Alleen de bandjes gaan niet op de helling

AMSTERDAM - Een nieuw jaar, een nieuw geluid. De wieltjes zoeven nog op dezelfde toonhoogte, maar voor het overige verandert vrijwel alles in het wielerpeloton. Profs en amateurs bestaan niet meer. Daarvoor in de plaats komen de elite en de espoirs, de beloften. En de wedstrijdkalender voor betaalde renners is uitgedijd tot liefst 468 koersen.

Voor de buitenwacht zijn de veranderingen optisch niet al te schokkend. De Tour de France blijft gewoon de Tour, Parijs-Roubaix onveranderd de Hel van het Noorden, zoals ook de andere monumenten van het cyclisme niet van hun sokkel zullen worden gelicht. Voor het oog blijven de profploegen functioneren zoals ze altijd al deden. Ze heten voortaan professioneel gestructureerde teams en zullen, willen ze uitgenodigd worden voor deelname aan etappewedstrijden, minstens tien renners onder contract moeten hebben, die bovendien op zijn minst het wettelijk minimumloon uitbetaald krijgen. Dat er intern, in UCI-huis, vrijwel niets meer op zijn plaats is blijven staan, komt vooral tot uiting op de wedstrijdkalender. De drie grote rondes (Frankrijk, Italië en Spanje), de wereldbekerkoersen, de Olympische wegwedstrijden en het WK-programma hebben zich genesteld op de zogeheten wereldkalender. Alle andere sterk internationaal gekleurde wedstrijden, waarin UCI-punten op het spel staan, zijn terug te vinden op de continentale kalenders. Met 399 koersen in 1996 is de Europese lijst veruit de grootste. Binnen Europa biedt Italië (107 wedstrijden) het meeste emplooi. Daarna volgen Frankrijk (92), België (51), Spanje (43), Duitsland (30), Zwitserland (22), Nederland (10) en zowaar Luxemburg (7).

Doordat de scheiding tussen profs en amateurs is weggevallen, krijgen organisatoren van voorheen amateurwedstrijden de gelegenheid hun geesteskind in de adelstand van de elite te verheffen. In België, Frankrijk en Italië wordt daarvan in royale mate gebruikgemaakt, in Nederland zien slechts vier 'inrichters' er brood in. De Ster van Zwolle en de Hel van Mergelland, van oudsher gerenommeerde amateurklassiekers (in eigen land tenminste), hadden de deuren een paar jaar geleden al opengezet voor een beperkt aantal profploegen. Voor het nieuwe seizoen hebben ook de Teleflex Tour en Olympia's ronde voor de elite gekozen. Het viertal hoort thuis in categorie vijf. De elite zonder contract voert daarin de boventoon. Het rennersveld van nationale en mixed ploegen mag voor maximaal de helft worden aangevuld met gestructureerde ploegen. Daarvan mag weer hooguit dertig procent uit de UCI-top 22 (de nieuwe eerste divisie) worden gerecruteerd. Van de drie Nederlandse profploegen (Rabobank, TVM en Foreldorado) behoren de eerste twee tot de echte elite, zeg maar de rotary van het cyclisme. Omgekeerd mag een gelimiteerd aantal elite-amateur of mixed equipes meedoen aan de hoger ingeschaalde wedstrijden. In categorie twee, waartoe Veenendaal-Veenendaal en de Ronde van Midden-Zeeland behoren, ligt de limiet op twintig procent. De toelatingsnorm voor de klassiekers blijft in wezen ongewijzigd: de eerste divisie is startgerechtigd, aangevuld met enkele sponsorploegen uit het tweede echelon.

De leeftijdsgrens voor de betaalde en onbetaalde elite is bepaald op 23 jaar. Eliterenners met contract die van een jonger bouwjaar zijn, worden wel weer als zodanig aangemerkt. De 21-jarige Frank Vandenbroucke, die op de loonlijst staat van Mapei, hoeft niet, zoals zijn leeftijdsgenoten, uit te komen voor de beloftes.

Drilboor

Vanwaar die aardverschuiving? De drilboor werd in de grond gezet door IOC-voorman Juan Antonio Samaranch, die immers op Olympisch niveau profs en amateurs op één hoop gooide. Het wielrennen, dat van het programma van de Spelen geschrapt dreigde te worden als het zelf niet tot innovatie zou overgaan, besloot alras zijn voorbeeld te volgen. Kwaadsprekers beweren dat met name de persoonlijke ambities van UCI-voorzitter Hein Verbruggen (hij vlast op het IOC-lidmaatschap) daaraan ten grondslag lagen. Hervorming onder het mom van modernisering en de ultieme poging het nogal regionaal (lees: Europees) getinte wielrennen op de weg te mondialiseren, is een meer voor de hand liggende verklaring. Verbruggen hoopt door de herstructurering op nieuwe initiatieven en sponsors uit toekomstige groeimarkten. De eerste tekenen zijn al zichtbaar. Vorig jaar beleefden het criterium op het Rode Plein in Moskou en de Ronde van China hun primeur. In de eerste helft van maart vallen er ook in de Ronde van Langkawi, een soort Olympia's Tour maar dan in Maleisië, UCI-punten te vergaren. En omdat punten worden gekoesterd als airmiles en spaarzegels bij supermarkten, zal een handjevol profploegen er ongetwijfeld brood in zien op die exotische manier de marktwaarde op te krikken.

Dat laatste aspect blijft onveranderd. Een rijke hoeveelheid UCI-punten zal ook in 1996 de poorten naar de echt aansprekende wielerkoersen open smijten. Alleen het systeem van de willekeur wordt goeddeels verlaten. De top 18 van de sponsorploegen is nu al verzekerd van deelname aan de Tour de France. TVM hoeft zodoende niet tot midden juni te wachten of het sponsorgeld verantwoord kan worden besteed. Daarmee is overigens nog niet alle kou uit de lucht verdreven. Op initiatief van Mapei en Carrera heeft een conglomeraat van twaalf grote ploegen de Zwitser Marc Biver, één van de managers van het sportmarketingbureau McCormack, in de arm genomen om de haast grenzeloze speelruimte van Leblanc en de andere mega-organisatoren aan banden te leggen. Zo zouden de grote sponsors van de Tour de France (een autofabrikant, een frisdrankenindustrie en een bank) niet langer concurrentie van branchegenoten dulden. De organisatie van de profploegen, AIGCP, blijkt niet langer in staat verzet te bieden tegen de ongebreidelde expansiedrift. McCormack toont des te meer daadkracht en zal begin dit jaar de discussie over dat punt met de UCI aangaan.

Rondedirecteur Jean-Marie Leblanc houdt hoe dan ook een beperkt aantal wild cards achter de hand om ieder geval dertig Franse renners aan de start van zijn wedstrijd in Den Bosch te krijgen. Leek het profwielrennen - want zo zal het uit de volksmond blijven klinken - in Nederland een langzame verstikkingsdood te sterven, in Frankrijk slaat de crisis onbarmhartig om zich heen. Na het afhaken van Le Groupement, Castorama en Chazal is er nog maar één serieuze, gestructureerde formatie overgebleven: Gan.

Door de vrijwel totale ineenstorting van het Franse wielrennen heeft de rituele stoelendans van coureurs opwindende proporties gekregen. In de individuele top 100 van de UCI-ranking kan achter zeker een kwart een andere sponsornaam worden ingevuld.

De belangrijkste mutaties zijn: Fondriest (Lampre), Oegroemov en Furlan (beiden Gewiss) naar Rosloto-ZG, Sörensen (MG), Bruyneel en Breukink (beiden Once) naar Rabobank, Sciandri (MG), Madouas (Castorama) en Montoya (Banesto) naar Motorola, Abdoesjaparov (ex-Novell) naar Refin, Riis (Gewiss) naar Telekom, Jaskula (Aki) naar Brescialat, oud-wereldkampioen Leblanc (ex-Le Groupement) naar Polti en Hampsten (Banesto) naar het bescheiden US Postal Service.

In Nederland geven de Rabobank en, in veel bescheidener mate, Foreldorado een verfrissende impuls aan het professionele wielrennen. Het nationale elitepeloton wordt verrijkt met liefst dertien neo-profs, tegen slechts drie in 1995: Boven, Luppes, Van Moerenhout, Vierhouten (Rabobank), De Jongh en Thebes (TVM), De Louw, Gilsing en Van Dijk (Foreldorado), Den Braber en Konings (Collstrop), Van der Meer (Palmans) en Engels (Asfra). Een garantie voor meer en grotere successen is dat vooralsnog niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden