Alleen schooltjes bouwen verbetert de wereld niet

Bevlogen particulieren steken graag de handen uit de mouwen in arme landen. Maar maakt het neerzetten van een school, weeshuis of kliniek mensen echt slimmer, gezonder en weerbaarder?

In de 58 jaar dat ze bestaat heeft Stichting Wilde Ganzen duizenden Nederlanders met geld en goede raad terzijde gestaan wanneer die een dorpsschooltje in Kenia wilden opzetten, een weeshuis in Ghana of een kraamkliniek in India. Maar nooit eerder vroeg Wilde Ganzen een wetenschapper de proef op de som te nemen: maken al die initiatieven van al die bevlogen particulieren op de lange termijn écht een verschil in de levens van de gemeenschappen die ze te hulp schieten?

Wilde Ganzen belooft dat wel. Wie een gift overmaakt aan de stichting draagt 'direct en blijvend' bij aan armoedebestrijding, schrijft ze op haar website.

Het zit ook in de hoofden van de Nederlanders die bij Wilde Ganzen aankloppen voor financiering, als ze hebben besloten hun ziel en hun vrije tijd te steken in hun eigen, concrete bijdrage aan een betere wereld. Door een directe nood te lenigen, zetten ze een vliegwiel in beweging, is de aanname. Een school, een waterput, een kliniek, een opvanghuis voor weeskinderen maakt mensen slimmer of gezonder of weerbaarder. Dus zijn ze beter af dan hun ouders, dus zullen ze meer verdienen en dus kunnen ze zich een brommer veroorloven of vaker een nieuwe jurk kopen. En zo profiteren niet alleen zij en hun families, maar ook de bromfietsdealer en de boetiekhoudster en hun families. En zo verdwijnt armoede stukje bij beetje uit de wereld.

'Héél spannend' was het, zegt Wilde Ganzen-directeur Klaas van Mill, om ontwikkelingsdeskundige Sara Kinsbergen van de Radboud Universiteit die aanname te laten toetsen. Met collega Christine Plaisier bezocht Kinsbergen 93 projecten die vijf, tien of vijftien jaar geleden met steun van Wilde Ganzen zijn opgezet, verspreid over Kenia, Ghana, Zuid-Afrika en India.

Staat die school er nog? En zo ja, krijgen er nog kinderen les? Dat wilde Wilde Ganzen weten.

Van Mill kan opgelucht adem halen. In 78 procent van de gevallen troffen Kinsbergen en Plaisier de school/de kliniek/het weeshuis inderdaad nog aan. En in 69 procent van alle gevallen werden die gebouwen nog gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. 'Super' noemt Van Mill het resultaat. "Wij rekenen met een levensduur van vijf jaar. Natuurlijk gaat een gebouw of een waterput langer mee, maar we willen niet te veel beloven. Dus waren we verschrikkelijk blij dat acht op de tien er nog staan. Maar dit onderzoek is ook een trigger: het kán beter."

Dat vindt ook Kinsbergen, zij het op een andere manier dan Wilde Ganzen. "Mijn zorg is niet: oei, er zijn projecten die het niet meer doen. Het is supertof dat 78 procent nog staat; het zou raar zijn als 100 procent nog functioneerde." Kinsbergen was vooral benieuwd of zo'n concreet project van stenen en cement dat vliegwiel aanjoeg en structurele verbeteringen teweegbracht.

Evaluatie

Want hoe logisch de aanname ook klinkt, ze klopt niet per se. Kinsbergen: "Wat als je wordt opgeleid in een omgeving waar niets te doen is? Daar sta je dan: met een diploma dat niets betekent, want er is geen werk. In dat geval leid je alleen gefrustreerde kinderen op."

Wat bleek: maar twee van alle ontvangende partijen - lokale organisaties in India, Zuid-Afrika, Ghana of Kenia die de projecten dagelijks runnen - houden hun resultaten bij en evalueren die ook. De meeste vinden hun werk geslaagd als ze voldoende mensen bereiken en hun project goed ligt onder de bevolking. Kinsbergen: "Al hadden ze heel goed door dat er soms een gat gaapt tussen de probleemanalyse en het project dat ze runnen, dat zich richt op directe hulp."

Willen ze dat gat dichten, dan is het risico groot dat ze op weerstand stuiten, zegt Kinsbergen. Soms van de Nederlandse initiatiefnemers, soms van donoren die het project met hun giften ondersteunen. "Zodra een project minder grijpbaar of politieker wordt, haken veel Nederlanders af", zegt Kinsbergen.

Zo wilde een weeshuis in Kenia niet langer alleen kinderen opnemen, maar ook grootouders aan huis ondersteunen zodat die hun verweesde kleinkinderen zelf konden opvoeden. Kinsbergen: "We geven liever aan een weeshuis, kregen zij te horen." Omdat de donoren achter de Nederlandse initiatiefnemer afhaakten, werd de hulp aan opa's en oma's afgeblazen.

Ook een straatkinderenproject in Ghana wilde de koers verleggen. We kunnen ze opnemen en onderwijs bieden, was daar de analyse, maar ze komen nergens zo lang ze het stigma 'straatkind' dragen. Dus wilde het project proberen de mening van de gemiddelde Ghanees te veranderen: straatkinderen zijn geen uitschot. En lobbyen bij de overheid, zodat die haar verantwoordelijkheid neemt. "Van Wilde Ganzen kregen ze daar geen geld voor. Elders wel, dus dit project ging door."

Haar conclusie: veel projecten zijn te afhankelijk van Nederland, en de Nederlandse voorkeur voor concrete projecten beperkt ze in hun mogelijkheid om structureel iets te veranderen.

Lobby

"Lobby en beleidsbeïnvloeding steunen wij van oudsher niet", reageert Van Mill. "Wilde Ganzen, dat zijn 35 man in een kantoor in Hilversum. Wij redden dat niet. Maar we schuiven daar wel in op." Zijn stichting biedt trainingen aan lokale organisaties om hun rechten te claimen bij de overheid. En met onder meer ontwikkelingsorganisatie ICCO vormt ze een alliantie voor lobby en beleidsbeïnvloeding, die net steun van het ministerie van buitenlandse zaken heeft gekregen. "Die alliantie heeft kantoren ter plekke, die kan helpen bij pleiten en beïnvloeden als daar behoefte aan is."

Blijft de weerstand van de Nederlandse initiatiefnemer en van al die kleine donoren die hun werk - direct of via Wilde Ganzen - steunen. Van Mill snapt Kinsbergens punt: "Nederlandse partners beginnen meestal als ze 45 à 50 jaar zijn en wat meer tijd om handen hebben. Die gaan vol passie aan de slag; als je ziet wat ze voor elkaar krijgen! En inderdaad: het grootste deel van hun investering stoppen ze heel concreet in stenen. Als het gaat om het teweegbrengen van structurele veranderingen, dan lopen zij niet altijd voorop. Overigens, wij geloven dat die stenen hard nodig zijn."

"Maar wij vragen altijd om een projectplan dat van de lokale organisatie komt. Het is hun pomp, hun school, hun weeshuis. En aan Nederlandse initiatiefnemers die zich bij ons melden vragen we: wat is je exitstrategie? Dat vinden ze een vreemde vraag. Wij zeggen: er mag best een plakkaat met je naam op de muur, maar zorg dat het project niet van jou afhankelijk is. Bouw je een school, zorg dan dat de overheid de lerarensalarissen betaalt. Dat is haar verantwoordelijkheid."

Nog een omslag van recente datum: ongeveer een derde van de projectkosten mag op aan het trainen van lokale partners, zegt Van Mill.

In de 'opvoeding van de donor' die Kinsbergen bepleit, ziet Van Mill een rol voor Wilde Ganzen weggelegd. Al weet hij dat het lastig is. "Daar ligt een spanningsveld. De donor geeft het liefst voor iets tastbaars. Al het andere wordt geassocieerd met de strijkstok."

Om de afhankelijkheid van Nederland te verminderen, helpt Wilde Ganzen initiatiefnemers om ook in het land van bestemming fondsen te werven. "Driekwart van de 63 landen waar wij actief zijn is een middeninkomensland. Daar zijn geldstromen aan te boren." In 2014 deden 200 projecten dat, tegen 330 die louter op Nederlands geld dreven. "In Malawi of Somalië moet je het niet proberen, maar wie weet, op termijn wel."

Jan van der Steen, Stichting Kansarmen Sri Lanka

"In januari 2005 zou ik sportactiviteiten geven op een school in Sri Lanka. In december kwam de tsunami. Die plaatste alles in een ander daglicht. Ik kon niet met lege handen komen, en verzamelde zo 10.000 euro.

"Ik ben zo'n vijf weken opgetrokken met een chauffeur, Chaminda Fernando. Een man met grote mensenkennis. Er was meteen een klik. Eerst heb ik vissers geholpen aan de kust, daarna zijn we het binnenland in gegaan. Daar hebben we, op een schooltje, stromend water aangelegd.

"Ik ben weg- en waterbouwkundige. Na wat ik daar zag, heb ik mijn baan opgegeven en een stichting opgericht gespecialiseerd in water en sanitatie. Kinderen hier hebben stromend water, waarom kinderen daar dan niet?

"Twee keer per jaar reis ik naar Sri Lanka. Dan bezoeken Chaminda en ik scholen, weeshuizen, bejaardenhuizen soms. Het eerste half uur kijken en luisteren we. Dan hebben we alleen maar vragen. Want een wc'tje bouwen is simpel, water is ingewikkelder. Hoe diep moeten we boren, kunnen we voldoende oppompen, hoe is de kwaliteit? Ik heb zoveel putten gezien die in het droge seizoen maanden droogstaan. Zonde!

"En we vragen het schoolhoofd: wat doe je als er iets kapotgaat? Want als alles is aangelegd, kan hij nog advies krijgen, maar wij geven er geen cent meer aan uit. We hebben 130 projecten gedaan in vijf provincies en zijn nu bezig de overheid te betrekken. Dat heb ik niet meteen gedaan. De overheid vertrouwt je niet, die heeft slechte ervaringen, dus die houdt je nauwlettend in de gaten. Wij hebben onze westerse kijk. Sommige dingen pikken wij op van hen, andere dingen leren zij van ons."

Marjan Sluiter, Stichting Lusekelo Zambia

"Mijn dochter trouwde in 2001 met een Zambiaanse man. Na de bruiloft ging ik met familie en vrienden op rondreis. Onderweg spraken een paar vrouwen die ons bedienden ons aan. Ze hadden gehoord dat mijn vriendin Claudia de Raadt en ik in het onderwijs werkten. Hun kinderen moesten zeven kilometer lopen om op school te komen. Die gingen om vijf uur 's morgens van huis. Of wij wilden helpen bij de bouw van een schooltje.

"In 2004 stond het er: twee lokalen, gebouwd door vaders en bestierd door twee moeders, onder wie Judy Tembo. Zij heeft het project al die jaren getrokken, ik vertrouw haar volledig en ze heeft dat vertrouwen nooit beschaamd.

"Al snel meldde zich een inspecteur van onderwijs. Die zei: en dan legt u daar een sportveld aan, daar komt de waterpomp en daar het huis voor een leerkracht. Hij zag ons als donateurs, maar ik dacht: kip, ik heb je! Moet Zambia dat niet zelf doen, hebben wij geantwoord. We sloten een deal. Wij zorgden voor de pomp en het huis, dan zou hij een leerkracht sturen. Heel mooi, want betrokkenheid van de overheid is de beste waarborg voor een project.

"Er staan nu negen lokalen, er zijn tien betaalde leerkrachten en 679 leerlingen. Sinds juni vorig jaar is het een overheidsschool. Ze hadden het ons willen laten uitbreiden met een middelbare school. Maar dat is aan hen. Ik heb er jaren met hart en ziel aan gewerkt, ben altijd van de mensen uitgegaan. Ik heb nooit iets voor ze bedacht."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden