Alleen Afrika heeft nog ontwikkelingshulp nodig

Jongens voetballen bij de uitgang van een stembureau in Ethiopië. (FOTO AP) Beeld AP
Jongens voetballen bij de uitgang van een stembureau in Ethiopië. (FOTO AP)Beeld AP

De traditionele Derde Wereld is aan het verdwijnen. Nederland moet daarom actiever gaan nadenken welke belangen het in een veranderende wereld wil dienen.

De ’Derde Wereld’ is een achterhaald begrip, betoogde Han Koch onlangs in deze krant. Hij bevindt zich in goed gezelschap. Zelfs de president van de Wereldbank, Robert Zoellick, kondigde onlangs het einde van de Derde Wereld aan. Ontwikkelingslanden hebben volop mogelijkheden, zo betoogde hij, als ze maar de kans krijgen om goed te integreren in de wereldmarkt. Iets te eenvoudig, maar niet geheel onwaar – al wees menig blogger op het feit dat Zoellick dan eerder als de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de nodige kansen aan zich voorbij heeft laten gaan.

Hoe dit ook zij, de verhoudingen in de wereld veranderen snel. China exporteert nu elke zes uur evenveel als in het hele jaar 1978. Leefde in 1993 nog zestig procent van de bevolking van Vietnam onder de armoedegrens, in 2010 is diezelfde staat een middeninkomensland geworden.

En er zullen meer landen volgen. Als ze de gemiddelde groei van de periode 2004-2008 weten vol te houden, zullen Bangladesh, Kenia, Ghana, Ethiopië en zelfs Tsjaad in 2020 niet langer ontwikkelingsland zijn, maar tot deze groep van middeninkomenslanden horen. De vraag is wat dat betekent voor het beleid van Nederland.

De eerste consequentie is dat ontwikkelingshulp zich kan concentreren op een uiterst beperkt aantal landen: ontwikkelingshulp zal in toenemende mate Afrika-beleid worden. Buiten Afrika leven met name in India nog veel mensen onder de armoedegrens, maar dat land heeft Nederland al in 2003 gemeld geen prijs meer te stellen op ontwikkelingshulp: het zorgt zelf wel voor zijn armen.

In Afrika valt met een verstandige aanpak in een aantal landen nog verschil te maken – maar ook die bijdrage zal eindig zijn.

Een volgende consequentie van de veranderde verhoudingen, is dat Nederland moet nadenken over de vraag wat het wil met de nieuwe spelers op het wereldtoneel, als het die niet langer met hun ontwikkeling hoeft te helpen. Wat willen wij met landen als Indonesië, Angola of Suriname?

In het traditionele antwoord spelen twee klassieke Nederlandse belangen een rol: handel en veiligheid. In een wereld waarin landen steeds afhankelijker van elkaar worden, is dat lijstje te kort. We moeten een stap verder gaan en onderwerpen als voedsel, klimaat, energie en migratie evenzeer in de beschouwing betrekken.

Nederland heeft moeite zich actief op te stellen in de nieuwe verhoudingen. Net als de meeste andere Noordwest-Europese landen staren we angstig en verlamd in de koplampen van een veranderende wereldorde. Een pro-actievere strategie past. In Noorwegen heeft de minister van ontwikkelingshulp dat handig aangepakt. Hij heeft zich gestort op de vraag wat eigenlijk de langetermijnbelangen van de Noren zijn, om op basis daarvan een strategie voor Noorwegen uit te zetten – en hij keek daarbij beslist verder dan economische belangen.

Het zou ook in Nederland de moeite lonen te investeren in wat de WRR een ’globaliseringsagenda’ heeft genoemd: een beredeneerd perspectief op de vraag hoe Nederland in een veranderende wereld het algemene belang en haar eigen belangen het best kan dienen. Vanuit zo’n perspectief wordt het zaak na te denken over hoe we ons tot allerlei kwesties en daarmee tot andere landen willen verhouden.

Dat leidt ongetwijfeld tot een andere categorisering van landen dan die in termen van eerste, tweede en derde wereld. In Duitsland hebben ze een vergelijkbare exercitie uitgevoerd, en dat resulteerde niet in een driedeling, maar in verdeling van de wereld in acht groepen landen.

Het loont vervolgens ook de moeite om de vraag te stellen hoe dat internationaal beleid goed georganiseerd kan worden. De huidige organisatievorm – met ambassades en een ministerie van buitenlandse zaken – paste bij de wereldorde van de negentiende eeuw. De eenentwintigste eeuw heeft andere arrangementen nodig.

Bij veel onderwerpen die relevant zijn voor de toekomst van Nederland is het aanbrengen van een onderscheid tussen binnenland en buitenland nog maar beperkt zinvol – en vaak werkt het averechts. Voor thema’s als klimaat en voedsel was dat al lang duidelijk, maar ook migratievraagstukken zijn niet louter een binnenlandse aangelegenheid, en veiligheidsvraagstukken doen zich niet enkel voor in verre landen.

Dat wil niet zeggen dat natiestaten er niet meer toe doen – verre van dat. Ze functioneren in juridische zin nog volop als het niveau waarop wetten en regels worden gemaakt – hoewel ook dat steeds minder een louter nationale aangelegenheid is.

Nederland als natiestaat blijft er toe doen: als plek waarmee veel mensen zich identificeren. Het gevoel ergens thuis te horen, verbinden met een agenda waarmee we onze mondiale plaats bepalen, is de echte opdracht die voortvloeit uit het einde van de Derde Wereld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden