Alles komt goed, uiteindelijk

In 1909 stond W.G. van de Hulst aan de wieg van de moderne kinderliteratuur. Hij stichtte niet over de hoofden van kinderen heen, maar verplaatste zich in hun sfeer. Nog steeds wordt zijn werk uitgegeven. Kleindochter Rose Marijn beheert nu de nalatenschap.

Stijntje Blankendaal

Op je knieën voor de uitpuilende boekenkast, je handen begerig uitgestoken naar de in schoolmeesterhandschrift volgeschreven cahiers: de kinderbijbel, zijn lezingen. Er staan uitgaven van W.G. van de Hulsts boeken in het Engels, Japans en Indonesisch. 'Jaap Holm en z'n vrienden' zelfs in het Esperanto, uitgegeven na de Eerste Wereldoorlog, hopend op de wereldvrede.

Naast de kast staat de oude leren fauteuil waarin Willem Gerrit van de Hulst (1879-1963) zijn verhalen schreef - op een houten plank die hij over de armleuning legde - en vanwaaruit hij ze jaren later voorlas aan Rose Marijne, zijn kleindochter. Ze grijpt willekeurig in het rijke, maar rommelige archief en krijgt een portret van haar grootouders in handen, waarop oma opa voorleest uit één van zijn schriften. Hij luistert of de nieuwe avonturen goed in het gehoor liggen.

De kast staat in het huis van beeldend kunstenaar en illustrator W.G. van de Hulst junior (,,Ooit een junior van 82 jaar gezien?'') in Nieuwersluis. Een poster van een theatervoorstelling van 'In de soete suikerbol' hangt aan de muur. Dichter bij de bron kun je niet komen. Willem Gerrit van de Hulst jr. werkt aan een beeld van een elkaar omarmend ouder echtpaar, terwijl zijn dochter (47) de originele illustraties van de Van de Hulst boeken laat zien. ,,Het is allemaal nostalgie hè.'' verklaart W.G. van de Hulst jr. de zoveelste heruitgave van enkele van de 96 boeken die zijn vader in zijn leven als schoolhoofd en na zijn pensionering schreef.

Onlangs verschenen bij uitgeverij Callenbach 'Fik', 'Anneke en de sik', 'Van Bob, Bep en Brammetje' en 'De bengels in het bos' voor de kleinsten (vanaf drie jaar) en 'In de gouden gaper' deel 1 en 2, een spannend verhaal over list en bedrog, de prinses en de keizer en de bengels Bas en Reyer. Het verscheen voor het eerst in 1947, in dagblad Trouw. Rose Marijne verzorgt nu de heruitgaven, de tekeningen zijn van W.G. van de Hulst jr. Eerder verschenen uit de vroegere serie 'Voor onze kleinen' 'Bruun de beer', 'Allemaal katjes', 'Van drie domme zusjes' en 'De wilde jagers'.

Rose Marijne: ,,Mijn opa is in 1963 overleden. 'Jongens, als ik er niet meer ben', zei hij, 'dan moet er wel een aanspreekpunt blijven.' We kregen nog altijd brieven van schoolkinderen, aanvragen van bakkers die hun winkel 'In de soete suikerbol' wilden noemen en het contact met de uitgever moest onderhouden worden.'' De maatschap 'Erven W.G. van de Hulst' werd opgericht. Rose Marijnes vader verzorgde 38 jaar lang de dagelijkse en artistieke kant; twee broers de financiële en contractuele zaken.

,,Het werk is nu overgedragen aan de volgende generatie. Samen met twee neven beheer ik, volgens dezelfde taakverdeling, de nalatenschap. Ik zat er niet echt op te wachten, maar wilde het er wel naast mijn werk in de journalistiek bij doen. Tot mijn verbazing wilde uitgeverij Callenbach gaan herdrukken. Dat was helemaal ons idee niet, maar blijkbaar durfde de uitgever het aan.''

,,Ik heb die boekjes weer eens gepakt en bekeken. Ik genoot vroeger van de verhalen van opa. Ik kwam veel bij hem thuis, omdat we vlakbij woonden en mijn vader regelmatig voor overleg bij hem langs ging. Dan mocht ik vaak mee. Opa kon eindeloos naar je luisteren. Hij liet papa vrij in zijn illustraties. ,,Ja, mooi jongen'' zei hij dan. Het waren twee handen op één buik. Mijn vader heeft vanaf zijn veertiende geïllustreerd, onder andere de boeken van opa. Hij begon met de strip 'In de soete suikerbol' in de Belgische krant de Standaard. Later studeerde hij aan de Rijksakademie in Amsterdam.''

,,Mijn ouders hebben mij vernoemd naar Rozemarijntje, een van opa's geesteskinderen. Het zijn verhalen over een vrolijk kind van een jaar of zeven. Ik vond het leuk dat ik net zo heette, ze sprak me wel aan. Maar dat ik naar haar vernoemd was, realiseerde ik me pas zo rond mijn dertiende: 'Oh, ben jij de Rozemarijntje van de boekjes?' kreeg ik te horen van bewonderaars en dan moest ik ze teleurstellen. Ik heb nooit model gestaan, want Rozemarijntje is van voor mijn tijd.''

Zijn eerste boeken verschenen in 1909. De taal van toen is veranderd. En de thematiek ook. Maar ondanks dat heeft de 'Van-de-Hulstsfeer' de jaren zestig en zeventig overleefd. Door alle jaren heen zijn er heruitgaven verschenen. ,,Mijn opa schreef in een tijd waarin je geen vlees kocht bij de slager van een andere kerk. De verzuiling was absoluut. Het was de Bartje-tijd met 'ik bid niet voor brune bonen': pure armoede en sociale ongelijkheid. Het was ook de tijd van de tuberculose. In 'Peerke en zijn kameraden' gaat Peerke dood aan tbc. Prachtig geschreven, je houdt je ogen niet droog.''

In bijna ieder verhaal wordt er wel gebeden. ,,Van de Hulst werd verguisd door niet-protestanten omdat zijn werk te christelijk zou zijn. Maar mensen vergeten dat de verhalen tegen een totaal andere cultuur-historische achtergrond geschreven zijn. Het is taalgebruik van ver voor de oorlog. Nú is het moraliserend, tóen was het gewaagd. Hij durfde over 'kinderdingen' - als een scheur in je broek en bang zijn in het donker - te schrijven in een tijd waarin er nog alleen over de hoofden van kinderen heen werd geschreven, om via de volwassenen goede sier te maken met de kerk.''

,,Mijn opa was de eerste die op zijn hurken ging zitten en de sfeer van het kind opriep. Bovendien is 'In de soete suikerbol' absoluut niet christelijk. In het begin keurde het Nederlands kerkgenootschap zijn boeken dan ook niet goed. Het protestants-christelijke volksdeel stond argwanend tegenover hem. Maar het blijft wonderbaarlijk dat Callenbach het aandurft werk uit te geven van een schrijver die bijna veertig jaar geleden is overleden.''

,,De maatschap dacht wel: als er geredigeerd moet worden, dan doen wij dat. Ik voelde me verantwoordelijk en zag het als een eer. Ik fris hier en daar de tekst op en breng er meer vaart in. Er komen bijvoorbeeld wel erg veel koetsen en paarden in voor; een kind krijgt een paardendeken en een ezeltje een 'akertje' water. Niemand die meer weet dat dat een emmertje is. Opa zou zijn werk óók op die manier bekeken hebben. Hij kijkt over mijn schouder mee en regelmatig ga ik met hem in gesprek: ,,Vind je wel goed, hè,'' vraag ik dan. Ik weet dat hij een interview in Trouw plezierig gevonden zou hebben.''

,,Waarin schuilt de kracht van zijn verhalen? Misschien toch in de nostalgie die ze oproepen. Het is het 'goede' oude Nederland dat veel ouderen zich nog kunnen herinneren. We waren ooit een christelijk georiënteerd land. Daarbinnen vertegenwoordigt Van de Hulst het kind van alle tijden. Het is de warmte, het vertrouwenwekkende: alles komt goed uiteindelijk, hoeveel rottigheid je ook uithaalt. Opa was wel degelijk een gelovig mens. Oké christelijk, maar als je er niet van houdt, dan lees je zijn boeken niet.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden