Alleen Oostenrijkse architektuur worstelt niet

'Sehnsucht nach Glück' is nog tot 3 december iedere dag (behalve maandag) te zien van 10 tot 19 uur in de Schirn Kunsthalle Frankfurt. Woe en do is het museum op de Römerberg tot 22 uur open. De hedendaagse Oostenrijkse architectuur dagelijks (behalve maandag) tot 14 januari 1996 te zien. Het Architectuurmuseum aan de Schaumainkai 43 in Frankfurt is van 10 tot 17 uur geopend. Op woensdag tot 20 uur.

Dat Oostenrijk worstelde en worstelt met de eigen identiteit en dat dat weemoed en verlangen met zich meebrengt, blijkt in Frankfurt niet alleen uit de literatuur die zich op de beurs aanbiedt. Ook in de Schirn Kunsthalle waar ter gelegenheid van de Buchmesse beeldend kunstenaars van de Weense Secession worden gepresenteerd, zijn sporen van het gezoek en geworstel te vinden. De expositie die 'Verlangen naar geluk' heet, omvat een grote verzameling van werken van Gustav Klimt, Egon Schiele, Oskar Kokoschka, Edvard Munch en Auguste Rodin. Maar ook is veel werk van tijdgenoten tentoongesteld.

De titel 'Verlangen naar geluk' geeft al aan dat het geluk ver te zoeken is. De dromen en de gedachtes aan een betere wereld worden ontwikkeld in een wereld - in dit geval Oostenrijk - die volgens de kunstenaars verbetering behoeft. Enerzijds was het de behoefte van de kunstenaars, die zich onder aanvoering van Gustav Klimt in de 'Vereniging van Oostenrijkse beeldend kunstenaars-Secession' organiseerden, zich tegen de schijnheiligheid van het traditionele Oostenrijkse naturalisme te keren. En blijkbaar is voor een ware revolutie in de kunst ook een vrije blik op de horizon nodig want een radicale ommezwaai is het natuurlijk nooit geworden. Het werd een romantisch realisme, geënt op de internationale Jugendstil.

Maar wat er natuurlijk anderzijds wel veranderde was de kijk van de kunstenaars op de werkelijkheid. Liever gezegd: de objectieve werkelijkheid was niet meer van belang. Bij Klimt bijvoorbeeld is niet zozeer het verlangen naar geluk zelf thema van de schilderijen, Klimt spiegelt ons zijn paradijs voor. De dromerige, kleffe romantiek van zijn schilderijen doet het ergste vrezen over de toestand waarin de maker verkeerde. Zijn gezwijmel doet het niet voor niets goed op reprodukties in kapsalon en beauty-farm.

Maar ook bij tijdgenoten als Anders Zorn en Lovis Corinth wordt veel gedroomd. De vrouwen hebben perzikhuidjes en verkeren in blakende, aanlokkelijke welstand. Het licht is mooier dan het in werkelijkheid kan zijn en de bloemen zijn allerminst verlept. De vrouwen zijn er helemaal klaar voor, de schilder hoeft alleen zijn hand uit te strekken.

Bij Oskar Kokoschka zijn de vrouwen en meisjes er slecht aan toe. Zijn 'Moeder met kind' uit 1908 zien eruit alsof ze beiden aan een drugsverslaving ten onder zullen gaan. Egon Schiele liet van zichzelf geen opwekkend beeld achter. In talloze onmogelijke standen portretteerde hij zichzelf voor de spiegel. Zijn gezicht is uiterst gekweld, niet minder zijn lichaam. Zijn vrouwen zijn er ook helemaal klaar voor alleen zal niemand ze met een vinger willen aanraken, zo onsmakelijk liggen ze erbij. Bovendien kijken ze niet halsreikend naar de geslachtsgemeenschap uit. 'De omarming' die Schiele van hemzelf en zijn vrouw Edith schilderde, is nog het meest liefdevol. Er is weliswaar geen sprake van enige hartstocht, maar man en vrouw koesteren elkaar.

Vrouwen, erotiek, de dood en het leven als sprookje. De Oostenrijkse kunstenaars uit het begin van deze eeuw varieerden eindeloos op deze thema's of een combinatie van meerdere. Kennelijk schuilt het verlangen in de strijd tussen de sexen en de onbereikbaarheid van de gelukkige liefde. Dat past natuurlijk mooi in de tijd. Ook Freud was een Oostenrijkse tijdgenoot.

Dat de lucht in Oostenrijk nog steeds niet is opgeklaard, blijkt weer op de Buchmesse. De Oostenrijkse schrijvers zoeken nog steeds, zij het niet zozeer naar liefde en geluk. De schrijver Robert Menasse, die de Buchmesse mocht openen, zoekt bijvoorbeeld in zijn essay 'Het land zonder eigenschappen' veel meer naar het wezen van het Alpenland. “De Oostenrijkse identiteit”, zo schrijft Menasse, “is een begrip dat iets weg heeft van een donkere en muffe kamer, waar men het liefst de gordijnen zou openschuiven en de ramen zou openen om er wat licht en lucht binnen te laten.” Ja, als het zo eenvoudig was. Je kunt in Oostenrijk natuurlijk wel een raam openzetten, maar als daar nog steeds een berg voor staat?

Het overzicht van hedendaagse Oostenrijkse architectuur dat het Duitse Architectuur Museum in Frankfurt vanaf vandaag laat zien, geeft meer hoop voor het land. Het is duidelijk dat er na het chalet en de Weense slagroomtaartenbarok nog meer is gebouwd. Adolf Loos was, met zijn heldere vormen, beslist geen zwartgallige dromer. En de hedendaagse architecten Peichl en Hans Hollein, die in Frankfurt het Architectuurmuseum en het Museum voor moderne kunst bouwde, evenmin. Alleen het opmerkelijke bureau van Coop Himmelb(l)au met zijn deconstructivistische bouwsels probeert ons een andere wereld voor te spiegelen dan die we gewend zijn. Maar deze vervreemdende stijl is allerminst in Oostenrijk uitgevonden. De architectuur toont zich internationaler.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden