterium voor stedelijkheid. Het is een van de vele prikkelende gedachten in een ideeën- en beeldenrijk boek.

Reijndorp verbindt de voorstad met huiselijkheid en het centrum met erotiek. Kussen in het openbaar kan volgens hem alleen als er werkelijk sprake is van stedelijkheid, namelijk op plaatsen „waar je weet dat je wel gezien, maar niet herkend wordt”. In het centrum dus, daar verandert „gezelligheid in avontuur”. Flaneren heeft ook iets van flirten: interesse tonen en wekken, maar ik zou zeggen juist zonder de bedoeling tot daden over te gaan. Dan zou het geen ’klein avontuur’ meer zijn, maar een ’avontuurtje’. Dan wordt het toch een reis in den vreemde, vreemdgaan. Het kan natuurlijk ook heel goed dat dit slechts getuigt van mijn bekrompen, provinciale mentaliteit, wat zou bevestigen dat kussen in het openbaar inderdaad een criterium is voor stedelijkheid: het is mij te ’stads’.

Behalve het masterplan heeft Koolhaas ook zelf enkele gebouwen van het stadshart ontworpen, maar het merendeel is ingevuld door anderen. Het beste onderdeel van het nieuwe stadshart is wat mij betreft de Citadel, een ontwerp van de Franse architect Christian de Portzamparc. Het is een groot, centraal gelegen bouwblok, het hart van het stadshart, zogezegd. Het blok wordt door twee nauwe winkelstraten doorsneden; boven de glazen puien van de winkels zijn de gevels bedekt met een roodbruin, organisch ogend materiaal, zodat de straten wel een soort bergkloven lijken en vreemd, maar tegelijk vertrouwd en natuurlijk aanvoelen. Aan De Portzamparc is in het piepkleine, maar alleraardigste architectuurcentrum van Almere een tentoonstelling gewijd. Daar wordt mij extra duidelijk hoe zeer de Citadel een slimme invulling is van het Koolhaas’ masterplan, waarin ruimte moest komen voor winkelen én wonen. Dat deed De Portzamparc door eenvoudigweg bovenop de laag winkels een glooiend grasveld aan te leggen met een soort woonwijkje met rijtjeshuizen. Van beneden af vang je daar af en toe een glimp van op, net voldoende om de indruk van een burcht (citadel) te wekken.

Dat beeld van de hoge burcht past hier sowieso want het hele nieuwe stadshart is opgezet als een heuvel. Wat mij betreft is dit het sterke punt van het masterplan van Koolhaas: de hoogteverschillen. Tot zes meter tilde hij het maaiveld op. Zo ontstond een bebouwde berg in deze verder geheel vlakke polder, waarop de flaneur steeds lichtjes moet stijgen en dalen. Net als in de Rotterdamse Kunsthal (een van de eerste in Nederland gerealiseerde ontwerpen van Koolhaas) vind ik de ontstane helling weliswaar een ’struikelblok’, maar het centrum krijgt zodoende wel een zekere gelaagdheid.

De zwakte van het ontwerp is het stratenplan. Het stratenplan van het nieuwe deel staat schuin ten opzichte van het oude grid, het staat er als het ware ’dwars’ op. Het kleine beetje geschiedenis dat Almere heeft, wordt zodoende volkomen genegeerd.

In zijn boek(je) ’De krul en andere modes in de architectuur’ bespreekt Bernard Hulsman de tien volgens hem belangrijkste trends in de architectuur. Die zijn hier vrijwel allemaal wel terug te vinden, zoals de genoemde helling, maar ook schuine façades en een reuzekrul, een zogenaamde ’blob’, een amoebeachtig gebouw. Hulsman kroont Koolhaas in een epiloog tot ’modekoning’ van de architectuur. Hoe schamper dat ook klinkt, het is een heus compliment. Koolhaas pretendeert tijdloze en zelfs stijlloze ontwerpen af te leveren, maar maakt dat gelukkig lang niet altijd waar. Openlijk modieuze architecten zijn veel eerlijker en bescheidener, omdat zij meer tegemoet willen komen aan de wensen en smaak van de gebruikers. Maar zij lopen weer het gevaar zozeer in de smaak te willen vallen, dat het smakeloos wordt.

Hoe dan ook, geen enkele architect ontkomt eraan, bouwkunst is onvermijdelijk, zoals alle kunst, een uitdrukking van zijn tijd. En dan heb ik het niet over de Zeitgeist of iets dergelijks, maar over de manier waarop gebouwen zich onvermijdelijk verhouden tot buurt- en tijdgenoten. Een gebouw is een tijdelijke en plaatselijke oplossing voor een eeuwig en universeel probleem: de onherbergzaamheid van de planeet waarop wij leven en waarvan wij op de een of andere manier bewoners moeten zien te worden.

Het nieuwe stadshart blijkt bij nadere beschouwing een groot, maar verder heel gewoon winkelcentrum, in een eigentijds jasje. Daar hoeft op zich niets mis mee te zijn, maar in dit geval lijkt het mij te groots en te eigentijds. Het voelt uiteindelijk net zo misplaatst aan als het stadshuis; als een koekoeksjong. Het valt moeilijk te rijmen met Almere. Het is alsof je naar een herhaling van Baantjer of Derrick kijkt, of naar een andere detective waarin een bezadigde inspecteur een overzichtelijke moordzaak oplost, en vlak voor het einde duiken opeens als een deus ex machina die snelle jongens en meisjes van CSI Miami op: met hun hypermoderne apparatuur lossen ze in een handomdraai het raadsel op en gaan er als een haas vandoor, de inspecteur en de toeschouwer in verbijstering achterlatend.

Het nieuwe stadshart is wel succesvol in de zin dat het voor de broodnodige verrassingen zorgt: je slaat een hoek om en bent opeens heel ergens anders. Zodoende slaagt Almere voor de ’stadstest’: je kunt hier flaneren. Vanaf de Olstgracht bijvoorbeeld, een nostalgisch ’oud-Hollands’ stadsgrachtje, stuit je honderd meter verderop op ’entertainment centre DooWorld’, dat onderdeel vormt van het stadshart. Maar, hoe verrassend ook, ik vraag me af of hier nu veel gewonnen is.

Van veraf, als skyline, en dichtbij is het nieuwe stadshart bepaald spectaculair. Maar van ’spectaculair’ of ’opzienbarend’ naar ’opzichtig’ is maar een kleine stap. De grens ertussen is dun.

Iedere stad wil een icoon, een landmark, en iedere bestuurder wil zijn stad ’op de kaart zetten’ en ’in de kijker spelen’. Iedere stad wil zijn eigen Koolhaas, Gehry, of Foster. En zo reist een legertje architecten en stedenbouwkundigen de wereld rond als een soort wonderdokters, als ’stedenfluisteraars’ en is ook in Almere neergestreken. Als architecten en stedenbouwkundigen geen ’nee’ leren zeggen, dreigt bouwkunst te verworden tot imagebuilding.

Al met al stelt Almere mij voor een onmogelijke keuze. Ik wil het niet eens zijn met de critici die er schande van spreken, maar kan niet instemmen met het wezenloze opgestroopte-mouwen-optimisme van de bouwers. Het (her)bezoek aan de stad heeft dat dilemma slechts vergroot. Ik kom er niet uit en wil er ook niet uitkomen, blijf liever aarzelen en talmen. Het opschorten van je oordeel is sowieso een onderschatte tactiek, terwijl het meestal de beste optie is, maar in geval van Almere is het volgens mij bittere noodzaak.

Via Museum De Paviljoens (met alweer een tentoonstelling met ’plannen’) loop ik terug naar het station. In de trein leest de vrouw tegenover mij een damesblad. De cover kondigt een interview aan met Annemarie Jorritsma. Als de vrouw uitstapt, laat ze het blad liggen. Jorritsma wordt uitgebreid ondervraagd over haar lifestyle, maar mag gelukkig ook iets over haar werk als burgemeester zeggen: „Almere is een stad in wording en heeft de daarbij behorende problematiek, dat trekt mij. Als ik in een gespreid bedje terechtkom, ga ik me vervelen. Geef mij maar een uitdaging.”

De dadendrang en gedrevenheid van Jorritsma zijn symptomatisch voor Almeerse bestuurders, ongeacht hun politieke kleur. Het eerder genoemde boek ’Adolescent Almere’ citeert uit een interview met de oud-landdrost van Flevoland, Han Lammers: „Een volk kan niet ambitieus genoeg zijn als het serieus onder ogen ziet dat het de taak heeft om voor de toekomst te zorgen. Of dacht u dat de komende generatie het ons in dank zal afnemen dat we maar aarzelen en talmen.” De begeestering die van deze woorden uit moet gaan, jaagt mij schrik aan. Die haast, dat ongeduld, die niets en niemand ontziende slagvaardigheid... Almere gaat nog aan vlijt ten onder.

De voortvarendheid van de hyperactieve bestuurders van Almere heeft verlammend gewerkt op de bewoners. De kloof tussen burgers en bestuurders schijnt hier groot te zijn. Ze proberen het gat te dichten met noviteiten zoals ’politieke markten’, maar belangrijker en effectiever lijkt me dat ze het wat kalmer aan gaan doen. Als het niet zo trendy zou klinken, zou ik willen pleiten voor ’slow architecture’.

Ambtenaren en bestuurders schijnen zich nogal eens opgejaagd te voelen door zogenaamde ’burgerinitiatieven’. Hopelijk is dat niet het geval en ook niet de bedoeling met de poging van de burgers van Almere die hun stad willen kandideren voor Culturele Hoofdstad van Europa. Als het maar geen event of iets dergelijks wordt. Er is een verschil tussen genot en fun. Almere lijkt soms niet zozeer adolescent maar ronduit kinderachtig en mag dus wel eens paternalistisch toegesproken worden: eet toch niet zo snel, zit niet zo te schrokkenProbeer er nu eens van te genieten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden