Allemachtig...de koffiemok van de grote kunstenaar Phidias. Nader kun je hem niet komen. Het was alsof ik met hem in de rij stond in de kantine.

Kunt u één ding, een persoonlijk bezit aanwijzen dat uw leven weerspiegelt? Deze zomer laat Letter&Geest acht auteurs zoeken naar een betekenisvol object. Vandaag: Pieter Hoexum

Mijn ideale museum is een uitstalling. Maar veel musea willen een verhaal vertellen, veelal met gebruik van alle mogelijke technische snufjes. Vooral de niet-kunstmusea lijden aan dit euvel. Museumstukken dreigen illustraties bij een verhaal te worden.

Voor mij gaat er niets boven een ding in een vitrine. Dat is mij 'interactief' genoeg. Juist in de doodse stilte die deze dingen omgeeft wordt de geschiedenis hoorbaar. De objecten lijken even voor zichzelf te kunnen spreken en ook al blijkt dat een illusie, het is wel een hele aantrekkelijke. De dode dingen lijken bij uitstek in staat de geschiedenis tot leven te wekken. Dat ik ze niet in privébezit heb is geen probleem, integendeel, ik ben niet zo'n 'bezitter', eerder een bezoeker.

Zo liep ik in het museum in Olympia de beeldhouwer Phidias tegen het lijf, raakte ik in Wenen in een Beethovenmusem verzeild op de begrafenis van de componist en had ik vanuit het Teylersmuseum in Haarlem een overweldigend uitzicht op de Mont Blanc.

Het werk van Phidias, de grote Griekse kunstenaar, kennen wij slechts uit de tweede hand, van kopieën en beschrijvingen. Die beschrijvingen zijn zonder uitzondering lyrisch, met name die van Phidias' meesterwerk: een beeld van Zeus te Olympia, op de Griekse Peloponnesos. Het moet een overweldigende, adembenemende aanblik hebben geboden, alsof je oog in oog stond met de oppergod zelf. Het twaalf meter hoge beeld van goud en ivoor gold in de Oudheid al als een van de zeven wereldwonderen. Helaas: de tempel waarin het stond is een ruïne en van het beeld zelf is geen spoor teruggevonden.

Nadat ik de topstukken in het museum bij Olympia had bekeken, belandde ik in de zalen met het 'kleinere spul': vitrinekasten vol archeologische vondsten. Tussen dergelijke 'gevonden voorwerpen' waan je je al snel een jutter op het strand van de geschiedenis.

In een aparte vitrine stond een onooglijk, nogal beschadigd potje van zwart aardewerk in een houder boven een spiegeltje, zodat je gemakkelijk de onderkant van het kopje kon bekijken. Er waren Griekse letters in de onderkant gekrast: 'Pheidio Eimi', oftewel: 'Ik behoor Phidias toe'. Dit was de beker van Phidias geweest, waar hij voor de zekerheid maar even zijn naam in gekrast had.

Allemachtig...de koffiemok van Phidias. Nader kun je hem niet komen. Het was alsof ik met hem in de rij stond in de kantine. Ik kon nauwelijks de neiging onderdrukken over mijn schouder te kijken, waar ik Phidias vermoedde, loerend of niemand zijn mok zou pakken.

Opvallend genoeg wordt een dergelijk direct, haast schokkend contact met de geschiedenis meestal opgeroepen door een onopvallend en onnozel voorwerp. Dat maakt het des te sensationeler, in de woorden van Johan Huizinga een 'historische sensatie'. Huizinga gebruikte die term voor het eerst in een artikel uit 1920, over het Amsterdamse Rijksmuseum. Huizinga verzet zich in dat stuk tegen plannen om het Rijksmuseum te 'zuiveren' van museumstukken die geen of weinig artistieke waarden hebben, die zouden volgens sommigen beter tot hun recht komen in een apart Historisch Museum. Het Rijksmuseum zou dan een echt kunstmuseum voor esthetisch genot worden, terwijl het publiek in het Historisch Museum kennis kon vergaren.

Huizinga tekent principieel bezwaar aan tegen deze enge, zogenaamd wetenschappelijke opvatting van geschiedenis. Volgens hem draait het zowel bij kunst als bij geschiedenis, om genot. En het 'historische genot' sluit wetenschap juist niet uit, maar is er de bron van. In historische objecten wordt de geschiedenis letterlijk objectief, zonder dat dat ten koste gaat van subjectieve beleving.

Wat Huizinga betreft had Phidias niet eens zelf zijn naam in het kopje hoeven krassen, maar had het ook een willekeurige tijdgenoot kunnen zijn. Hij schrijft dat hij zelf veel historisch genoegen beleeft aan de gedetailleerde prenten van ene Jan van de Velde, hoewel die artistiek weinig voorstellen en ze ook weinig kennis opleveren. Toch kan het dat "zulk een historisch detail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een (lach niet) bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie."

Huizinga beschrijft hier fraai en vrijmoedig een 'historische sensatie' als een puur zintuigelijke ervaring, waarbij het verstand stil lijkt te staan. De naakte feiten lijken voor zichzelf te spreken, onweerlegbaar. Tegelijkertijd is niets minder waar. Alles hangt af van de verhalen die het object omgeven en van je geloof daarin.

In Olympia worstelde ik ondertussen met de behoefte iets tastbaars mee naar huis te nemen, geen souvenir, maar een echt 'gevonden voorwerp'. Voorzichtigheid was geboden, want ik wist dat geen enkel oudheidkundig voorwerp, hoe onnozel ook, het land mag verlaten. Dáár zijn de Griekse autoriteiten zeer strikt in. Maar ik moest en zou iets meenemen. Het werd een kiezelsteentje dat ik opraapte van het pad waar ooit de Griekse filosofen debatteerwedstrijden hielden, als cultureel nevenprogramma van de sportwedstrijden. Ik wist natuurlijk wel dat het een 'moderne' kiezelsteen was, maar ik had hem ten minste zelf, op de goede plek, opgeraapt. In mijn toilettas smokkelde ik de kiezel mee terug naar Nederland.

Veel plezier heb ik er niet van gehad. De glans was er eigenlijk meteen al af. Het steentje heeft nog een tijd in een vensterbank gelegen, belandde in een bureaula en raakte bij de eerste de beste verhuizing zoek. Wellicht zit hij in een van de nog steeds niet uitgepakte dozen die op zolder achter het luik staan. Zonder de context van een museum, zonder vitrine, stelt zo'n steentje weinig voor.

De gelijkenis met het relikwie dringt zich inmiddels op. Het gaat recht tegen mijn protestantse aanleg in, maar ik kan het niet ontkennen. Mijn museumbezoekjes zijn eigenlijk bedevaarten. Ik bezondig mij vaak en graag aan dergelijke 'afgoderij'. In Wenen was ik ooit op Beethoven-bedevaart: gedurende een week bezocht ik alle Beethovenmusea. En dat zijn er nogal wat, want Beethoven verhuisde vaak en veel van de door hem bewoonde appartementen en huizen zijn nu ingericht als Beethoven-Gedenkstätte. Ik heb ze allemaal bezocht, met hun vitrines vol zakhorloges, haarlokken, brillen en hoorapparaten (speciaal maar tevergeefs gemaakt voor de dove componist).

Hoogtepunt was een object dat tentoongesteld werd in een van de belangrijkste Beethoven-Gedankstätten, het Pasqualatihaus, dat Beethoven zo goed beviel dat hij er verschillende keren naar terug verhuisde (maar blijkbaar toch niet zo goed dat hij het er lang volhield). Daar bevinden zich ook enkele relicten uit het in 1903 gesloopte huis waarin Beethoven overleed, sindsdien het Beethoven-Sterbehaus. Pronkstuk is de voordeur van het sterfhuis. Eerst had ik helemaal niet door dat het een van de memorabilia was en hield het voor een gewone deur. Maar een tekstbordje verduidelijkte dat dit de voordeur was waardoor Beethovens lijk op 29 maart 1827, om half vier in de namiddag, was weggedragen om begraven te worden. En wat voor begrafenisstoet was dat wel niet geweest met naar schatting twintigduizend (!) diepbedroefde deelnemers.

In alle bescheidenheid, die uitstalkasten vol min of meer persoonlijke spullen doen je nog eens met andere ogen naar je eigen spullen kijken. Wat blijft er van mij over? Stel dat ik morgen, op weg naar de supermarkt, samen met heel Nederland bedolven wordt onder een metersdikke laag lava en as van een tot nu toe onbekende vulkaan. Heel Nederland een gigantisch Pompeï. Wat treffen de archeologen van het jaar 3011 aan, als ze bij mij zijn aangekomen? Waar zullen ze zich over verwonderen? De gevulde kiezen en kronen zullen ze toch wel begrijpen, maar hebben zij nog weet van sleutels of portemonnees? En wat maken ze van het muntje van 50 cent dat ik altijd in mijn broekzak bewaar voor het boodschappenwagentje?

Een waar bedevaartsoord is het Teylersmuseum in Haarlem: één grote, verrukkelijke, ouderwetse uitstalling. Het is het oudste museum van Nederland - het museum zelf is als het ware haar voornaamste stuk. Het is vernoemd naar Pieter Teyler van der Hulst, een vermogende doopsgezinde Haarlemse zijdefabrikant en bankier. Bij zijn overlijden liet hij een vermogen na dat volgens zijn testament onder andere aangewend zou moeten worden ter bevordering van de twee onderwerpen waar hij als man van de Verlichting het meest om gaf: kunst en wetenschap. Hij had zelf al een en ander op die gebieden verzameld en de uitvoerders van het testament besloten dan ook tot het oprichten van een soort studiecentrum. Achter Teylers woning werd een 'boek- en konstzael' gebouwd. Deze Ovale Zaal ging in 1784 open en is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven. Onlangs is hij fraai gerestaureerd.

Midden in de zaal staat een grote vitrinekast waarin allerlei geologische vondsten zijn uitgestald. Stenen, in alle soorten en kleuren en overal vandaan. De Ovale Zaal is inderdaad, zoals een pas verschenen boek heet, 'De hele wereld in een zaal'. Eén brok steen viel op door zijn onopvallendheid: gewoon een stukje donkergrijs steen. Maar het tekstbordje vertelde dat dit 'Het topje van de Mont Blanc'is.

Aan het einde van de achttiende eeuw heeft namelijk de Zwitserse natuuronderzoeker Horace-Bénédict de Saussure bij een expeditie naar de top van de Mont Blanc, waarbij hij wetenschappelijke metingen en proeven deed, het ook gewaagd een stukje steen van de top los te tikken en mee te nemen. Na De Saussure's dood kon het Teylersmuseum het brokstukje, samen met andere vondsten, uit zijn nalatenschap aanschaffen.

Het heeft iets ongepasts om dat stukje steen en andere De Saussure-vondsten nog steeds tentoon te stellen. Het zijn een beetje de Haarlemse Elgin Marbles. Maar zolang Italië en Frankrijk nog te druk zijn met ruziemaken over de vraag in welk van deze twee landen de top van de Witte Berg nu precies ligt, zal het met claims uit die richting wel loslopen. En het topje was het ook niet echt, het was het hoogste stukje ijsvrije rots dat De Saussure kon vinden, waar hij een stukje van los sloeg. Hij deed dat bovendien uit wetenschappelijke interesse. Om de ouderdom van de aarde te kunnen bepalen was hij op zoek naar de oudste steensoort en hij had de theorie dat in de Alpen de oudste aardlagen aan de top van de bergen gevonden konden worden. Deze theorie was al snel achterhaald, maar ondertussen is het Teylersmuseum toch maar mooi in bezit van 'Het topje van de Mont Blanc'.

De Saussure had dan wel een verkeerde theorie over de aardlagen, maar hij had tenminste een theorie. Hij noemde zichzelf dan ook terecht, als eerste, 'geoloog'. Als zodanig doorkruiste hij de Alpen en bedwong hij vele bergen. Vanaf 1779 publiceerde De Saussure rijk geïllustreerde reisverslagen: 'Voyages dans les Alpes'. Zestienhonderd kilometer noordelijker las in Koningsbergen een universiteitsprofessor die reisverslagen met rooie oortjes. Deze filosoof, Immanuel Kant, die erom bekend staat nooit een stap buiten zijn geboorteplaats te hebben gezet, had een zeer brede interesse en zag kans allerhande informatie van de buitenwereld te verzamelen.

In het begin van zijn academische carrière gaf Kant les in van alles, niet alleen filosofische vakken maar ook wis- en natuurkunde en zelfs geografie. Niemand kon zo levendig over verre landen en vreemde oorden vertellen als 'nestblijver' Kant. Hij gaf ook nog een blauwe maandag les in mineralogie en kreeg de universitaire verzameling stenen en mineralen onder zijn beheer. Wellicht begon hij vanuit die interesse te lezen in de reisverslagen van De Saussure. Maar hij vond daar veel meer dan geologie.

In zijn 'Kritiek van het oordeelsvermogen' (1790) citeert Kant De Saussure over het verhevene (sublieme) in de natuur. Dat is volgens Kant meer dan spanning en sensatie. Er zijn natuurlijk thrillseekers die daarom bergen beklimmen, maar erg 'verheffend' is dat niet. "De gestemdheid van de geest tot het gevoel van het verhevene vergt ontvankelijkheid voor ideeën." Kant laakt dan ook die onderzoekers die "zoals de meeste reizigers plegen te doen, zich louter uit liefhebberij in gevaren begeven, om er pathetische beschrijvingen van te geven". Maar zo'n onderzoeker was De Saussure juist niet, hij had volgens Kant "de intentie om de mensen iets te leren; de voortreffelijke man kon bogen op een zielsverheffende ervaring en gaf die de lezers van zijn reisverslagen op de koop toe."

Oftewel: De Saussure was een des te betere wetenschapper omdat hij zijn gevoel niet uitschakelde. Omdat hij menselijk bleef. En hij was een goed mens omdat hij niet louter op zijn gevoel afging, maar rationeel bleef. Je zou kunnen zeggen dat De Saussure hier voorbeeldig was voor het hele project van Kant, en dat was het verzoenen van verstand en gevoel. Kant was, kortom, wel een aanhanger van de Verlichting, maar bepaald geen Verlichtingsfundamentalist die deze doctrine beschouwde als een heilsleer die de mensheid zou verlossen van al het kwaad dat voorkomt uit onwetendheid.

Hoewel ik het Teylersmuseum hierboven beschreef als bedevaartsoord, bezoek ik het museum niet als 'gelovige'; ik bezoek het graag, maar niet uit 'vroomheid'. Eerder uit nieuwsgierigheid en zelfs sensatiezucht, en vooral uit genotzucht. Het stukje biotiet-graniet, het 'Topje van de Mont Blanc', levert een historische sensatie: je bént erbij, bij de beklimming van de berg door De Saussure in 1787. Je ziet door zijn ogen de Witte Berg en hebt een sublieme ervaring. Het stukje steen is als het ware een sleutelgat waardoor je een blik kunt werpen op de ontzagwekkende Mont Blanc. Een sublieme aanblik die mij zowel deed opleven als terugdeinzen.

Fotograaf Jörgen Caris van Trouw die mij thuis voor deze serie kwam portretteren, vertelde dat hij de volgende dag een afspraak had met het Teylersmuseum, om 'Het topje' te fotograferen. Hij mocht voor openingstijd langskomen en bood mij aan hem daarbij te vergezellen. Dan kon ik het stukje steen van heel dichtbij bekijken, misschien wel even aanraken en heel misschien zelfs even vasthouden. Dat was zeer aanlokkelijk, maar ik ben blij dat ik niet meegegaan ben. Het had waarschijnlijk alles verpest, alle magie rondom de steen was dan verdwenen. De illusie werkt alleen als het stukje steen veilig en wel achter glas ligt, in een vitrine, in de Ovale Zaal. Binnen handbereik en toch onbereikbaar.

Het Teylersmuseum te Haarlem wijdt in 2012 een expositie aan het 'Topje van de Mont Blanc', te zien van 29 mei tot en met 16 september. Info: www.teylersmuseum.eu of 023 5160960.

Ding topje van de Mont Blanc Materiaal biotiet-graniet Afmetingen 8 cm. hoog, de basis is 7 cm. breed Waarde n.v.t. Citaat'De illusie werkt alleen als het stukje steen veilig en wel achter glas ligt, in een vitrine, in de Ovale Zaal.'

Pieter Hoexum
Pieter Hoexum is filosoof, publicist en buitenwijkbewoner. Hij schrijft artikelen voor onder meer deze krant en Filosofie Magazine. Een serie artikelen over de dood in dat laatste tijdschrift leidde in 2003 tot het boek 'Gedenk te sterven. De dood en de filosofen.' Voor Letter&Geest schrijft Hoexum vaak over het leven in de buitenwijken, van vinex-locaties tot het nieuwe nostalgische bouwen. Momenteel verkent hij de vele facetten van de stoep. In 2012 zullen zijn 'Aantekeningen uit de buitenwijk' verschijnen bij uitgeverij Augustus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden