Alleen Santo Domingo liet nog Joden toe

Het was de bedoeling dat zich honderdduizend Duitse Joden, op de vlucht voor Hitler, zouden vestigen in de Dominicaanse Republiek. Het werden er 750. Er is nog een handjevol over.

Frans Schrijver

Eind jaren dertig was de Dominicaanse Republiek het enige land dat Duitse Joden wilde opvangen. In Sosúa, tussen de palmbomen en discotheken, woont nog altijd een handvol.

De 98-jarige Luis Hess, geboren in Erfurt, was een van de eerste Joodse vluchtelingen die in Sosúa aankwamen.

„Ik wist niets van de Dominicaanse Republiek maar ik werd uitgekozen omdat ik talen had gestudeerd en Spaans sprak. Ik werkte in Sosúa als tolk voor de vluchtelingenorganisatie en gaf ’s avonds Spaanse les aan de Joodse kolonisten”, vertelt Hess.

In 1938, toen de Jodenvervolging in Duitsland en Oostenrijk al in volle gang was, organiseerde de Amerikaanse president Roosevelt een internationale conferentie in Evian in Frankrijk om een oplossing te zoeken voor de vele Joodse vluchtelingen.

Maar al snel bleek dat geen enkel land hen wilde. Alleen de Dominicaanse Republiek, in die tijd met harde hand geleid door de dictator Rafael Trujillo, bood aan maar liefst honderdduizend Joden op te vangen. Trujillo was even racistisch als Hitler.

Nog in 1937 had hij opdracht gegeven twintigduizend donkere Haïtiaanse immigranten te vermoorden. De rabbijn van Sosúa, Oiski Ghitis, is duidelijk in zijn oordeel: „Trujillo nodigde de Europese Joden uit omdat hij het land blank wilde maken.”

Maar die verklaring is omstreden. Waarschijnlijker is dat Trujillo na de slachtpartij tegen Haïtianen zijn internationale imago wilde opvijzelen. „Hij was een racist maar wat ook zijn motieven waren, hij heeft ons gered, we hebben ons leven aan hem te danken”, zegt Hess.

Het is geen onderwerp waarover de Joodse gemeenschap van Sosúa graag praat. Net als over het feit dat veel meer Joden gered hadden kunnen worden, als de Joodse vluchtelingenorganisatie niet zo streng had geselecteerd op geschiktheid voor een boerenbestaan in de tropen.

Van het plan om honderdduizend vluchtelingen te herbergen kwam weinig terecht maar tussen 1940 en 1942 vestigden zich toch ongeveer 750 Joden in de Dominicaanse Republiek. Nog eens zo’n vijfduizend vonden op een Dominicaans visum elders een veilig heenkomen.

De kolonisten belandden midden tussen de bananenplantages en kregen per gezin een stuk land, tien koeien, een ezel en een paard.

Het was voor de meeste jonge, uit Europese steden afkomstige vluchtelingen een schok om plots in de tropen van landbouw te moeten leven. „Velen konden zich niet aanpassen. Er was geen cultureel leven, het was erg warm, de huizen waren primitief”, aldus Hess.

In het begin was de Joodse kolonie in Sosúa als een kibboets georganiseerd, met een collectief zuivelbedrijf en een worstfabriek. „Maar dat werkte niet, kolonisten kregen ruzie, sommigen werkten harder dan anderen. Later werd het per gezin georganiseerd. Ook ik kreeg een boerderij en ik richtte een school op voor de kinderen van de gemeenschap”, zegt Hess.

De school bestaat nog steeds en is in 2001 naar hem vernoemd. Tegenwoordig zijn bijna alle leerlingen Dominicaans. Er zijn nog maar een paar Joodse families over in Sosúa en een handvol van de oorspronkelijke vluchtelingen.

De meesten verhuisden in de jaren vijftig en zestig naar de Verenigde Staten, vanwege het isolement en de primitieve omstandigheden en op zoek naar Joodse huwelijkspartners. Hess trouwde een Dominicaans meisje en bleef.

Sosúa bleef lang een kleine Joodse gemeenschap, tot de opening van een internationaal vliegveld vlakbij in de jaren tachtig. Nu is het een toeristenplaats met Duitse schnitzelrestaurants, Britse pubs en een Hollands café: Zeezicht.

„Sosúa is geen Joodse kolonie meer. Ik vond het vroeger beter, het is niet ten goede veranderd”, vindt Hess. „Er komen vooral veel goedkope toeristen.”

Oisiki Ghitis leidt nog altijd een keer per maand een sjabbatdienst in de kleine houten synagoge van Sosúa: „Er zijn ook nieuwe Joodse migranten hier, gepensioneerden of soms mensen van de tweede of derde generatie, die zijn teruggekomen.” Maar de komst van nieuwe Joodse inwoners gaat niet snel genoeg om een Joodse gemeenschap in Sosúa in stand te houden.

„Ik hoop dat de Joodse gemeenschap van Sosúa blijft bestaan”, zegt Ghitis. „Ik kwam hier om een persoonlijke ambitie te vervullen, om de vlam brandend te houden in Sosúa.”

Maar de realiteit is dat de oorspronkelijke kolonisten elkaar bijna even vaak treffen bij de Joodse begraafplaats als in de synagoge.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden