Alles, alles, als het maar entertaint

In de serie Rite du Cinema schrijft Willem Jan Otten maandelijks een essay over films die een leven veranderen. Vandaag: The Truman Show (1998). "De Regisseur heeft alles gedaan om oog in oog te staan met zijn schepsel." De film is maandag in Amsterdam te zien.

Van de zesde film in deze reeks is zeker dat vrijwel iedereen hem kent. Als een aantal van u, lezers dezes, desondanks aanstaande maandag naar De Balie komt om hem te herzien, dan is de titel van deze onderneming, Rite de Cinema, welgekozen. Het feit dat we voor onze ogen een al ondervonden drama beeld voor beeld opnieuw voltrokken willen zien wijst er op dat we ritueel-zoekers zijn.

Niets zal er maandag veranderd zijn aan het verhaal. Truman doet de onvoorstelbare ontdekking dat zijn leven, vanaf zijn geboorte, gefilmd is en ter plekke, gelijktijdig, uitgezonden. Hij maakt de psychose door van alle houvast verliezen. En hij zal de strijd aangaan met de bedenker van zijn leven, Christoph, de Regisseur die zetelt in de nok van de Truman Dome, de provinciegrote studio die tot dan toe voor Truman Alles Wat Er Is is geweest.

Het is de verrukkelijkste film van de reeks - hilarisch, onwaarschijnlijk knap geschreven, daverend witty, oogstrelend. En het is de meest uitgesproken satirische: regisseur Peter Weirs antwoord op de Reality Show die onze media-beschaving steeds meer is geworden.

Zoals alle satire leert de film ons door een realiteit heen te kijken, en haar te begrijpen als een totalitaire schijn. Wat Orwells 'Animal Farm' (1945) was voor de Sovjet-poging om een aards paradijs van gelijkheid te vestigen, en 'Dr. Strangelove' (1964) voor de Koude Oorlog-illusie van de nucleaire almacht, dat was 'The Truman Show' voor de totalitaire greep die de entertainment-industrie op het dagelijks leven heeft gekregen.

Niet dat Peter Weir in 1998 met deze film het laatste woord heeft gehad. De wereld is onverkort verslaafd gebleven aan de voorstelling van zichzelf als een show - het lijkt wel alsof juist de intelligentste televisiemakers hun ziel het duurst hebben verkocht aan de duivel van het entertainment. Wijsheid is kennis geworden, schreef T.S. Eliot, en kennis informatie. En informatie, weten we nu, is entertainment. Zelfs een item over een geliefde popster die zelfmoord pleegde of over een prins die in coma lag wordt een soort columnistische kleinkunst, afgewisseld door profijtelijke, zelffeliciterende krokodillentranen.

Een zeldzaam frappant voorbeeld van entertainment tot in de dood was onlangs in 'De Wereld Draait Door' te zien. Aan tafel zaten niet alleen de side-kick en wat gasten, maar ook twee lijken. Echte, heuse, als een anatomische les half ontvleesd en soms tot op het skelet ontbeend. Ze waren volgens een geniaal procedé gebalsemd en in guitige poses neergezet, ik meen: die van pokerspelers. Ze maakten deel uit van een tentoonstelling van soortgelijke opgezette mensen ergens in Amsterdam.

Genodigd was iemand die erg enthousiast was over deze kunst (dood wordt kunst wordt guitig wordt entertainment). Hij had zich opgegeven bij de kunstenaar - hij wilde na zijn dood ook wel zo voortleven.

Het was een hilarisch gesprek, laat dat maar aan de gastheer over, die over zijn woorden buitelde van enthousiasme.

Er was aan de tafel niemand, niemand, die ook maar één seconde de indruk wekte te beseffen dat hij bij twee dode mensen aan tafel zat. Het was volstrekt verbijsterend. Vijf mensen zien op drie meter afstand twee doden en wijden geen enkel woord, geen enkele gedachte, aan de vragen die de scène opwierp: Wie waren deze twee mannen geweest? Welke dood zijn ze gestorven, welk leven hebben ze geleid, hoe hebben ze geheten, leeft hun moeder of hun kind nog?

Dat de dood entertainment is geworden - we wisten het, maar dat juist 'De Wereld Draait Door' er deze consequentie uit trok kwam toch als een verrassing. Het vermogen om in mensen, zelfs al zitten ze voor je, geen mensen meer te zien, om de gedachte aan hun ziel, hun lijden, hun sterven te verdringen, is - ook dat leert de geschiedenis - oneindig. De geeuwhonger naar amusement gaat letterlijk over lijken. En misschien is dat het onthutsende - dat je je eens te meer realiseerde hoe totalitair entertainment kan zijn: het taboeïseert elk beetje eerste ernst.

'The Truman Show' is gemaakt vlak voordat in 1999 de moeder van alle reality shows, 'Big Brother', zijn zegetocht over de wereld begon, en nadat de Nederlandse televisie een andere primeur had: de eerste televisionering van de euthanasie-dood van een terminaal zieke man. 'Dood op verzoek', heette die documentaire uit 1994.

Alles in deze documentaire draaide om dat ene shot: dat van de dodelijke naald die, voor onze ogen, in de arm van de hoofdpersoon gestoken werd. Die was echt, en er zijn ogenblikkelijk grote sommen gelds geboden, wereldwijd, om dat ene ogenblik van opperste realiteit, te mogen uitzenden in De Werelden Draaien Door van dat moment.

Het stond vast dat als het een fictieve scène was geweest, nagespeeld, dat er geen haan naar had gekraaid. Maar de regisseur had zijn zinnen gezet op het kraaien van hanen (dat heette toen: het brede maatschappelijk debat) en heeft de werkelijkheid moeten manipuleren om dit toppunt van werkelijkheid, van echte authenticiteit, op film te krijgen. Waarheid, denk ik dat hij het genoemd zal hebben - net als Christoph, de regisseur van het argeloze leven van Truman.

De stervende van de documentaire was overigens niet argeloos, ons is door de maker en de omroep bezworen dat hij zelf zijn hele sterven gefilmd wilde hebben, ik geloof zelfs dat dat op papier stond. Hoe dan ook - vanaf het moment dat de afspraak was gemaakt was er, zoals dat in scenario-kringen heet, een tijdslot. Een deadline, die gehaald moest worden. De arm, de naald. De stervensweken van de hoofdpersoon zijn gelijk op gegaan met het voorbereiden van het Terminale Shot, dat de ultieme ervaring van echtheid moest opleveren.

Die hang naar echt is inderdaad precies wat Christoph, de regisseur, om niet te zeggen: de god van de show met Truman in de hoofdrol, van kruin tot teen vervult. Zijn sleutelwoord is reality en hij pretendeert niets meer of minder dan de miljarden kijkers van zijn dagelijkse tv-show het echte leven voor ogen te toveren.

Christoph is evenzeer de hoofdpersoon van deze film als Truman, die wordt gespeeld door Jim Carrey. Carrey is soms even moeilijk te harden als een hersenbeschadigde Bonobo, maar niet in deze film. Een komiek is zo groot als zijn vermogen om de aan zijn kont hangende lach van zich af te schudden, zonder dat je het gevoel hebt dat hij nu eens drommels ernstig wil zijn.

Voor goed begrip van het verhaal: Truman heeft nooit toestemming gegeven voor de levenslange televisionering van zijn leven. Hij is de enige in Seahaven, zoals zijn stukje wereld heet, die niet weet dat zijn leven een show is. De enige ter wereld, welbeschouwd. Hij is de enige mens die door een corporatie is geadopteerd, wordt ergens gezegd. De camera van de echoscoop was meteen het eerste televisiebeeld van hem. Vijf alleenstaande moeders ('met ongewenste kinderen') waren in de race om het ene kind te leveren. En passant voorspelt de film de lucratieve waanzin rond het draagmoederschap dat inmiddels praktijk is geworden. En op zeker moment zegt Christoph dat het zijn ambitie is om 'de eerste conceptie van een mens live op televisie te vertonen'.

Bij mijn weten is die prognose nog niet uitgekomen, ondanks de wolk van penetraties waar we permanent drie muisklikken van verwijderd zijn. Wel staat vast dat er duizenden mensen klaar staan om, tegen ruime vergoeding (en misschien dat niet eens: tegen een Werelddraaitdoors minuutje roem) ook die act voor hun rekening te nemen.

Christoph wordt erg sterk gespeeld door Ed Harris. We krijgen hem pas na een uur voor het eerst echt te zien, maar als je de film herziet met de gedachte dat hij het eigenlijke drama doormaakt, dan komt het verhaal onder een nieuwe spanning te staan. Het komt erop neer dat alles van meet af aan door hem gezien wordt - we kijken point of view Schepper.

Je realiseert je ineens dat iedere camera die in de Truman Dome hangt een verlengstuk van Christophs ogen is, dat alles wat er gebeurt een reactie van hem genereert, en dat die reactie om te beginnen een camera-instelling is. Het gevolg van dit 'meekijken' is dat je je realiseert hoezeer naar een film kijken eigenlijk altijd de verwerkelijking is van een almachtsfantasie, een aartsverlangen: naar de alziende blik.

De filmkunst is beslist ook een theologie. Eigenschappen, of beter: vermogens die we aan God toeschrijven, om ons onszelf te kunnen voorstellen als door Hem gecreëerd, bedoeld, begrepen en vergeven, worden om zo te zeggen uitgeprobeerd in de bioscoop. Zonder dat we het met zoveel woorden beseffen worden we alziend gemaakt, krijgen we toegang tot verborgen gedachten, leren we de afloop kennen. En in Trumans geval kunnen we ons onophoudelijk de vraag stellen: als wat ik nu zie eigenlijk is wat de bedenker van dit alles ziet, wat wil hij dan?

Die vraag stellen we bij elk interessant kunstwerk - het is de vraag naar de bedoeling van de maker. Daarom hoeden belangwekkende kunstenaars zich er dikwijls voor om te zeggen wat ze bedoeld hebben - ze weten dat het veel belangrijker is dat de toeschouwer het zich afvraagt, dan dat zij het antwoord geven. Zo wordt de bedoeling van het maaksel van de toeschouwer. Vreemder nog: toen de makers het kunstwerk maakten stelden zij zich de vraag ook voortdurend, alsof dat waar ze aan bezig waren eigenlijk al bedacht was, door een bedoeler die, al even wijselijk, zweeg.

En dus verdriedubbelt in het geval van 'The Truman Show' de vraag zich. Zodra je doorhebt wat Truman (veel later) door zal krijgen, dat zijn leven van A tot Z geregisseerd wordt, vraag je je eerst af wat de bedoeling van dit leven is, en vervolgens, na de ontdekking, wat Christophs bedoeling met Truman is, en ten slotte, tijdens de schitterende confrontatie van Truman met zijn schepper, wat Peter Weirs bedoeling met Christoph is.

Natuurlijk, het is een satire, één van de raakste van zijn epoche. Maar het is ook een film over scheppen, maken, regisseren. Peter Weir bedoelt met Christoph wel degelijk zichzelf. Niet alleen door zichzelf als manipulator op de korrel te nemen, maar ook door Christoph voor te stellen als iemand die weliswaar bezeten is door macht - als cynische manipulator, en uitbater, en te gelde maker van 's werelds geeuwhonger naar entertainment, en die daarbij over lijken zou kunnen gaan ¿, maar die ook de grootste confrontatie aangaat die een maker kan aangaan. Want dat viel me bij het herzien het meest op: dat het initiatief tot de finale botsing - die in feite een strijd is ¿ door Christoph genomen wordt.

Er hangt onmiskenbaar een doem om Christoph. Het is alsof hij de hele onderneming op poten heeft gezet om uiteindelijk oog in oog, van aangezicht tot aangezicht, met zijn schepsel te staan. 'The Truman Show' is van een voorbeeldig volgehouden, Mozarteske lichtheid. Maar ik geloof niet dat ik de film het geweld van al te grote bedoelerigheid aandoe door te beweren dat Christoph de grootste en pijnlijkste overgangsrite van de film doormaakt. Eén die zelden verbeeld wordt - omdat de focus bijna altijd gericht is op de 'hoofdrolspeler', het 'slachtoffer' dat, als het erop aankomt, de zoon van het drama is, en vrijwel voortdurend in beeld: Christophs rite de passage is die van een vader die zijn kind moet loslaten.

Een overgangsrite is altijd ook: schellen die van de ogen vallen, de ontdekking van de onzekere wereld achter de beschermde realiteit waar je zeker van kon zijn. Tijdens de scena madre, zoals dat in de scenario-kunde heet, de grote confrontatiescène waar de film op aanstuurt, moet Christoph zijn script verlaten. Dat wordt mooi verbeeld in het laatste shot voor die scène begint - het bestaat uit niet meer dan Ed Harris die diep adem haalt - om zijn ene reuzenstap te zetten: naar de scène waarin zijn levenslange giga-scenario niet heeft voorzien.

De film blijft zijn toon behouden, heus, er is geen stijlvastere regisseur dan Peter Weir, aan agonie doet hij niet - in agonie voorziet de reeks ruimschoots, we never promised you a Truman Dome - maar dat we een grootmachtig beramer de stap in zijn afgrond zien zetten staat voor mij buiten kijf. En hij zet hem bewust, willens - en overtreft zich zelf, hij die geleefd heeft om zijn wil op te leggen aan Truman, aan de televisiekijkers, aan de wereld. Die, ook dat is ruimschoots gedemonstreerd, niets liever wil dan bespeeld worden, entertained, mortaal geamuseerd. Alles, als het maar niet de overgang is naar iets anders, onbekends, ongekends.

Willem Jan Otten is schrijver.

Te zien in de Balie:
27 februariThe Truman Show (1998, Peter Weir); 26 maartIl vangelo secondo Matteo (1964, Pier Paolo Pasolini) Jezusverfilming van controversiële regisseur kreeg destijds lof van het Vaticaan; 23 aprilStand van de maan (2001, Leonard Retel Helmrich) Documentaire over een Indonesische familie; jongen bekeert zich tot islam; 28 meiBad Lieutenant (1992, Abel Ferrara) Rechercheur loopt vast in verkrachtingszaak; 25 juniStalker (1979, Andrej Tarkovski) Hoofdpersonen dolen door een hermetisch afgesloten zone. Mythische klassieker.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden