Alleen het donker is eng

De 26-jarige René Ruitenberg debuteert vandaag in de Elfstedentocht, zijn dertien jaar oudere broer Henri doet alweer voor de derde keer mee. In 1985 werd de oudste Ruitenberg in de sprint verslagen door Evert van Benthem, in 1986 finishte hij als negende. Zowel Henri als René, klassementsleider van de KNSB-Cup op kunstijs, gelden als kanshebbers voor de zege in de vijftiende Elfstedentocht. Zij hebben zich voorgenomen de tocht samen uit te rijden. “Ik neem die ouwe aan een touwtje mee”, grinnikt Henri.

NICOLIEN VAN DOORN

De korte woordenwisseling is typerend voor de beide broers. De jongste Ruitenberg stelt zich op als het lefgozertje, dat wel even zal laten zien wie hij is en wat hij kan. De oudste Ruitenberg luistert, een geamuseerde glimlach om de lippen, naar de woordenstroom van de branie en werpt er af en toe een relativerend zinnetje tussendoor. Als hij de kans krijgt, tenminste. Want René mag dan helemáál niet zenuwachtig zijn, hij ratelt wel verdacht veel voor iemand die de kalmte zelf is.

Al sinds woensdagavond denken de gebroeders Ruitenberg aan niets anders dan aan de Elfstedentocht. Om precies te zijn: vanaf het moment dat bekend werd dat er donderdagochtend een persconferentie zou worden gehoudenh. “Toen wist ik dat hij zaterdag verreden zou worden, en niet maandag”, zegt Henri. “Ik ben meteen aan de slag gegaan en had binnen drie kwartier alles klaar staan.” En terwijl de meeste marathonschaatsers zich donderdagochtend op het ijs van Maasland afbeulden, reisden de Ruitenbergjes met de rest van de Wehkampploeg af naar Friesland. Ze nestelden zich in een een motel in Hardegarijp en verkenden het traject tussen Leeuwarden en Sneek, dat in het donker wordt gereden. Gisteren inspecteerden ze het stuk van Bartlehiem naar Dokkum. En kwamen tot de verheugende conclusie dat het ijs goed is.

Goed beslagen ten ijs komen, die uitdrukking bestaat niet voor niets. Zeker voor de Elfstedentocht is een goede voorbereiding en begeleiding van groot belang, weet Henri uit ervaring. “Als je je daar ook nog zenuwachtig om moet maken, is het nog veel erger dan het al is.” Over de verzorging hebben hij en zijn ploeggenoten bepaald niet te klagen. De begeleiders van de Wehkampploeg, waarvan hij met René, Haico Bouma en Edward Hagen deel uitmaakt, hebben aan alles gedacht. Langs het parcours staan veertig mensen, in blauwwitte Wehkamp-kleding, klaar met proviand en reservematerialen. Om de 20 kilometer staat er een vrachtwagen waar de rijders verzorgd kunnen worden, om de 50 kilometer krijgen ze droge handschoenen en een droge muts aangereikt. Op slechte plekken, waar de kans bestaat dat de schaatsen kapot gaan, worden extra schaatsen neergelegd. “Als een rijder een keer overslaat, weet hij dat er 20 kilometer verder weer een verzorgingspost is”, vertelt ploegleider Jan Wiebe Last, die die evenals de schaatsers voor drie jaar getekend heeft bij de Wehkamp-ploeg, en die geassisteerd wordt door Dries van Wijhe.

Het rugzakje van de schaatsers is gevuld met roggebrood, ontbijtkoek, thee, vloeibare energievoeding en müslirepen. “En bij Bartlehiem krijgen we op de heenweg jügermeister met cola”, knipoogt René. “Je mag zelf weten of je dat neemt. Het ligt er maar net aan hoe je je voelt.”

Vanochtend om twee uur zijn de vier schaatsers hun bed uitgekomen, hebben een bord spaghetti naar binnen gewerkt en zijn vervolgens naar Leeuwarden vertrokken. “En als we daar om half vier binnenkomen, denk ik dat we nog niet eens de eersten zijn”, grinnikt Henri. “Maar je moet vooraan staan. Wie als een van de eersten op het ijs staat, heeft het voordeel dat hij geen risico's hoeft te nemen. Daar heb je de hele wedstrijd voordeel van. Als je daarentegen als nummer 300 vertrekt, is nummer één al twee minuten weg als jij aan de beurt bent. Dan red je het niet, die achterstand maak je niet meer goed.” De wachttijd in de kooi komen ze wel door. “Er zijn vissersstoeltjes voor ons geregeld”, weet René. “En we hebben zelfs iets bij ons waarin we kunnen poepen en piesen.”

Om half zes worden de ongeveer 300 wedstrijdrijders losgelaten uit de kooi. Voordat ze bij de Zwette zijn, waar ze de schaatsen kunnen onderbinden, moeten ze eerst nog 1900 meter hardlopen. Tot acht uur, bijna de helft van het traject, schaatsen ze vervolgens in het pikkedonker. Dat is het enige waar ze bang voor zijn. “In het donker rijden is gevaarlijk”, zegt Henri. “De beide vorige keren hadden we geen last van de duisternis. In '85 reden we zorgeloos, omdat het ijs goed was. In '86 waren er veel scheuren, maar toen scheen de maan volop. Deze keer staat er geen maan en zal het dus extra donker zijn. Je moet geluk hebben, wil je de eerste uren doorstaan. Je kunt zo vallen dat je de schaatsen heel houdt, maar je kunt ook zo vallen dat de punt eraf breekt. We nemen zaklantarens mee, maar of dat genoeg is? Eigenlijk kun je pas na 90 kilometer, als het licht wordt, opmaken hoe je ervoor staat. Want je kunt wel denken dat je voorop rijdt, maar in het donker weet je dat nooit zeker. Het kan best zijn dat er nog een groepje voor je zit.”

Aan ploegentactiek doen ze deze keer niet. “We rijden twee aan twee”, zegt René. “Henri en ik gaan in combine, Haico en Edward ook. Je moet elkaar niet steeds hoeven aankijken met zo'n blik van: wie gaat er? Ik denk dat de andere ploegen ook niet aan ploegentactiek doen. De individuele belangen zijn toch groter. Al ligt dat bij Henri en mij natuurlijk anders. Wij rijden voor elkaar, omdat we broers zijn. Dat is een instinct. Ook al wil ik het niet, dan doe ik het nog.” Henri knikt instemmend: “Wij hebben als enigen het grote voordeel dat we broers zijn. Wij hebben wat voor elkaar over. Ook al omdat het ons niet zoveel uitmaakt wie van de twee wint. Als René wint, pik ik daar toch wel een graantje van mee. En als ik win, heeft René daar weer voordeel van.”

Binnen hun ploeg is Henri de enige 'veteraan'. “Ik weet waar de knelpunten zitten en waar je vooraan moet zitten. Omhoog naar Dokkum, daar vallen de klappen. Daar heb je wind tegen en moet je aanzetten. Ik heb er altijd voor gezorgd dat ik het parcours goed in mijn hoofd had zitten. In '85 vroeg Kooiman mij drie kilometer voor de streep, hoe ver het nog was. Dat weet ik niet, zei ik. Maar natuurlijk wist ik dat best.” René was veertien toen hij zijn broer op een haar na de Elfstedentocht zag winnen. Tot aan dat moment had hij zich uitsluitend met voetballen bezig gehouden. Hij speelde bij de zaterdaghoofdklasser OWIOS in Oldebroek en kreeg zelfs een aanbieding van de eerste divisieclub Go Ahead Eagles. Die sloeg hij af. “Op zondag sporten, daar waren mijn ouders op tegen.”

Door het eerste Elfstedentocht-succes van zijn broer is hij gaan schaatsen. Een jaar lang combineerde hij voetbal en schaatsen, maar toen zijn trainer hem dwong te kiezen, besloot hij zich op skeeleren en schaatsen te richten. “En daar heb ik tot vandaag geen spijt van gehad”, zegt de Oldebroeker. “Vooral nu er eindelijk weer een Elfstedentocht is.” En als die nu eens op een zondag was gehouden? “Dan denk ik dat ik hem gereden had. Ik ben marathonschaatser, ik leef ervoor. Als ik geen Elfstedentocht gereden heb is mijn carrière niet vol.” Zijn liefde voor de tocht der tochten gaat zo ver, dat hij vorig jaar zelfs zijn huwelijk ervoor zou hebben uitgesteld. De huwelijksdatum was vastgesteld op 23 februari, op de uitnodigingskaarten stond: Bij Elfstedentocht geen huwelijk.

De broers rijden uiteraard voor de winst, maar zijn met minder ook tevreden. “Winnen is natuurlijk heel mooi”, zegt René, “maar meedoen ook. Ik denk er wel eens aan hoe het zou zijn als een van ons de Elfstedentocht zou winnen. We hebben al met elkaar besproken wat we met al dat geld zouden doen. Ik zal blij zijn als ik mijn huisje vrij heb en te eten en te drinken heb, en ben niet te beroerd om het een en ander aan goede doelen weg te geven. Je kunt toch niet meer dan het opmaken.” Henri drukt zich nog duidelijker uit: “Je kunt zóóó'n dikke sigaar roken, maar hij kan toch nooit dikker zijn dan je mond wijd is.”

Volgens de oudste Ruitenberg zijn er een stuk of twintig kanshebbers voor de eindzege. “Verduin, Hulzebosch, Huitema, Stam, Angenent. Jan Kleine kan een goeie dag hebben en Jan Bakker is een gevaarlijke outsider. Henk van Benthem valt tot nu toe tegen. Hoewel hij en zijn broer steeds beter worden, naarmate de anderen inzakken.” De jongste Ruitenberg wenst op deze opsomming een correctie aan te brengen: “Verduin is geen kanshebber, denk ik. Hij had in Ankeveen een onbenullige superdag, die kan hij zo kort daarop niet nog een keer krijgen.”

Hoe vinden ze het dat ze zelf als een van de kanshebbers worden beschouwd? Bij hoge uitzondering doet René Ruitenberg er het zwijgen toe. Henri voert het woord: “Daar ben ik heel nuchter onder, het legt geen extra druk op me. Ik ben al blij als voorin mee kan rijden. Wat zeg je, heb je 25 gulden op me gezet? Jammer, die had je beter aan mij kunnen geven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden