Alle poëzie die we willen onthouden

Paul van Ostaijen

Wij moeten weer trots worden op ons nationaal erfgoed. Althans, daar wordt hard aan gewerkt: het begrip ’canon’ is helemaal terug. Vooral de poëzie leent zich voor een stoomcursus vaderlandsliefde, of in breder verband: trots op Europa. Maar tonen de nieuwe canons van de poëzie nu echt glashelder wat ons collectief geheugen heeft opgeslagen? Of nemen ze de kleur aan van de bloemlezer?

Nog maar vijf jaar geleden klaagde de historicus Herman Pleij in een essay getiteld ’Identiteit’ over onze geringe interesse voor de eigen cultuurschatten: „In Nederland moet je smeken om meer aandacht voor de eigen cultuur, vooral die uit het verleden’’. Zo’n klacht zul je nu niet snel meer horen. De familie Blokker, Charles Groenhuijsen en talloze anderen hebben zich eendrachtig gestort op het bijspijkeren van ons historisch besef, vooral het lang versmade vaderlandse.

Die inhaalmanoeuvres zijn aan de poëzie niet voorbij gegaan. Ze leent zich er ook goed voor, alleen al omdat je een hele canon in één boek kwijt kunt. Maar nog meer omdat dichtregels zich makkelijk in het geheugen prenten, waardoor ze in ons nationaal gevoel een aparte plaats innemen. Nederlanders kopen nog altijd bitter weinig dichtbundels, maar velen kennen wel een paar dichtregels uit het hoofd, vaak regels die iets zeggen over hun eigen land, zoals ’Ik ging naar Bommel om de brug te zien’ en natuurlijk ’denkend aan Holland zie ik brede rivieren...’. En dat terwijl onze dichterlijke traditie voortkomt uit die van Vlaanderen en daar nog altijd onlosmakelijk mee verbonden is.

Toch doen Nederlanders nog altijd schutterig over hun nationale erfgoed, zodat het niet verbaast dat het juist een Vlaming is die – met Vlaamse subsidie – een Lyriek van de Lage Landen samenstelde: de dichter en vertaler Paul Claes. Zijn ’canon in tachtig gedichten’ beantwoordt intussen uitstekend aan de Nederlandse honger naar educatieve uitgaven die de traditie bevestigen. Veel van onze klassiekers staan erin – inclusief het Wilhelmus! –, de dichters en hun werk worden vakkundig ingeleid en het boek is rijk geïllustreerd, alsof Claes wil zeggen: laten we het vieren wat om wat voor reden dan ook de tijd heeft doorstaan!

Want zo is het natuurlijk wel: canonvorming is een darwinistisch proces, waarin datgene overleeft wat we kennelijk het beste kunnen gebruiken. Claes geeft dat onmiddellijk toe: om de eeuwen te weerstaan moet een dichtregel niet alleen pregnant geformuleerd zijn, ook de functie telt mee. „Het Wilhelmus zou allang vergeten zijn als het niet de nieuwe functie van Nederlands volkslied had gekregen.”

Je kunt je dus best afvragen welke buiten-esthetische belangen de canon helpen vormen. Zo verscheen afgelopen jaar de studie ’Dit moet u niet onverschillig wezen!’ waaruit bleek hoezeer literatuuronderwijs in de negentiende eeuw werd ingezet om Nederlands kroost nationaal besef bij te brengen. Dat Claes zonder omwegen deze éne canon presenteert, past in de nieuwe Nederlandse behoefte aan cultureel houvast, die zich door geen bedenkingen of vraagtekens meer laat intomen.

Intussen blijkt uit Claes’ keuze toch een bepaalde kijk op de poëzie van de lage landen. Of misschien nog eerder: hij drukt ons met de neus op het calvinistische karakter van onze dichtkunst. Het Wilhelmus klinkt natuurlijk al weinig triomfalistisch - vergelijk dat eens met het Duitslandlied - , maar die tendens tot schuldbesef en inkeer zet zich ook later voort. Zoals in het met zondebesef beladen gedicht van Jacobus Revius (1586-1658) ’Hij droeg onze smerten’, dat eindigt met de regels „De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech;/ Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.” En als de Nederlandse poëzie begin negentiende eeuw gaat neigen tot retorische gezwollenheid of sentimentaliteit wordt dat, benadrukt Claes, onmiddellijk afgestraft door de ironische romantici als Piet Paaltjens en de Schoolmeester. Typerend is de anti-nationalistische ’boutade’ van P.A. De Génestet ,,O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen, / Doorsijpeld stuksken grond, vol killen dauw en damp’’. Dat besluit met: „Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen, / Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.’’

Claes vergeet allerminst de anti-burgerlijke dichters wier weidse blik het kikkerlandje ontstijgt - Multatuli, Slauerhoff, Marsman, Herman Gorter - maar als we al flink in de moderne tijd zijn beland, valt op dat hij kiest voor gedichten waaruit ook een ’mest-en-mist’ geur opstijgt. Dan lijkt het noordelijke calvinisme een beklemmend huwelijk aan te gaan met de weinig stadse Vlaamse traditie en kiest Claes van een dichteres als Ida Gerhardt een Hollands benauwd tafereel: „drie maal per dag, naar vaste wetten / nemen zij de eigen plaatsen in / en gaan zich rond de tafel zetten; / van haat eendrachtig: het gezin.”’ En van Achterberg een gedicht dat óns niet als zijn canoniekste voorkomt en dat aldus begint: „Besloten zaterdagavond bij ons thuis. / Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur./ Er was geen ziel meer buiten op dat uur; / de blauwe boerderij een dichte kluis.”

Wie na de canon van Claes ’De canon van de Europese poëzie’ openslaat, heeft het gevoel van een vertrouwd, zij het wat bedompt boerderijtje opeens verplaatst te worden naar een woest en groots landschap: het is er onherbergzaam en onoverzichtelijk, maar wat een vergezichten!

De samenstellers doorkruisten dan ook een terrein dat reikt van Homerus tot Joseph Brodsky, en in geografisch opzicht nog veel verder, want zij bloemleesden ook gedichten uit Nicaragua, uit Nieuw Zeeland, uit Chili en (vele) uit Noord-Amerika, vanuit de gedachte dat deze dichters ons zo hebben beïnvloed, dat ze tussen de Europeanen niet mogen ontbreken. Helemaal overtuigend klinkt dat niet, want ergens zal je toch een grens moeten trekken, maar één ding klopt wel: de poëzie van de hier opgenomen Bulgaren en Albanezen klinkt vaak vele malen exotischer dan die van Pablo Neruda, Sylvia Plath en Allen Ginsburg.

Hoewel Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries iets minder stellig benadrukken dat dit boek dé canon zou bevatten - het heet dan ook ’500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ - doet de veelheid aan beroemde gedichten je niet alleen onmiddellijk in dankbaarheid ontbranden, je denkt ook al snel dat hier wel zo’n beetje alles is bijeengebracht wat er toe doet. Baudelaire en Aleksander Blok, Catullus en Paul Celan, Dante en Emily Dickinson (daar heb je zo’n Amerikaanse), Goethe en Oscar Wilde. En daarbij nog Denen, Friezen (!) en Tsjechen van wie je nog nooit gehoord had.

Maar dat enthousiasme moet bij nader inzien iets getemperd worden, want soms is de keuze bevreemdend. Waarom wel een erotisch niemendalletje van de Zweed Carl Michael Bellman (1740-1795) en niet iets meer Shakespeare, voor wie het maximum van drie gedichten wel erg krap bemeten is. Anders dan bij Claes mis je hier een verantwoording, en een keuze tussen canonieke verzen en aardige trouvailles.

Meer dan de Claes’ canon heeft deze keuze een flinke duw gekregen van de samenstellers. Zoals te verwachten valt van Pfeijffer, als dichter wel getypeerd als ’dionysisch’, bloemleest hij opvallend veel poëzie waarin gefeest, genaaid en gedronken wordt. In 27 v. Chr schrijft Tibullus: „Schenk sterke wijn en laat de drank mijn nieuw verdriet verdoven, opdat mijn ogen uitgeput bezwijken voor de slaap.” En in een anoniem gedicht uit dertiende-eeuws Italië, vertaald door Willem Wilmink, treffen we de volgende regels aan: „Drink dan, arme, drink dan, zieke,/ drink, mevrouw de excentrieke,/ drink dan, puber,drink dan, VUTter / drink dan, reus en lilliputter.” Zoals aan woorden als ’puber’ en ’VUTter’ wel af te lezen valt, draagt de keuze voor vrijzinnige vertalers bij tot dit libertijnse effect. Daarbij putten Pfeijffer en De Vries niet alleen uit eigen vertaalwerk, maar ook uit dat van stoutmoedige collega’s als Erik Bindervoet en Ard Posthuma.

Als we in de negentiende eeuw zijn beland – en dat is al halverwege dit boek – tekenen zich duidelijk internationale stromingen af: dat is dankzij de rubricering per jaar uitstekend te volgen. Overigens blijkt dan ook dat Nederland vaak wat achterliep. In 1867, twee jaar nadat Mallarmé de onsterfelijke regels schreef „Het vlees is droef, helaas! En ik las alle boeken. (...)” dicht onze Piet Paaltjens: „Wel menigmaal zei de melkboer / Des morgens tot haar meid: / ’De stoep is weer nat.’ Och hij wist niet / Dat er ’s nachts op de stoep was geschreid.” Het blijft een fijn vers, maar tegen de achtergrond van Mallarmé en Rimbaud verbleekt het toch wat. Overigens hebben de samenstellers zelf geen enkele last van de voor Nederlanders zo typerende culturele bescheidenheid: landgenoten zijn stevig vertegenwoordigd.

In de twintigste eeuw tonen Pfeijffer en De Vries een voorkeur voor aansprekende, hartstochtelijke poëzie, waarin de catastrofes van die tijd zich spiegelen. Zoals het cynische ’De raven’ van Karl Kraus, uit 1920, vlak na de Eerste Wereldoorlog dus: „Immer zaten onze ravenmagen / Vol met wie er om de eer krepeerden, / En zorgden jullie gulle plagen / Dat de honger ons niet deerde.” Opvallend veel sterker klinkt nu ook de stem van vrouwen, waarbij overigens ook weer voor díegenen gekozen is, die passen in de poëzie waar Pfeijffer en De Vries van houden: krachtige, gepassioneerde dichters als Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva, Sylvia Plath en Antjie Krog.

De canon van de poëzie: dat zijn de regels die in ons bewustzijn zijn blijven hangen. Heel wat gedichten tref je dan ook in beide bloemlezingen aan. Toch zou je best willen weten wat de ietwat slordige losbollen Pfeijffer en De Vries zouden doen met de lyriek van de lage landen. En wat de beheerste, dienstbare Claes zou opvissen uit de enorme stroom van Europese poëzie waar we allemaal zo diep in staan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden