Alle noorderlingen zijn vreemdeling

Het noorden van Ivoorkust is al drie jaar bezet door rebellen. Veel gekwalificeerd personeel is naar het zuiden gevlucht. Hoe ziet het dagelijks leven eruit zonder banken, medicijnen en schoolexamens?

Eind van de maand is het betaaldag voor de bijna 7000 VN-soldaten, -waarnemers en -personeel in Ivoorkust. Omdat er geen banken meer functioneren in het door rebellen bezette noorden, is dat een hele operatie. In Bouaké landt 's ochtends vroeg een Lear jet. Terwijl Marokkaanse vredesmilitairen de verkeerstoren en alle hoeken van het vliegveld bezet houden, stapt een grote militair uit, met een zak cash in elke hand. Eenmaal buiten het kleine vliegtuig laadt hij zijn geweer en revolver.

In een colonne van VN-gepantserde wagens met mitrailleurs aan boord gaat het richting VN-hoofdkwartier. De inwoners kijken niet meer op van dit soort ritjes; zij hebben hun handen vol aan dagelijkse zorgen. Zo hoeven zij sinds het begin van de oorlog in september 2002 geen watergeld meer te betalen, maar door gebrek aan onderhoud komt regelmatig geen water uit de kraan.

De centrale bank van Ecowas (organisatie van West-Afrikaanse staten) wordt zwaar bewaakt door VN-tanks, rollen prikkeldraad en vredesmilitairen achter stapels zandzakken. Direct na het uitbreken van de opstand in 2002 roofden rebellen de kluizen leeg. Vorig jaar deden twaalf Franse militairen die de bank moesten bewaken, dat nog eens dunnetjes over. Een naburig hotel heeft verbodsstickers voor geweren. Van de oorspronkelijke half miljoen inwoners van Bouaké zijn er nog maar 300000 over. Vanwege de gevechten aan het begin van de crisis en na een massamoord door rebellen op gendarmes zijn velen naar het zuiden gevlucht.

Ook voor scholieren is het leven moeilijker geworden. Mariam Cissé (16) zit bij haar vriendin, die op straat sinaasappels per stuk verkoopt en schilt om uit te zuigen, in een lokale variant van verse jus. ,,Voor ouders is het lastiger om het schoolgeld bijeen te sprokkelen“, vertelt lyceumganger Mariam. In het najaar van 2002 ging er in het noorden niemand naar school. Daarna heeft de 'regering' van de Forces Nouvelles (de rebellen) om het enorme lerarentekort op te vangen, studenten opgeroepen voor de klas in te vallen, als vrijwilliger .,Vorig jaar had mijn klas van 54 leerlingen een student scheikunde als leraar, die het trouwens heel goed deed“, zegt Mariam. De regering uit het zuiden zit de rebellen dwars door daar al drie jaar lang geen examens te houden.

Op de centrale markt is het rustig. De omslagdoekenverkopers Touré Lacina (35) en Camara Abdoulaye (36) raken door de crisis met name minder goedkopere pagnes kwijt. Bovendien moeten hun vrachtwagens uit Abidjan onderweg bijna het dubbele aan steekpenningen betalen als voorheen, en voor het afladen nog eens extra aan de Forces Nouvelles. Zij accepteren gelaten dat zij de helft minder loon krijgen.

Geen van beiden heeft een identiteitskaart. ,,De helft van de noorderlingen heeft er geen en kan dus ook nooit aan de verkiezingen meedoen. Daarom is de oorlog ook begonnen: die constante discriminatie, alsof alle noorderlingen vreemdelingen zijn. Als je mét diploma werk zoekt, word je afgewezen omdat je achternaam ook veel voorkomt in Mali en Burkina Faso. Een handelaarster die veel moet reizen, wordt door de politie extra lastiggevallen. Er zijn wel agenten uit het noorden, maar die zijn nooit chef. Promotie is onmogelijk“, vat Lacina samen.

In het enige academische ziekenhuis buiten de hoofdstad Abidjan, het CHU in Bouaké, is het ook rustig. Het Franse Artsen zonder Grenzen (AzG) houdt het draaiend sinds de twintig hoogleraren en het management in 2002 vluchtten. AzG betaalt jaarlijks 1,4 miljoen euro aan salarissen voor de staf van 189 artsen en verpleegkundigen en voor gratis behandelingen. Vanuit het hele noorden komen patiënten naar Bouaké, maar in principe opereert AzG hier alleen noodgevallen (300 per maand) en assisteert het bij gecompliceerde bevallingen, ook 300 per maand. In de klinieken in het noorden is soms alleen de schoonmaakster over, medicijnen worden al lang niet meer geleverd. Het is niet mogelijk hier alle zieken uit Noord-Ivoorkust op te vangen, en dat stelt de behandelaars dagelijks voor moeilijke dilemma's.

In november 2004 liet president Gbagbo stroom en drinkwater voor het noorden afsluiten, als begin van een offensief tegen de rebellen. Daarbij liet hij ook burgerdoelen in Bouaké bombarderen. In het CHU-ziekenhuis stierven door de stroomuitval diverse baby's in de couveuses. Verpleegkundige Aly Ouattara is afdelingschef van de operatiekamers. Ook hij heeft de discriminatie van noorderlingen ondervonden. ,,Ik heb tien jaar gewacht op mijn identiteitskaart, en dan ben ik nog ambtenaar“, vertelt hij, met zijn groene operatiemuts nog op, en witte klompen aan. “Toen ik de kaart in 2002 eindelijk kreeg, zag ik dat hij al in 1999 was gedrukt. Hoe dat kan? Dat traineren is beleid! Mijn broertje heeft er nog steeds geen. Het is walgelijk. En daarom is de oorlog ook uitgebroken.“

De eerste maanden na de coup was iedereen doodsbang. ,,Niemand wist immers wat er ging gebeuren“, stelt Ouattara. Wegblokkades schoten als paddestoelen uit de grond. ,,Sommigen die vluchtten, zijn onderweg vanwege hun achternaam vermoord.“ De ok-chef is lovend over de aanpak van AzG. ,,Vroeger kwam en ging iedereen vrijuit. Er werd altijd te laat betaald. Nu doen we met een derde van het personeel meer dan eerst, en het is nog schoner ook.“

De verhouding met het zuiden - dat elke noorderling als rebel beschouwt - blijft precair. Een verpleegkundige die naar Abidjan was gegaan om zijn salaris te halen, zat maanden als 'rebel' in de cel. Zelf reist Ouattara in een AzG-auto naar het zuiden, dat is veiliger. 'U was toch dood?' reageerde men bij de bank, waar hij geld wilde opnemen. Omdat de situatie na drie jaar gestabiliseerd is, keren sommige inwoners nu terug naar Bouaké: ,,Iedereen is de oorlog beu“.

Critici stellen dat de rebellen pas na weken met een 'doel' voor hun coup kwamen. Feit is dat tallozen zich enorm aangesproken voelden, toen bleek dat hun 'nobele zaak' de discriminatie van noorderlingen was. Edouard Bambara (28) sloot zich direct in september 2002 bij de rebellen aan. ,,Op een bijeenkomst voor het politiebureau vertelden zij over hun bedoelingen. Ook ik had nog nooit een identiteitskaart gehad, omdat mijn naam zo Malinees klinkt. Maar mijn ouders en ik zijn toch echt in Bouaké geboren.“ Bambara wil graag kwijt dat hij christen is, net als de leider van de Forces Nouvelles, Guillaume Soro. ,,Laat je dus ook niet wijsmaken dat het een religieuze oorlog is.“

Tegenwoordig bewaakt Bambara het vliegveld van Bouaké, in uniform, met geweer, en op felblauwe plastic slippers. Voorlopig weigeren de rebellen te ontwapenen, zoals in het vredesakkoord is afgesproken. Maar, zegt Bambara: ,,Op de dag dat ik mijn identiteitskaart krijg, lever ik mijn kalash in.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden