Alleen geloven is niet voor bange mensen

Er is moed voor nodig om in je eentje te geloven, en ook nog in iets anders dan in de rede. De solo-religieuzen staan los van het barbecue-christendom, maar de gemeenschap is wel een van hun zwakke plekken: daar zijn ze wèl bang.

door Govert Jan Bach

De discussie over het fenomeen der solo-religieuzen is losgebarsten. Op 8 november werd er over gediscussieerd in de Rode Hoed. Anton van Harskamp, hoogleraar religie en identiteit bij de VU reageerde in Trouw van 15 november en haalde de solo-religieuzen als eerste door de scan. Wat resulteert is een heldere diagnose. In de laatste alinea heeft hij het over een antichristelijke spits, waarmee hij wil aangeven dat het denken van de solo-religieuzen zich niet goed verhoudt met het christelijke erfgoed. Hij bedoelt waarschijnlijk meer een anti-kerkelijke spits, want het is nog maar de vraag of onze solo-religieuzen niet een heel end op weg kunnen met Jezus, die ongetwijfeld ook een mysticus was en een soort solo-religieus.

Waar ze wars van zijn is: kerkelijkheid en niet: spiritualiteit. Als ze ergens bang voor zijn, dan is het wel de geborneerdheid en angstvalligheid van het kerkelijke en theologisch gefundeerde christendom. Dan schuift Van Harskamp Willem Jan Otten naar voren als iemand die niet bang is. Maar het is ten ene male duidelijk dat deze fijnbesnaarde schrijver op zijn zoektocht in de r.-k. kerk een huis voor zijn existentiële angst heeft gevonden. De veilige muren van de kerk, haar moraal en de structuur van de liturgie bieden hem houvast. Dat klopt, het motief dat als een rode draad door de hele bijbelse geschiedenis loopt is dat van het 'vreest niet' van het het kerstverhaal. Otten en velen met hem mogen hun angst op hun manier proberen te bezweren, daar kan alleen de psycholoog van zeggen of het afweer- of copingmechanisme is. Maar om de solo-religieuzen naar voren te schuiven als bang, vind ik een wonderlijke manoeuvre. Het zijn juist de individuen die niet wegvluchten in de veilige armen van kerk en geloof. Met de solo-religieus bij uitstek, Kierkegaard, trotseren ze in hun eentje de eenzame en woeste hei. Het zijn in feite de helden van Nietzsche die zich niet onderwerpen aan de makkelijke slavenmoraal van de afhankelijkheid, maar tastend hun coming-out willen delen met eventuele gelijkgezinden. Van Harskamp is misschien wel door Barth heengegaan, maar niet door Nietzsche. Het is namelijk moedig om als intellectueel in het huidige klimaat, waar de ratio totalitair heerst, je nek uit te steken en te durven zeggen dat je misschien wel voorzichtig een beetje gelooft en een feeling over hebt gehouden voor irrationaliteit. Het is voor de heerschappij der rede pas echt gevaarlijk als redelijke mensen zeggen dat ze misschien wel ergens in geloven en dat dat te maken heeft met de God diep in mijn gedachten en vooral meer met henzelf dan met dat Talpa-achtige 'Iets'.

De solo-religieuzen staan alleen voor hun zaak. Dat is Nietzschiaans gesproken hun moed, maar het is ook hun valkuil.

Het is opvallend dat van Harskamp niet hun achilleshiel op het oog heeft. Het gaat om twee zwakke plekken: dat van de gemeenschap en dat van de vormgeving. De kracht van de kerk lag natuurlijk altijd in de gemeenschap, de gemeente, en die is nog steeds werkzaam. Uit onderzoek (Braam, VU) blijkt dat die vaak anti-serum is tegen depressie en zedelijk verval, en niet zozeer de dogmatische inhoud. Op dit punt moeten de solo-religieuzen hun weg zoeken. Ze zijn de Nietzschiaanse eenlingen die niet bestaan bij de gratie van koffie-, of barbecuechristendom.

Het sociale aspect is eng, ja hier kennen zij inderdaad angst. Voorzichtig beproeven zij in hun gemeenschappelijke meditaties de waarde van de ring van medemediteerders. Behoedzaam kijken zij rond of dit misschien net zo gevaarlijk is als vroeger, of dat dit allemaal mede-geloofshelden zijn die gelijkelijk hun nek uitsteken.

Hier is de moed op zijn hoogtepunt. Kom ik thuis of blijf ik alleen? Of trek ik mij weer terug in de veilige schulp van het woord? Want de solo-religieus is de mens met zijn boek. Het zijn lezers bij uitstek, die zich terugtrekken in hun boekje in hun hoekje. Daar ervaren ze hun geloof. De literaire taal is hun religieus taalveld. Het is een cerebrale eenzaamheid met een elitaire intellectuele rand. De rest is paarlen voor de zwijnen. Lezen doe je in je eentje, niet met elkaar.

De andere zwakke plek is de vormgeving. In christelijke termen de liturgie. Hier komt de voorzichtigheid en schuchterheid der solo-religieuzen hen duur te staan, want de irrationaliteit kleedt zich volgaarne en gemakkelijk in het gewaad der kunsten. Er staan zondags drommen voor de musea en muziektempels, zoals vroeger voor de kerken.

Zouden er niet duizenden solo-religieuzen onderduiken in de massa's die de kerstmuziek, de requiems en vooral in de maand voor Pasen de passionen bezoeken? Deze anonieme solo-religieuzen zonder coming-out hebben een belangrijk ding voor op de eenzame zoekers op de hei der solo-spiritualiteit: dat ze met elkaar in zalen en zonder probleem ook in kerken zitten, en samen luisteren en soms inwendig meezingen. Dat is vaak zeer religieus maar minder solo.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden