Alleen een nieuw pak, later de trauma's Lubbers heeft geen tijd voor herdenking doden in Indie

DELFT - Zijn handen beginnen weer te trillen: Wim de Vogel praat over zijn terugkeer uit de tropen, na bijna drie jaar guerrilla-oorlog voor de Nederlandse staat, alsof het gisteren is.

“Het was fijn dat ik heel thuiskwam, natuurlijk. Maar als ik hoor wat voor opvang er nu is voor militairen en hoeveel begrip er voor overloper Poncke Princen is, dan kan ik wel eens witheet worden.”Zijn vrouw: “Het waren drie verloren jaren, je kreeg een gulden per dag en 80 cent gevarengeld en bij thuiskomst een extra textielbon voor een nieuw pak.” De nu 66-jarige in Leiden wonende Indie-veteraan De Vogel: “Ik merkte niets van steun om werk of een huis te vinden - nee, wij werden na thuiskomst opnieuw voor de leeuwen gegooid.”Het echtpaar Vogel heeft voor het onlangs geopende Veteranen-informatiepunt in Delft een herinneringsalbum afgestaan, als informatiebron voor lotgenoten op zoek naar het eigen verleden, naar wat er tussen 1945 en 1950 fout ging tussen Nederland en Indonesie.

Het VIP, gevestigd in het Legermuseum, is een van de groeiende uitingen van 'zorg en erkenning' voor de veteranen. Dat vooral de Indie-veteranen, de laatste slachtoffers van de geheel uit de hand gelopen Nederlandse 'Indie-politiek', daarom schreeuwden, is pas omstreeks 1986 door de overheid ontdekt. “Wat er tussen 1945 en 1950 gebeurde is nu bijna niet meer voor te stellen. Je moet denken aan jongens van 20 in een Nederland zonder tv en kritische pers, die uit een betrekkelijk beschermd milieu in een complete oorlog kwamen. Kinderen die ook nog werden geleid door kinderen: officieren van 20 en 21 jaar”, zegt de schrijver en Indie-veteraan Anton P. de Graaff. Met zijn in 1986 uitgekomen dagboek 'De heren worden bedankt', droeg hij bij tot een omslag in het denken over de Indie-gangers bij de overheid. “Ik teken hierbij wel aan dat er een verschil is tussen de dienstplichtigen, die werden uitgezonden en de KNIL-militairen met oorlogservaring en de oorlogsvrijwilligers, die vaak uit het verzet kwamen. Met 'De heren worden bedankt' doelde ik op de politici die als kippen zonder kop en met hersens als garnalen ons op de boot zetten naar Indie.

”De Graaff, 65, als sergeant-gewondenverzorger in Indonesie, onthulde veel misstanden bij de Nederlandse strijdmacht in Indonesie en werkte hierdoor (evenals auteur Wim Hornman voor de mariniersbrigade) therapeutisch voor de veteranen. Anton de Graaff schreef onder meer wat vier dienstplichtige soldaten in 1949 overkwam, toen het Indonesische leger, de TNI, hen na krijgsgevangenschap aan Nederland uitleverde: “Hun soldij over de periode die ze in TNI-gevangenschap hebben doorgebracht, werd nooit uitbetaald . . . herhaal: hun soldij werd nooit uitbetaald!”Dat sloeg in als een bom bij Defensie. De toenmalige staatssecretaris, Van Houwelingen, besloot de gedupeerden alsnog de verschuldigde uitkering met inflatiecorrectie toe te kennen. Een voorval dat illustratief is voor het sindsdien ontwaakte besef in het krijt te staan bij de Indie-gangers, maar ook voor hun pariaschap van tientallen jaren.

Een uiting van erkenning was de subsidie van een half miljoen die minister Ter Beek van defensie in 1990 schonk voor de afronding van het Nationaal Indie-monument 1945-1962 met 18 stalen zuilen, waarin ruim 6 000 namen staan gegraveerd. De minister beleed ook publiekelijk de schuld van de regering tegenover de Indie-veteranen. Maar 45 jaar later wordt niet alleen anders aangekeken tegen de veteranenzorg, maar ook tegen de 'Indie-politiek' van toen, oftewel dekolonisatie. In een folder van het Veteranen-informatiepunt staat: “De nadruk ligt op de jaren tussen 1945 en 1950, toen duizenden Nederlandse en Nederlands-Indische militairen betrokken raakten bij de onafhankelijkheidsoorlog in het huidige Indonesie.” De term 'onafhankelijkheidsoorlog' klinkt iets anders dan beladen geraakte begrippen als 'Ons Indie bevrijden' of 'Politionele actie', waarmee de militairen in Indonesie vertrouwd waren, acties die nu in Indonesie de 'eerste en tweede agressie' worden genoemd. De Indie-veteranen en hun familieleden, die vandaag in Roermond bij het Nationaal Indie-monument hun ruim 6 000 doden gedenken, zijn vooral bezig met hun vaak bittere herinneringen en met de vraag naar het waarom. De toenmalige Nederlandse politici - en de bevolking, die nauwelijks werd voorgelicht en was opgevoed met de kreet 'Indie verloren rampspoed geboren' - wilden aanvankelijk 'ons Indie bevrijden van de Jappen en de Indonesische terroristen'.

Ze lazen in 1945 en 1946 in het protestants-christelijke weekblad De Spiegel: “Indie los van Holland? Nooit!” Bij idyllische plaatjes van het 'tropische deel van Nederland' stond als tekst: “Het volk van Java is altijd een goedmoedig volk geweest. Tevreden, rustig en beleefd. Zoo was het en we hopen, dat het weer zoo zal worden.”Het werd nooit meer 'zoo'. Zelfs voor het Nederlandse denkbeeld Indonesie geleidelijk de vrijheid in een staatsverband met Nederland te geven, had Den Haag de tijd voorbij laten gaan. In 1947 begon de door de Indonesiers uitgeroepen republiek internationaal erkenning te krijgen en raakte Nederland met 200 000 militairen overzee economisch uitgeput. Er werd nog langdurig met de republiek onderhandeld, omdat Nederland vast bleef houden aan een Nederlands-Indonesische Unie en een federatieve Indonesische staat.

Als gevolg hiervan belandden de Nederlandse militairen op Java in 1949, na de mislukte offensieven (de 'politionele acties' van juli 1947 en december 1948) in een felle guerrilla. Het werd een Vietnam avant la lettre. Bij het definitieve staakt-het-vuren (er waren er meer geweest) van 10 op 11 augustus 1949 stapten er voor de onderhandelingen geen in lompen gehulde Indonesische vrijheidsstrijders uit de witte UN-jeeps. Anton de Graaff vertelt in zijn dagboek hoe bizar het op hem overkwam dat er inplaats van de verwachte armoedige 'peloppers' (geuzennaam voor de Indonesische strijders) correct geklede militairen verschenen. “Er kwamen twee goed gedisciplineerde militairen, de kapitein in lichtgroen, de luitenant in een khaki-uniform met sterren op groene patjes en met khaki veldmutsen waarop een koperen embleem met de letters TNI. Voor het eerst begin ik me te realiseren dat wij met 100 000 Nederlandse soldaten een land proberen te bezetten met 72 miljoen inwoners, dat we blijkbaar niet tegen een samenraapsel van terroristen vechten, maar tegen een goed georganiseerd leger met een betere bewapening dan wij, en dat we verdomd blij mogen zijn met dat Cease Fire!”

Ze hadden geen notie gehad van wat hen te wachten stond, die duizenden dienstplichtige jongens van 19 tot 22 jaar - van Middelharnis tot Epe en van Sappemeer tot Schin op Geul - die van 1945 tot en met 1949 scheep gingen naar de tropen. Voorlichting bij vertrek was er nog minder dan 'opvang' bij terugkeer. De Graaff: “En dat is wel vreemd, als je je realiseert dat Nederland nog nooit zo'n groot leger - ruim 120 000 militairen - overzee had gehad. Op de boot naar Indie wist ik eigenlijk niet wat we er gingen doen noch wat de bestemming was. Toch zag ik het nut in van een dagboek om later door te kunnen geven wat er gebeurde.”

Achteraf blijkt uit tal van historische studies dat vaagheid, onzekerheid en gespletenheid over de doelstellingen kenmerkend waren voor het Nederlandse diplomatieke en militaire beleid. De Nederlandse oorlogspremier, Gerbrandy, die zich zo hardnekkig verzette tegen 'de scheuring van het Rijk', wedde al op het verkeerde paard door alle hulp van het (na 1944 al uitgeputte) Britse imperium te verwachten. In zijn ogen moesten de Britten Indonesie zuiveren van de Jappen en hij negeerde het aanbod van Amerika om Java in een 'sweep' te bevrijden. Dit leidde weer tot het bekende gezagsvacuum in 1945 na de capitulatie van Japan, waardoor er in die anarchie alleen al 3 500 Nederlanders werden vermoord en vermist raakten. De archipel werd in deze bersiapperiode maanden overgelaten aan de Japanners en de door de Indonesiers uitgeroepen republiek. De beeldvorming van de Indonesische revolutie was hierdoor in Nederland die van 'terreur van Japanners en communistische peloppers'. “Men klampte zich in Nederland blindelings vast aan 'gezagsherstel' (. . . ) en aan een geloof in de opmars naar Djokja” (centrum van de Indonesische nationalisten), schrijft J. J. P. de Jong in zijn studie Diplomatie of strijd over het Nederlandse beleid tegenover de Indonesische revolutie.

Weliswaar had koningin Wilhelmina in haar befaamde verklaring van 7 december 1942 gesproken over een toekomstig 'volledig deelgenootschap' in vrijheid van alle delen van het koninkrijk, maar een ondubbelzinnige uitspraak over zelfbeschikkingsrecht ontbrak. Adviseurs, zoals de enige Javaanse minister in het Nederlandse oorlogskabinet, R. M. A. Soejono, waarschuwden de regering al in 1942 vergeefs dat het nationalisme onder brede lagen van de bevolking leefde. En zelfs de progressieve latere luitenant gouverneur-generaal van Nederlands-Indie, dr. H. J. van Mook, pleitbezorger van de Indonesische onafhankelijkheid, bleef vasthouden aan een blijvende band met Nederland. Maar de Indonesiers wilden dat per se niet en streefde naar volstrekte onafhankelijkheid, '100 procent Merdeka' (vrijheid). Aan de rede van koningin Wilhelmina werd de naam van de eerste uitgezonden divisie dienstplichtigen ontleend: de 7 December Divisie.

Met als commandant generaalmajoor Durst Britt kwam de divisie eind december 1946 in Indonesie aan. Een eveneens ongeveer 20 000 man tellende tweede divisie, de Palmboom-divisie, werd in de eerste helft van 1947 ontscheept. Daarnaast waren er in 1946 tal van bataljons oorlogsvrijwilligers en KNIL-militairen en de mariniersbrigade geland. In Brieven uit het veld, het laatste deel van de trilogie Met het vergeten leger in Indie van Anton de Graaff, staat een briefschrijver die vertelt:

“Klachten en angstdromen, elke nacht - nu nog - leidden uiteindelijk tot een chronische maagontsteking en maagbloedingen, waar ik voor geopereerd werd. Ik had toen 13 maagzweren. De eerste vraag van de chirurg was: heeft u in een concentratiekamp gezeten of bent u in Indie geweest?”Hij behoort tot de groep waarvoor wel een minister van defensie, maar tot nu toe nooit een premier heeft willen spreken. Premier Lubbers heeft dit jaar tot twee keer toe laten weten dat zijn agenda te vol is om op dinsdag 7 september bij de herdenking in Roermond te zijn. Anton de Graaff: “Dit ondanks een indringend beroep op hoog niveau op hem om toch te komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden