Allemaal allochtonen, ja gezellig

1976: Een Marokkaanse ¿gastarbeider, zoals dat toen heette, in de Amsterdamse Ferdinand Bolstraat. (Trouw)Beeld Hans van den Bogaard/Hollandse H

Een kwarteeuw geleden beschreef de nu heruitgegeven Halil Gür allochtonen nog als aardige gastarbeiders te midden van kille Nederlanders. Heeft deze ’eerste allochtone schrijver’ wel ooit iets gemeen gehad met schrijvers als Hafid Bouazza of Fouad Laroui?

Zo’n jaar of dertig geleden kon je in de Randstad wel vernemen dat de inwoners van de voormalige wingewesten Brabant en Limburg de instituties binnenmarcheerden. De zachte g, door Ons Soort Mensen beschouwd als teken van provinciale onbeschaafdheid, drong door tot in de opperste regionen van macht en aanzien.

Inmiddels praat niemand daar nog over, ook al delen Maxime Verhagen en Maria van der Hoeven aan het Binnenhof de lakens uit en staat Connie Palmen gereed om Hella Haasse op te volgen als de grande dame van de vaderlandse letteren. Nu maakt de heffe des volks, opgehitst door Wilders & Co, zich druk om het oprukken van andere nieuwkomers. Foei, een Marokkaan burgemeester van Rotterdam! Niet te geloven, een Marokkaanse directeur van de Euromast! Het heeft wel wat weg van de klaagzangen van Hans Janmaat, die ooit mopperde over de verkleuring van het Nederlands voetbalelftal.

Klachten over de verkleuring van de Nederlandse literatuur hoor je nooit en dat is maar goed ook. Toch zet men auteurs van allochtone afkomst graag apart, of ze dat nu willen of niet. Toen de CPNB in het kader van boekenweek 2001 de penvoerende nieuwe Nederlanders een opkontje gaf, liet Hafid Bouazza in zijn voor de gelegenheid geschreven essay ’Een beer in bontjas’ doorschemeren dat al die positief bedoelde aandacht ook stigmatiserend kan werken. Voor je ’t weet ben je geëtiketteerd als een niet onaardig schrijvende migrant en zit je gevangen in een benauwende identiteit. Het is dan maar te hopen dat je talent je de vleugels geeft om aan het stigma te ontsnappen.

De uit Turkije afkomstige Halil Gür (*1951) zit nog altijd in de kooi waarin zijn uitgever, de critici en het publiek (en niet te vergeten hij zelf) hem hebben opgesloten. Toen hij in 1984 bij de pas opgerichte, multicultureel bevlogen uitgeverij De Geus debuteerde met de verhalenbundel ’Gekke Mustafa’, werd hij geklasseerd als de eerste auteur uit een land dat tot dan toe bekendstond als grootleverancier van ongeschoolde arbeiders.

Zijn onderwerpen, gekozen uit de ervaringen van arme, illegale en naar huis verlangende gastarbeiders en gelukzoekers, sloten daarbij aan. In de verzamelbundel die bij Gürs 25-jarig schrijversjubileum verschijnt, schommelt de temperatuur gedurig tussen de ijzige kilte van het vreemdelingvijandige Nederland en de dierbare herinneringen aan het Turkije waar de verteller zijn jeugd heeft doorgebracht.

Echt verrassend was het indertijd al niet. Maar nu we een kwarteeuw verder zijn en de migrantenproblematiek zowel binnen als buiten de literatuur met veel meer nuances wordt bezien, doet Gürs weergave van discriminatie, uitbuiting en nostalgie clichématig aan. Zijn Turkse en Nederlandse personages zijn haast altijd ingedeeld volgens de scheidslijn sympathiek want zielig, versus bot, xenofoob en racistisch.

In de manier waarop Gür publicitair profiel krijgt, is nog altijd niets veranderd. De zoveel succesvoller en beroemder Kader Abdolah (ook uit de stal van De Geus) heeft voor het jubileumboek een voorwoord geschreven waarin hij zijn collega neerzet als de Johannes de Doper van de migrantenliteratuur.

Abdolah is wel zo vriendelijk om te zeggen dat hij Gürs werk met plezier gelezen heeft, maar hij prijst hem toch allereerst om de ’moedige poging’ waarmee hij destijds ’de weg vrijmaakte voor degenen die na hem zouden komen’. En hij vervolgt: „We kunnen Halil Gür niet vaak genoeg noemen en citeren om te bevestigen dat hij een pionier was aan wie we veel te danken hebben.”

Behalve het licht denigrerende gehalte van de huldebetuiging valt nog iets op. Abdolah manifesteert zich als de zelfbenoemde woordvoerder van de Nederlandse migrantauteurs. Het is de vraag of de door hem beoogde achterban blij zal zijn met inlijving in deze club. De diversiteit is immers groot. Zo heb je auteurs die met hun ouders uit Marokko zijn weggetrokken, hier hun scholing en vorming hebben ondergaan en op grond van individuele verdienste de literaire top hebben bereikt. Romancier Hafid Bouazza en dichter Mustafa Stitou hebben op een of andere manier de thematiek van migratie en vreemdelingschap aangeroerd, maar hun palet is daartoe niet beperkt gebleven.

Dan zijn er degenen die als vluchteling asiel kregen en schreven over de pikzwarte herinneringen aan hun land van herkomst, niet zelden met groot succes: de Iraniërs Kader Abdolah en Afshin Ellian, de Irakees Rodaan al Galidi, de Somalische Yasmine Allas en de Oegandees Moses Isegawa. In deze categorie bedienen sommigen zich van het Nederlands, anderen houden het bij een taal die ze als kind hebben geleerd en die hun uiteraard veel beter ligt. Van Gür en de inmiddels naar Oeganda teruggekeerde Isegawa wordt elke nieuw boek vertaald alvorens het hier wordt uitgebracht. Het werk van de Franstalige Fouad Laroui verschijnt zelfs eerst in Frankrijk en pas daarna bij een Nederlandse uitgever.

Vanwege zijn diverse hoedanigheden is Fouad Laroui niet zo gemakkelijk te plaatsen. Er is de Marokkaanse intellectueel die na zijn studietijd economie ging doceren aan de Vrije Universiteit. Er is de immigrant die in Nederland domicilie koos omdat onze ’prettig onverschillige tolerantie’ hem zo goed bevalt. Er is de essayist die zich even scherp als genuanceerd mengde in de islamdiscussie. En er is de spotlustige romancier die met evenveel leedvermaak als verbale virtuositeit zijn slachtoffers aan de pen rijgt.

In de laatstgenoemde kwaliteit leerden we Laroui kennen toen hij tijdens de boekenweek van 2001 werd gelanceerd als de zoveelste schrijvende allochtoon. Hij onttrok zich aan dat stereotype met de roman ’Judith en Jamal’, een satirieke herschrijving van ’Romeo en Julia’, waarin de hoofdrollen, heel pikant, waren weggelegd voor een Joods meisje en een Marokkaanse jongen. De personages spraken geen deftige taal, maar het slang van de straat en de gestampte pot. Zo veranderde een verheven drama in een soap.

Dat aan ’Judith en Jamal’ de nodige scherpe kantjes bleven vastzitten, was te danken aan Laroui’s ontvankelijkheid voor de stijl van Céline, de Franse schrijver die van het schelden en snieren een kunst maakte. De invloed beperkt zich niet tot de stijl. Laroui toont een zekere gretigheid om met olifantspassen door de multiculturele porseleinkast te stampen, op een manier die herinnert aan Céline’s gebrek aan eerbied voor etnische taboes.

Genoemde elementen keerden terug in ’Het tragische einde van Philomène Tralala’ (2003), een roman over een sexy, op Salman Rushdie gelijkende schrijfster van Marokkaanse afkomst, die na een komeetachtige opkomst even hard weer valt. Van hetzelfde recept is Laroui’s recente roman ’De rijkste vrouw van Yorkshire’. Hier botsen de culturen wanneer de hoofdpersoon, als gastonderzoeker werkzaam bij de universiteit van York, in de klauwen van een gewiekste en vulgaire Engelse vamp belandt en van haar en haar vrienden moet horen dat hij een onmogelijke alien is.

Spot en satire zijn Hafid Bouazza even vertrouwd als Fouad Laroui. Vanaf zijn debuut, de verhalenbundel ’De voeten van Abdullah’ (1996), tot en met de meesterlijke roman ’Paravion’ (2004), heeft hij daarvan ondubbelzinnig blijk gegeven. Daarom verwacht je van zijn ’Spotvogel’ getitelde nieuweling een reprise.

Niets is minder waar. Bouazza heeft ditmaal gekozen voor een melancholieke en introverte vertelling. Ik-figuur Hafid is in het midden van zijn leven in een donker woud terechtgekomen en probeert in zijn Marokkaanse bakermat Oujda tot rust te komen. Eenmaal daar wordt hij besprongen door herinneringen aan een liefdesgeschiedenis die in zijn tragiek wel wat weg heeft van het Romeo en Julia-gegeven dat we ook bij Laroui tegenkwamen.

In Bouazza’s oeuvre, dat zich zo mooi in opwaartse richting ontwikkelde, met ’Paravion’ als voorlopig hoogtepunt, markeert ’Spotvogel’ jammer genoeg een terugval. De melancholie gaat samen met een gemaniëreerd exotisme en een woordkunstige mooischrijverij die deze auteur al vaker in de weg zaten. Aan alles is te merken dat Bouazza verlost wil worden uit een fase die aanvoelt als een impasse.

Toch draagt dit nieuwe boek nog steeds het onmiskenbare cachet van Bouazza’s persoonlijkheid. Net als Gür heeft hij weet van de nostalgie, maar hij beschikt over voldoende ironische distantie om er niet zwelgend in onder te gaan.

Maar de echte spotvogel in het hier besproken trio is niet Bouazza, maar Laroui, al moet daar wel bij worden gezegd dat zijn grappen en stilistische brille het geringe soortelijk gewicht van zijn werk nauwelijks kunnen verhullen.

De hier geconstateerde eigenaardigheden en verschillen maken duidelijk dat zoiets als de Nederlandstalige migrantenliteratuur niet bestaat. Schrijvers zijn in de eerste plaats individuen, geen representanten van een met vaste kenmerken uitgeruste soort. Dat onze letteren meer oud-Marokkanen, geëmigreerde Turken en gevluchte Iraniërs tellen dan medio vorige eeuw, spreekt in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen vanzelf en is al evenmin iets om je over op te winden als het feit dat Vondel in Keulen werd geboren en Mulisch welbeschouwd een tweede-generatie allochtoon is. Het zijn burgerlijke-standbijkomstigheden die we, net als het accent van Verhagen, Van der Hoeven en Palmen, vooral als zodanig moeten behandelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden