Alles uit de kelder

De kunstredactie van Trouw vraagt een aantal musea om een bijzonder kunstwerk uit het depot te halen dat nog nooit of lange tijd niet te zien was voor het publiek. In deze aflevering de keuze van Gerard de Kleijn, directeur van Museum Gouda.

TEKST HENNY DE LANGE

Geldgebrek is soms wel prettig, zegt directeur Gerard de Kleijn van Museum Gouda. Ja, dat horen we goed. Een ongebruikelijk geluid, zeker uit de mond van een museumdirecteur. Maar De Kleijn is ook geen doorsnee directeur. Hij houdt er wel van om de boel flink op te schudden in de museumwereld, die naar zijn smaak nog 'behoorlijk conservatieve' trekjes heeft. "Als er geen geld is, moet je dingen heel anders gaan doen." Er zijn museumdirecteuren die daar niet aan willen. Maar volgens De Kleijn kan dat heel verfrissend werken en een stroom aan nieuwe ideeën losmaken.

Gerard de Kleijn draagt deze dag een rood ribfluwelen pak. Het kan toeval zijn, maar het is dezelfde kleur als die van de nieuwe vitrinekasten in de Gasthuiszaal van het museum. In die kasten bevindt zich het kunstwerk dat hij uit de kelder heeft gehaald. Nou ja, van een kunstwerk kun je niet spreken. De directeur hield het niet bij één voorwerp. Hij besloot meteen maar de hele kelder leeg te ruimen. Een deel ervan, ruim duizend kunstwerken, staat inmiddels op zaal uitgestald in knalrode vitrinekasten.

Maar dát is niet de bedoeling. Voor deze serie mogen musea altijd maar één object uit het depot halen. De Kleijn: "Voor het publiek is het toch fantastisch als het de hele collectie van een museum kan zien? Het is toch niet de bedoeling om een groot deel van onze kunstschatten in depots te verbergen?" Door de serie in Trouw is hij zich gaan realiseren, hoe idioot het is dat er zoveel mooie kunst soms jarenlang in kelders ligt, onzichtbaar voor het publiek. Maar er spelen ook andere zaken mee.

Te koop: topstuk
Dat Museum Gouda alles uit de kelder heeft gehaald, heeft vooral met geldgebrek te maken. Na zijn benoeming drie jaar geleden tot directeur van het museum, trof hij een nagenoeg failliete boedel aan. Om sluiting van het museum te voorkomen, nam De Kleijn een wel heel drastisch besluit. Hij bood één van de topstukken uit de collectie, het schilderij 'The Schoolboys' van Marlene Dumas, op de veiling aan. Het doek, in 1988 gekocht voor 18.000 euro, werd verkocht voor bijna een miljoen euro aan een particulier. Het museum was gered, maar De Kleijn kreeg nagenoeg de hele museumwereld over zich heen, omdat hij het in strijd met de regels niet eerst om niet had aangeboden aan andere musea.

De verkoop van het schilderij van Dumas was niet voldoende om het museum draaiende te houden, vertelt de directeur. De gemeente kwam met een structurele bezuiniging van een half miljoen euro per jaar. Zes van de zeventien medewerkers werden ontslagen of niet vervangen. Ook werd de geplande bouw van een nieuw extern depot afgelast.

De Kleijn: "Het nieuwe depot buiten de deur zou ons jaarlijks 150.000 euro aan huur kosten. Ik vroeg me af of we dat niet konden afblazen en in plaats daarvan zalen in het museum konden inrichten als open depots. Dat bespaart niet alleen geld, het is ook attractiever voor het publiek."

Na stevige discussies met de medewerkers koos het museum voor deze rigoureuze stap. Dat betekent wel dat er veel stukken afgestoten moeten worden. Het is onmogelijk om alle 40.000 objecten op zaal te laten zien. Daarom richt het museum zich voortaan puur op de functie van stadsmuseum. Er zijn drie speerpunten:

de religieuze collectie uit de zestiende eeuw, voor en na de Beeldenstorm

schilderijen uit de Haagse en Franse school uit de negentiende eeuw, van Daubigny tot Weissenbruch

Gouds plateel uit de twintigste eeuw

Alle andere stukken gaat het museum 'ontzamelen'. Dit keer wel volgens de regels, belooft De Kleijn. Ze worden eerst aangeboden aan andere musea. Als die ze niet willen hebben, gaan ze naar de veiling. De speelgoedcollectie is inmiddels naar het nationale speelgoedmuseum in Deventer verhuisd. Ook is er een veiling gepland voor hedendaagse kunst. "Dat ruimt lekker op", zegt De Kleijn. Hij durft nog niet te voorspellen hoeveel objecten uiteindelijk over zullen blijven van de 40.000. "Maar we houden de stand bij", zegt hij, en wijst naar een bordje waarop 1089 staat genoteerd. Zoveel stukken uit het depot zijn inmiddels op zaal gezet, in de rode vitrines. Het is een bonte mix van Goudse pijpen, schilderijen, glas, munten, kandelaars, klokken, meubilair en stadsgezichten. De Kleijn: "We proppen die kasten gewoon lekker vol, net als in een depot. We willen beslist geen museale sfeer met tekstbordjes. Maar alle voorwerpen zullen wel goed zichtbaar zijn, zodat het publiek het gevoel krijgt door een schatkamer te dwalen."

De Schatkamer is ook de naam geworden van het open depot, dat de komende tijd steeds verder zal uitdijen. Het is de bedoeling dat het externe depot eind volgend jaar helemaal leeg is. Een gigantische klus, want elk stuk gaat door de handen van de collectiebeheerders. Die beoordelen of het mag blijven of afgestoten kan worden. De collectie plateel - 8000 objecten van aardewerk - krijgt op de bovenverdieping een plek in mintgroene vitrines.

Meekijken met restauratie
Alle depotstukken op zaal zetten, dat heeft natuurlijk wel consequenties. Er is minder ruimte voor wisselexposities, erkent De Kleijn. En wat ook erg wennen is, vooral voor de collectiebeheerders, is dat het publiek nu voortdurend kan meekijken over hun schouders. "Tot voor kort trokken ze deur van het depot achter zich dicht en konden ze ongestoord werken. Ze waren helemaal op de objecten gericht. Nu hebben ze hun werkplek op zaal en krijgen ze te maken met bezoekers die vragen stellen.

"Ze zijn bang dat ze van hun werk gehouden worden. Ik heb gezegd: 'Beste mensen, het is ook ons werk om het publiek te informeren'." Zowel het onderhoud als restauratiewerk van kleinere objecten gebeurt voortaan op zaal. Alleen de grotere stukken gaan naar een extern restauratieatelier.

Voor de nieuwe presentatie heeft De Kleijn zich laten inspireren door het Museum aan de Stroom in Antwerpen. Dat heeft ook open depots, maar de presentatie is wat somber, vindt De Kleijn, ook omdat de belichting niet goed is. "Onze inrichting is attractiever voor het publiek."

En waarom gekozen voor de knalkleur rood? De Kleijn: "Datzelfde rood zit ook in de Goudse vlag. Natuurlijk was een standaardkleur als grijs goedkoper geweest. Maar dat doet me toch te veel denken aan een kantoor. Rood is ook een signaalkleur. Museum Gouda maakt een statement met dit open depot. We bekennen kleur."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden